Algemeene Konst- en Letterbode (1788-1861)

Titelbeschrijving
De Algemeene Konst- en Letterbode, Weekblad voor min en meer Geoefenden, Behelzende Berichten uit de Geleerde Wereld van alle Landen.
Nieuwe Algemeene Konst- en Letterbode (1794-1801).
¶ In 1801 werd de oude naam hersteld: Algemeene Konst- en Letterbode (1801-1861)

Periodiciteit
Nr. 1 van dit langlopende weekblad verscheen op 4 juli 1788. Het werd 27/29 augustus 1790 in Amsterdam verboden. Jongenelen (1998) vermoedt dat de expliciete toestemming ontbrak, die vereist werd op grond van de in maart/april 1790 uitgevaardigde algemene verboden.
Ondanks het tijdschriftenverbod in 1811 behoorde de Algemeene Konst- en Letterbode tot de drie tijdschriften die per keizerlijk decreet d.d. 26 april 1811 mocht blijven verschijnen.

Bibliografische beschrijving
Elk nummer telt 16 pagina’s. Met ingang van 1801 werd het formaat veranderd van groot kwarto in klein octavo; iedere jaargang werd in twee banden gebonden.

Boekhistorische gegevens
De Haarlemse uitgever Adriaan LOOSJES Petruszn (1761-1818) gaf het weekblad uit. Christiaan PLAAT (1753-1798) werkte vanaf deel 2 mee aan de uitgave, nadat Loosjes deel 1 bij wijze van proef alleen had uitgegeven. De samenwerking hield echter in 1794 op, omdat ‘de compagnieschap, voor welker rekening de uitgave was geschied sedert het begin van de maand Juli 1788, besloten had tot een scheiding, om reden voor het publiek van minder belang’, aldus het Voorbericht in deel I (1794).
Volgens Kruseman (1889) genoot het blad in 1811 een oplage van 480 exemplaren.

Medewerkers
De Haarlemse uitgever Adriaan LOOSJES (1761-1818) hield op de achtergrond een redactionele vinger in de pap en droeg regelmatig zelf ook inhoudelijk bij.
Hij stelde wel meteen de doopsgezinde predikant Cornelis DE VRIES (1740-1812) als hoofdredacteur aan, die eerder met zijn neef Gerrit Nieuwenhuis de Utrechtse Courant redigeerde. De Vries was, weet Loosjes’ biografe De Haan,

de juiste persoon voor dat werk en hij verscheen op het juiste oogenblik. Hij was te Enschede en te Utrecht predikant geweest bij de Doopsgezinde gemeente, maar toen hij hij in laatstgenoemde plaats op moeilijkheden stuitte omdat hij zoo rechtzinnig niet was als men wenschte, had hij in 1786 verkozen zijn ambt neer te leggen. Liever dan zich in nuttelooze geloofstwisten te steken wilde hij zijn zielsrust bewaren voor zijn letterkundig werk. Hij was een geleerd man en had reeds vele verhandelingen in het licht gegeven. Toen de zoon van zijn vroegere schoolvriend Petrus Loosjes hem aanzocht om de redactie van zijn tijdschrift op zich te nemen, moet dit voor hem een oplossing zijn geweest want hij was te ijverig en te jong om ambteloos te leven en de journalistieke arbeid, waarvan hij reeds ondervinding had, trok hem aan.

Mogelijk kreeg De Vries ruzie met Plaat, die Loosjes ten koste van zijn medeuitgever suste: De Vries bleef, Plaat niet.
Loosjes deed op Bilderdijk een vergeefs beroep. Bijdragen waren verder afkomstig van de jurist en geschiedschrijver Jacobus SCHELTEMA (1767-1835), met name de levensbeschrijvingen van Betje Wolff en Aagje Deken.
Adriaans zoon Vincent LOOSJES (1786-1841), ook boekhandelaar, nam in 1809 de redactie van De Vries over. Later in de negentiende eeuw waren Johannes VAN VLOTEN (1818-1883) en de predikant Klaas SYBRANDI (1807-1872) bekende contribuanten.

Inhoud
Volgens De Haan heeft de Haarlemse uitgever/auteur zich met de Algemeene Konst- en Letterbode niet beperkt tot de genootschappen, wat hij met het (nooit verschenen) tijdschrift Jaarboeken der Genoodschappen wel van plan was. Met de Algemeene Konst- en Letterbode wilde hij berichten over het letterkundig en culturele leven in Nederland en daarbuiten. In tegenstelling tot een ander tijdschrift van Loosjes, de Nieuwe Nederlandsche Spectator, maakte

de Letterbode een uitstekend figuur, zoo royaal als het blad was opgezet en zoo goed verzorgd. Op dat peil heeft Loosjes zijn tijdschrift weten te handhaven, ook verscheen het altijd regelmatig en op tijd, wat lang niet met alle bladen het geval was. Het heeft dan ook revolutie en overheersching en economische ontwrichting van het maatschappelijke leven weten te doorstaan. Zooals de ondertitel aangaf, behelsde het inderdaad ‘berichten uit de geheele geleerde wereld’ en bestreek het elk gebied van wetenschap en kunst, maar het bevatte meer korte nieuwsberichten dan uitvoerige artikelen en had als zoodanig het karakter van een krant.

In 1791 voegde Loosjes aan het gewone nummer van de Algemeene Konst- en Letterbode een afzonderlijk berichtenblad voor boekaankondigingen en recensies toe, dat medio 1792 weer verdween, vermoedelijk, omdat het te duur was. Daarna zette hij de literaire besprekingen op de plaats van de prijslijsten en wisselkoersen, omdat die voor zijn blad minder geschikt waren. Af en toe verscheen er nog een aanhangsel of bijblad, maar op den duur verdwenen die ook.
Vermakelijk is het anonieme bericht dat in nummer 51 van 23 december 1814 was opgenomen, een mededeling over de oprichting van een letterkundig genootschap. Alle zittingen van dit gezelschap zouden openbaar zijn, een unicum in die tijd. Het zou ‘den geheelen ruimen omvang der Geleerdheid’ omvatten en geen enkele tak van de wetenschap uitsluiten. Onder de leden van het eerste uur c.q. oprichters waren de ‘meer of meer bekende Heeren: Wuyster, van Volkom, Huët, Kaldenbach, Hollingerus Pypers, J.A. Rycken, L. Ingenhousz, F. Hoppenbrouwers’. De redactie doorzag de ironie niet. De ‘correspondent’ en schrijver van het stukje bleek Jacob Hendrik Hoeufft, uitgever van Latijnse gedichten, die in een kwartoblaadje Sententie opnieuw ironisch beschreef hoe zijn stukje was ontvangen in Breda en omstreken (Navorscher 1902, 161-164)

Relatie tot andere periodieken
Het nieuwe tijdschrift verschilde nogal van de Vaderlandsche Letteroefeningen, het blad dat door de vader en oom van Loosjes opgericht en geredigeerd werd. De Algemeene Konst- en Letterbode was meer kosmopolitisch van aard en niet godsdienstig zoals de Vaderlandsche Letteroefeningen, waar ieder nummer meestal begon met een leerrede of theologisch vertoog.
Omstreeks 1808 polemiseerden de redacties van de Algemeene Konst- en Letterbode en de Recensent, ook der recensenten met elkaar over de vraag hoe men literair werk moest beoordelen.

Exemplaren
¶ Nijmegen, Universiteitsbibliotheek: Tz b 618
¶ Full text deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel 8, deel 9, deel 10, deel 11

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden 1747-1794 (Amsterdam 1998), p. 67 (nr. 225)
¶ NN, ‘Hoe een tijdschrift-redactie in 1814 gemystificeerd werd’, in: De Navorscher 52 (1902), p. 161-164
¶ A.C. Kruseman, De Fransche wetten op de Hollandsche drukpers (Amsterdam 1889), p. 90, 164, 166, 177-178, 246
¶ Pieter Scheltema, Het leven en de letterkundige verrigtingen van den geschiedschrijver, Mr. Jacobus Scheltema (Amsterdam 1849), p. 61
¶ J. van Geuns, ‘Levensberigt van den eerwaardigen Heere Cornelis de Vries’, in: Algemeene Konst- en Letterbode deel 1 (1813), p. 226.

Pieter van Wissing