Algemeene Spectator (1741-1746)

Titelbeschrijving
De Algemeene Spectator. 

Periodiciteit
De afleveringen verschenen van maandag 20 november 1741 tot en met 3 juni 1743 (nrs 1-155) en, na een onderbreking van een kleine drie jaar, van 2 mei 1746 tot en met 25 juli 1746 (nrs. 156-180).
Reeds in 1742 was er door ziekte van de voornaamste redacteur enige achterstand opgelopen, maar door twee vertogen tegelijkertijd uit te geven, was de achterstand weer ingelopen (deel 3, ‘Voorreden’). Het jaar daarop speelde zijn slechte gezondheid hem opnieuw parten. Door een ‘ongemeen en voor my smertelyk toeval’, aldus de redacteur, was hij genoodzaakt geweest het blad geruime tijd te staken (deel 6, p. 41).
De frequentie was aanvankelijk een maal per week, op maandag, maar met ingang van 1 januari 1742 (nr. 7) kwam het op maandag en vrijdag uit, ‘doordien het ons anders onmogelyk is, gebruik van de toegezondene Brieven te maken’ (deel 1, p. 48).
In totaal verschenen zes delen, met in de impressa respectievelijk 1762 (sic) (deel 1), 1743 (deel 2), 1742 (sic) (deel 3), 1743 (deel 4 en 5), 1746 (deel 6).

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen acht pagina’s in groot octavo. Het titelblok bevat steeds het volgnummer, de datum, de titel en een citaat. In de ‘Voorreden’ van deel 1, geschreven na bundeling van de eerste aflevering, maakt de redactie bekend ‘dat wy […] ons Werk in byzondere deeltjes, van 30 Vertoogen ieder, afdeelen, waarom wy by ieder deeltje een Tytel voegen; en by alle twee deelen of ieder bandje, een register uitgeeven zullen, gelyk wy in het Vertoog No. 30 belooft hebben’. Hieraan heeft men zich alle verschijningsjaren gehouden.
Op het gegraveerde titelvignet (‘J.C. Philips inv. et fecit, 1742’) is onder andere een symbolische figuur met weegschaal zichtbaar (mogelijk Astraea). Zij weegt wat waarheid is; ook de wan op de voorgrond staat voor het uitzuiveren van de waarheid. Dit vignet is in deel 6 vervangen door een betekenisloos ornament.

Boekhistorische gegevens
Het impressum op de titelpagina’s geeft: ‘Te Amsterdam, By Pieter Hendrik Charlois, Boekverkooper op ’t Rokkin’. Aanvankelijk beperkt het colofon zich tot:

Deeze Algemeene Spectator, zal alle Maandagen te bekomen zyn: te Amsterdam, by Pieter Hendrik Charlois. Te Utrecht by M.L. Charlois en in andere Steden by de Boekverkopers.

Op 4 december 1741 (nr. 3) blijkt het aantal verkoopadressen aanzienlijk te zijn uitgebreid:

te Rotterdam by Beman en Losel; Haarlem, van Lee; Leiden, Kerkhem en Hasebroek; Delft, Boitet; ’s Hage, van Thol en van den Berg; Dort, Outmans en Wittich; Gorcum, Goetzee; Alkmaar, Maag; Hoorn, Beukelman; Enkhuizen, Callenbach; Zutphen, van Hoorn; Middelburg, Meercamp; Nymegen, de Reuver; Bos, Pallier; Zwol, van Straten; Deventer, van Wyk; Harderwyk, Brinkink; Groningen, Radys; Leeuwaarden Koumans en van Dessel; Harlingen, van der Plaats; Meppel Erpers; Sardam Ketel; enz.

Deze lijst wordt diverse keren afgedrukt.

Medewerkers
In de eerste aflevering van de Algemeene Spectator stelt de driekoppige redactie zich voor:

De oudste die veel geleezen, en door zyne ondervindinge een volmaakte kennisse van het menschelyke harte heeft verkregen, is Vader van verscheidene Kinderen; een groot kenner van de zuivere Christelyke Godsdienst, gelyk die in Gods Heilig Woord ons word voorgeschreven, en een ernstig betrachter van de Deugd en goede Zeeden. De tweede, die jonger en ook getrouwt is, heeft den Koophandel verlaaten, om in een zoete eenzaamheid, aan de Studie der goede letteren, zich geheel overtegeeven. De derde en de jongste, is ongetrouwt, van beroep Rechtsgeleerde, hebbende niet zonder nut, het grootste gedeelte van Europa doorreist […]; ook ziet men hem dagelyks op de Beurs, in een der Koffyhuizen en in de voornaamste gezelschappen, zynde een liefhebber van het gezellige leven; ook hebben veele kenners, hem de eernaam van een goed Dichter gegeeven (deel 1, p. 1-2; vgl. p. 58-59).

De drie redacteuren schrijven in de Voorreden dat zij ‘alle drie in geene eene stad woonen’ en dat de kopij dus steeds heen en weer gestuurd moet worden. Voor elk nummer komen ze in Amsterdam samen voor een redactiebijeenkomst.
Het drietal ondertekent zijn bijdragen met de initialen A.K., H.R. of R.G. De laatste initialen komen het meest voor. Deze auteur verzucht later, nadat de Spectator een tijd lang afwezig is geweest, hoe met het ‘Gezelschap van drie boesem Vrienden uitmaakende’ is vergaan:

wel haast wierd een daar van, door de dood weggerukt, en de andere geraakte geheel buiten staat, van my zyne hulpe te konnen leenen, zo dat ik besluiten moest dit Werk, in zyn geboorte te laaten smooren, of alles alleen op myn hals te laaden. (deel 6, p. 41)

Ook R.G. had overigens zwaar met zijn gezondheid te kampen (deel 3, ‘Voorreden’; nr. 76).
De redacteuren kregen bij aanvang reeds zo veel brieven toegestuurd, dat ze zich in de ‘Voorreden’ van deel 1 verplicht voelden hun werkwijze toe te lichten. ‘Veele onzer Correspondenten klagen, dat men hunne brieven zo lang onbeantwoord laat leggen; en anderen, dat wy daar in ’t geheel geen gebruik van maaken’. Ze moesten meer geduld hebben, was de reactie, omdat de redactie een maand vooruit werkte. Voorts moest de lezer zich realiseren dat aanstootgevende brieven en brieven waar geen lering uit viel te trekken, altijd geweigerd werden.
Eén van de correspondenten noemt zich Chronophilus (deel 2, p. 30), en zegt dat hij die naam ook heeft gebruikt in diverse afleveringen van de Secretary van Apollo en Minerva (1739-1741).

Inhoud
In deze spectator worden veel – te veel, vinden sommigen (deel 2, p. 97; deel 3, ‘Voorreden’; deel 4, p. 73) – al dan niet fictieve brieven afgedrukt, die daarna beantwoord worden door een van de drie redacteurs. Het doel is ‘de deugd en goede zeden aan te kweeken, de dwaasheit tegen te gaan, en de Christelyke vrede en liefde te bevorderen’ (deel 1, ‘Voorreden’).
In nr. 1 zet de redactie uiteen wat zij voor ogen heeft. Het blad heeft een algemeen karakter, hetgeen is af te lezen aan de titel van de Algemeene Spectator. Later blijkt dat het predicaat ‘algemeen’ ook betrekking heeft op de doelgroep: ‘Uwe voorsaaten de Engelse en Hollandse Spectator hebben voor de Geleerde geschreeven, maar gy schryft voor het algemeen’ (deel 2, p. 9).
In de als programma bedoelde eerste aflevering neemt de redactie zich verder voor vertalingen te leveren van dat werk van Henry Stonecattle (?) dat ‘aangenaam en welvoegelyk voor onze landaard geoordeeld word te zyn’ (p. 3). Ook zal de lezer werk aantreffen van andere geleerde Engelsen, Fransen, Duitsers en Italianen; maar vooral van Nederlanders. In nr. 71 wordt dit voornemen herhaald, met daarbij de toevoeging dat een vertaling uit Van Effens La Bagatelle zal volgen: ‘een van de Geestigste werken, die dezen Heer ooit geschreven heeft; en het behoefd geenzins voor zyn Hollandsche Spectator te wyken’ (p. 87).
Uiteindelijk, zo vervolgt de redactie haar plannen in het openingsnummer, is het haar te doen om het verspreiden van de waarheid, al is geen van allen ‘een verwaande jonge Zotskap of knorrige mens haater’. Er is dus voldoende plaats voor ‘vrolyke boerteryen’ (p. 3). Laster zal de lezer tevergeefs zoeken in het blad; hooggeplaatsten zullen met gepast respect worden bejegend (p. 5).
De onderwerpen lopen uiteen van een pagina’s lange bespreking van het treurspel Arminius, Beschermer der Duytsche vryheid van Bernagie, opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg (vanaf nr. 35), en een verhandeling over de koophandel (vanaf nr. 28), tot het dichtstuk ‘Laura Hekeldicht of Levensverhaal van het hedendaagsche modieuze jufferschap’ (vanaf nr. 27) en een uitgebreide brief over de hoedenmode (nr. 52). Het onderwerp ‘Verleiding der rykdommen’, gepresenteerd in de vorm van een dialoog, wordt in deel 5 en 6 dusdanig uitgesponnen, dat het lijkt dat de auteur geen kracht meer heeft om de spectator op oude voet voort te zetten.
Alle vertogen van de Algemeene Spectator over deugdzaamheid konden niet voorkomen dat er kritiek werd uitgeoefend op het blad. Het zou een ‘vervl… pasquil’ zijn, geschreven door ‘drie schurken, die de galg wel tienmalen verdient hadden’. De teksten waren zouteloos en de lezer werd voortdurend getrakteerd op oudbakken verhaaltjes (deel 1, p. 131-136). Ook in de ‘Voorreden’ van deel 3 wordt gerefereerd aan kritiek op de Algemeene Spectator. Van wie die kritiek afkomstig is, is niet bekend.

Relatie tot andere periodieken
Reeds in de ‘Voorreden’ van deel 1 wordt opgemerkt dat de opzet geheel in navolging is van de Hollandsche Spectator (1731-1735) van Justus van Effen (zie ook p. 7). De redactie van de Algemeene Spectator neemt echter ook stelling tegen haar voorbeeld. Zo komt in diverse vertogen het dansen ter sprake, alsmede de opvattingen van Van Effen hierover (bijvoorbeeld deel 1, p. 146 e.v.).
Verder wordt kritiek geuit op de Hedendaagsche Mercurius (1741-1742), een van ‘diergelyke schriften [die] altoos aan de Jeugd vermakelyker zullen voorkomen, dan de onzen’ (deel 3, p. 64).
In 1748 verscheen opnieuw een Algemeene Spectator, deze keer geschreven door Egbert Buys en uitgegeven te Amsterdam bij Jacobus Haffman.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1205 H 32-34.

Literatuur
¶ J.C. d. M., ‘De “Algemeene Spectator” (1741-1746)’, in: Ons Tijdschrift 2 (1897), 439-457.

Rietje van Vliet