Algemeene Spectator (1748)

Titelbeschrijving
De Algemeene Spectator.
De titelpagina van latere uitgaven heeft als titel: De Algemeene Spectator, vervattende veele Weetenswaardige Historien, Zeldsame Gevallen, Verstandige Aanmerkingen, Leerzame Zinnebeelden, Nuttige Samenspraken, en Geestige Gedichten.

Periodiciteit
Dit woensdags weekblad is verschenen van 5 juni 1748 tot en met 25 december 1748. De titelpagina van de bundel met deze 30 afleveringen heeft als jaartal: 1749. Reeds op 23 oktober 1748 stelt de auteur dat hij zijn weekblad aan het einde van het jaar zal beëindigen (p. 167). Op 20 november 1748 meldt hij verontschuldigend dat hij om die reden ingezonden brieven waarschijnlijk niet meer zal beantwoorden.
De wekelijkse frequentie wordt niet altijd volgehouden, zo blijkt uit het naschrift van de nrs. 7 (17 juli 1748) en nr. 13 (28 augustus 1748). Hier kondigt de auteur aan dat de achterstand zal worden ingehaald door met een aantal afleveringen tegelijk uit te komen.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt acht pagina’s in octavo. Samen tellen ze 240 doorgenummerde pagina’s; het geheel wordt voorafgegaan door voorwerk (titelpagina, opdracht en ‘Voorreden’) en afgesloten met een ‘Bladwyzer der voornaamste zaaken die in dit Werk voorkomen’. Het titelblok van iedere aflevering bevat volgnummer, datum en titel. De titelpagina van de bundel wordt opgesierd door een titelvignet. Centraal hierin (‘A. vander Laan inv. et fecit’) zijn twee vissers afgebeeld, bezig hun netten binnen te halen. Daaronder staat op een banderol de zinspreuk: ‘Het Haft vertoont aan deeze Man Dat hy nu Vissen vangen kan’.

Boekhistorische gegevens
Het impressum luidt: ‘Te Amsterdam, By Jacobus Haffman, Boekverkooper op ’t Rusland’. Het colofon van nr. 1 geeft aan dat het blad tevens verkrijgbaar was ‘Te Rotterdam Borgvliet, ’s Hage v. Tol, Haarlem van Lee, Delft Voorstad, Leyden Bonte, Utregt Vonk van Lynden’. Deze namen komen ook in latere colofons voor.
Over de prijs wordt men op 23 oktober 1748 geïnformeerd: ‘De Leezers, die deeze Spectators weekelyksch koopen, kunnen verzekert zyn dat, het gantsche werk by elkander zynde, niet minder zal verkocht werden als tegen drie stuivers het vel’ (p. 168).

Medewerkers
Het blad verscheen anoniem, maar het voorwerk (de opdracht en de van handtekening voorziene ‘Voorreden’) verraadt wie de auteur was: Egbert BUYS (1723-1769). Dit voorwerk kwam pas van de pers nadat het blad beëindigd was. Buys was blijkens de titelpagina van latere uitgaven ‘Hofraad en Actueel Commissaris van den Koning van Polen en Keurvorst van Saxen’. Later schreef hij ook geschiedkundige en encyclopedische werken, en het tijdschrift De Hollandsche Wysgeer (1759-1763).
Buys is in de jaren vijftig op een onverkwikkelijke manier bekend geworden door beschuldigingen van zijn vrouw: hij zou overspel hebben gepleegd, hoeren hebben bezocht, zijn vrouw hebben mishandeld en zich bezondigd hebben aan een frauduleus bankroet. De kwestie werd tot in de kleinste details publiekelijk uitgevochten, onder andere door het Verhaal der procedures tusschen Alida van der Streng en Egbert Buys (1753). Vergelijk ook de nrs. 20 en 30 van de Algemeene Spectator waarin heer Spectator het opneemt voor de man ‘die buiten staat raakt om zyn schulden te betaalen’, onder meer ‘door slechte huishouding en verquistende levenswijs van zijne Vrouw’.
Ook elders in de Algemeene Spectator wordt duidelijk dat Buys zijn blad gebruikt om zijn straatje schoon te vegen. Zo maakt hij op 23 oktober 1748 zijn lezers attent op stijlverschillen binnen zijn blad. ‘Ik geloof dat veele van myne Leezers verwonderd zullen zyn, dat ik in styl en stoffe eenigzins verschil van myn eerste Vertoogen’ (p. 167), verklaart hij, om in één adem door daarna te bekennen dat hij na nr. 7 met het schrijven een nieuw oogmerk had. Wellicht doelt hij op het herstel van de reputatieschade die hij door de echtscheidingszaak had ondervonden.
Er is echter een tweede mogelijkheid: misschien heeft Buys de vertogen na nr. 7 niet zelf geschreven. In Egbert Buys ontmaskert (1754) staat namelijk een getuigenis van Alida van der Streng opgenomen dat Buys weliswaar zijn naam onder de Algemeene Spectator had geplaatst, maar dat de vertogen hem van alle kanten waren toegezonden (p. 30). Ook Buys zelf verklaart dat het derde, vierde, negende en elfde vertoog niet door hem zijn opgesteld, evenals het tiende vertoog tot ‘daar de prosa eindigt’ (‘Voorreden’). Het blijft nochtans gissen naar zijn concrete betrokkenheid bij het blad.

Inhoud
Het blad is opgedragen aan Johannes Wolferts, neef en vriend van de schrijver. Wolferts was er weinig gelukkig mee, schrijft hij in een brief d.d. 18 januari 1749 die is afgedrukt in de Memorie van rechte bevattende het proces crimineel en de zelfsverdediging van Mr. Carel Philip van Cuylenborgh, advocaat voor den Ed. Hove van Utrecht (1753).
Deze uitspraak moet gezien worden in het licht van de luidruchtige echtscheidingszaak waarin Buys verwikkeld was. Maar mogelijk was Wolferts, die beweerde de spectator nog nooit te hebben ingezien, ook ontevreden over de kwaliteit ervan. Het blad is namelijk rommelig, onhelder geschreven, ondanks de dikwijls ogenschijnlijke strakke opzet die met a-b-c’tjes gestructureerd is. Met uitzondering van de eerste afleveringen mist het de brille van Buys’ voorbeeld, de Hollandsche Spectator van Justus van Effen.
In nr. 1 zet Buys zijn plannen met betrekking tot de Algemeene Spectator uiteen. Hij leunt sterk op de ‘Engelsche, de Fransche, de Hoogduitsche en de Hollandsche’ spectators. Deze schrijvers hebben ‘op een verstandige, geestryke en vermakelyke wys de meeste ondeugden en gebreeken van elke Natie, onder welke zy geschreeven hebben, in hun wanschapene trekken afgeschildert, het zelve denk ik maar wat algemeener te doen’. De lezer zal de Latijnse zinspreuken aan het begin van de vertogen echter missen: Buys kent geen Latijn en heeft bovendien weinig lust om telkens op zoek te gaan naar toepasselijke citaten.
Het blad heeft alle kenmerken van een zedekundige spectator, dankzij de ingezonden brieven, gericht aan Heer Spectator (ook in zogenaamd dialect geschreven), verhaaltjes, dichtstukjes, fabels, samenspraken, toneelstukjes en serieuzere vertogen. Veel behandelde deugden/ondeugden kunnen in verband worden gebracht met Buys’ persoonlijke queeste tegen zijn ex.

Relatie tot andere periodieken
In 1750 verscheen er ‘Te Utrecht, By Johan Hendrik Schwitzer, Boekverkoper op ’t Steenweg’ een tweede druk. Mede omdat de opdracht aan Wolferts ontbreekt, vermoedt Rijnbach (1949) dat het om een titeluitgave van de eerste druk gaat. Deze zogenaamde tweede druk werd in 1775, met de vermelding ‘Tweede druk’, zelf ook weer als titeluitgave op de markt gebracht: ‘Te Utrecht By H. van Emenes en A. Stubbe, Boekverkopers’. In de Leydse Courant van 20 januari 1777 bood Stubbe 100 exemplaren van deze tweede druk aan voor 16 stuivers, in plaats van 45 stuivers.
Er is geen enkele relatie met, laat staan verwijzing naar de Algemeene Spectator die van 1741 tot en met 1746 te Amsterdam bij Charlois is verschenen.

Exemplaren
¶ Gent, Universiteitsbibliotheek: BIB.BL.002974/1 (1ste druk)
Full text.
¶ Haarlem, Stadsbibliotheek: 67 A 15 (2e druk 1750)
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1054 B 42 (2e druk 1775)

Literatuur
¶ A.A. van Rijnbach, ‘Een onbekende spectator en zijn samensteller, Egbert Buys’, in: Het Boek 30 (1949-1950), p. 75-87.

Rietje van Vliet