Adelaar (1735)

Titelbeschrijving
Den Adelaar.

Periodiciteit
Het blad verscheen iedere week, van maandag 28 februari 1735 t/m maandag 9 mei 1735.

Bibliografische beschrijving
Het tijdschrift heeft geen titelpagina noch titelprent, omdat de jaargang nooit voltooid is. Alle 11 afleveringen tellen 8 pagina’s in kwarto. Het titelblok vermeldt rechtsbovenaan het volgnummer en middenboven het paginanummer. Daaronder gecentreerd: ‘Maandag’ en de datum. Op de volgende regels staat de titel gecentreerd. Iedere aflevering is voorzien van een Latijns motto, dat gecursiveerd onder de titel wordt weergegeven.
Versieringen komen in het tijdschrift niet voor, behalve de begininitiaal van het eerste vertoog.

Boekhistorische gegevens
De stoklijst achter op iedere aflevering vermeldt de volgende verkooppunten van het tijdschrift: de boekverkopers J. Loveringh te Amsterdam, J. van Braam in Dordrecht, Beman in Rotterdam, P. van der Kloot in Delft, C. Bouquet in ‘s-Gravenhage, J. van Abkoude te Leiden, Van Lee te Haarlem, Visch in Utrecht, Meerkamp in Middelburg en Payenaar te Vlissingen. Vanaf nr. 9 komt er een verkooppunt bij: in Hoorn bij Beukelman.
Vermoedelijk was Loveringh in Amsterdam, het eerste adres in de stok, de uitgever van het blad.
De enige (tot nu toe gevonden) advertentie voor Den Adelaar verscheen in de Leydse Courant van 28 februari 1735: op diezelfde dag was het eerste nummer te koop voor 2 stuivers.

Medewerkers
De auteur is Jacob Campo WEYERMAN (1677-1747). Zijn naam staat echter noch in de advertentie noch op het titelblok vermeld. Desondanks moet het blad zeker aan Weyerman worden toegeschreven. Weyerman neemt het blad namelijk op in de lijst met zijn boeken gedrukt ‘in Vieren’ (kwarto) op p. 467 van zijn Levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen, deel 4 (1769). Bovendien verwijst de Adelaar/Weyerman reeds in de openingszin van de eerste aflevering naar een waarschuwing die de auteur van de Amsterdamsche Hermes – dat is Weyerman – hem gegeven had.
Slechts één keer is in het vertoog niet de Adelaar/Weyerman zelf aan het woord, maar de oudste broer van een jonge juffer. Dat betreft het verhaal ‘Het spookpaleys van de Billard’.

Inhoud
Den adelaar past in de serie van Weyermans ‘weekelykse papieren’ zoals Den Laplandschen Tovertrommel (1731) en De Naakte Waarheyt (1737), die na een tiental afleveringen een snel einde beleefden. Het gebrek aan succes bij zijn lezers en de concurrentie van een blad als De Schertser (1735-1736) dwongen Weyerman om met Den adelaar abrupt te stoppen.
De wijze auteur – in de rol van grijze Adelaar met doordingende ogen en scherpe blik – richt zich in de ik-vorm rechtstreeks tot zijn lezers, die hij met nut en vermaak wil onderrichten door zedekundige en vrolijke ‘Beschouwingen over den Mensch, en deszelfs Bedryven’. De vertogen over het kijven en schelden, over het biljarten, over woekerrente en gerechtigheid, blijven boeien vooral door de prachtige stijl, maar Weyerman kon er zijn lezers niet mee terugwinnen.
Opvallend zijn twee verhalen met een Turkse achtergrond. De treurige geschiedenis van Cidal Achmet speelt zich af in Londen, en het Turkse sprookje van de ondankbare Fatima in Threcut en aan de Vechta. De auteur belooft het vervolg van het sprookje de eerstvolgende maandag te vertellen, maar dat is nooit gebeurd. Met de ondankbare Fatima in dit verturktste verhaal – het Orakel van de Vechta is Weyerman, Threcut is een anagram van Utrecht – wordt de rijke weduwe Pestalozzi bedoeld. Zij komt als Koriska voor in Den echo des weerelds van 17 juni 1726. De affaire-Koriska kwam uitvoerig ter sprake in het proces tegen Weyerman in 1739, maar de rechters hebben nr. 10 van Den Adelaar met het Turkse sprookje over de ondankbare Fatima, alias Koriska, over het hoofd gezien. Kennelijk hadden ze niet zulke scherpe ogen als de adelaar.

Relatie tot andere periodieken
De concurrenten van Den Adelaar zijn De Hollandsche Spectator (1731-1735) van Justus van Effen en De Schertser. In de laatste aflevering van Den Adelaar meldt Weyerman dat De Schertser kritiek had op zijn Turkse sprookje. ‘Den Adelaar heeft een papier versloft!’
Justus van Effen geniet de twijfelachtige eer in vier afleveringen van Den Adelaar te worden bespot. De Hollandsche Spectator komt in nr. 1 van Den Adelaar samen met Argussen en Examinators heel algemeen ter sprake: in vergelijking met de werken van Hooft, Huygens en Vondel zijn de Spectator-afleveringen doornen tussen de leliën. Specifieker wordt Den Adelaar in nr. 5 waar Weyerman een woord aan de geduchte Hollandsche Spectator wil wijden uit ‘ernstige verachting’ voor de stijl en de behandeling van dat wekelijks papier. Uitvoerig staat Weyerman in nr. 7 stil bij de lezers van dat blad. Het blad wil voldoen aan de smaak van de spellende lezers; de Adelaar vraagt aan de auteur welk nut en vermaak de Spectator heeft. In nr. 8 ten slotte krijgt de Hollandsche Spectator het te verduren wegens zijn loodzware schrijfstijl.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: 335 H 32 (nrs. 1-11)

Literatuur
¶ K. Bostoen en A. Hanou, Geconfineert voor altoos (Leiden 1997)
¶ P. Altena: ‘Abderiet in Threcut. Utrechtse notities over leven en werk van Jacob Campo Weyerman’, in Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 16 (1993), p. 65-85
¶ P. Altena: ‘”Liever een’ arent dan een’ kerkuil”. Over Den Adelaar (1735) van Jacob Campo Weyerman, De Hollandsche Spectator (1731-1735) van Justus van Effen en de geschiedenis van de “weekelyksche schriften”‘, in: Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 13 (1992), p. 145-171
¶ Jacob Campo Weyerman, Den Adelaar, editie P. Altena (Nijmegen [uitgave in eigen beheer] 1989)
¶ C.M. Geerars, ‘De vrijdenkerij in de journalistieke werken van Jacob Campo Weyerman’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman (1980), p. 290-316.

Frans Wetzels