Amsterdamsche Argus (1718-1722)

Titelbeschrijving
Amsterdamsche Argus, Acht gevende op alle Voorkomende Zaken en Gevallen; ten Voornaamste Gerigt om de Wanstalligheden der Menschelyke Bedryven aan te wyzen, en hunne Gebreken op enen Vermaaklyken en Luchtigen Trant te hekelen.

Periodiciteit
De Amsterdamsche Argus was aanvankelijk een tweewekelijks blad dat op woensdag verscheen (nr. 1, p. 1). Vanaf nr. 6 (3 augustus 1718) was de frequentie wekelijks. Dat neemt niet weg dat er af en toe onregelmatigheden zijn; zo wordt in nr. 8 (17 augustus 1718) gezegd: ‘Verwacht de negende, den vierentwintigsten van deze Maand, en zo by continuatie van acht tot acht dagen’.
Deel 1 bevat feitelijk: de nrs. 1-50 (25 mei 1718 tot en met 7 juni 1719). Deel 2 bevat de nrs. 1-52 (14 juni 1719 tot en met 5 juni 1720). Deel 3 bevat de nrs. 1-52 (12 juni 1720 tot en met 4 juni 1721). Deel 4 bevat de nrs. 1-52 (11 juni 1721 tot en met 3 juni 1722). Deel 5 bevat slechts de nrs. 1-11 (tot en met 19 augustus 1722).
De creatieve benadering van het nieuws in dit blad leidde tot ingrijpen van de overheid. De Russische gezant, prins Kurakin, beklaagde zich bij de Staten-Generaal over deel 5, nr. 1 (10 juni 1722). Deze aflevering bevatte volgens hem zaken waarin over de tsaar en zijn echtgenote ‘scurrile en injurieuse reflexien’ waren gemaakt. Toen de bewuste aflevering in de vergadering der Staten werd vertoond, volgde nog ‘een odieuse reflectie op eene andere Mogentheid’. De Staten van Holland verboden daarop dit tijdschrift op 28 augustus 1722. In Muiden, de woonplaats van de schrijver, werd de Argus publiek verbrand.

Bibliografische beschrijving
In kwarto. Elke aflevering telt acht bladzijden. In deel 1 begint de arabische paginering pas bij nr. 15, p. 113 (5 oktober 1718). In totaal heeft dit eerste deel, afgezien van het voorwerk, 400 bladzijden.
In het voorwerk: french title, uitlegging titelplaat, titelplaat (‘J. Goeree inv. et fec.’), titelpagina, opdracht aan Momus. Overigens zijn deze titelplaat en opdracht, blijkens een bericht daarover in de Argus van 22 november 1719, pas de woensdag daarop verkrijgbaar, tegens de prijs van ‘drie ordinaire bladen’. Op deze titelplaat is een dierenriem afgedrukt, waaronder een massa personificaties, symbolische figuren, die aanwijzingen geven aan de schrijver. Het belangrijkste idee op deze plaat is dat Argus gegidst wordt door Pythagoras en door de leer van de verhuizing der zielen: Argus kruipt in steeds andere gedaante in de ziel van anderen (Rabelais, Boileau, Juvenalis) om op hun eigen wijze commentaar te geven (‘Uitlegging van de Tytelplaat’). In de eerste aflevering wordt deze idee herhaald; Argus bevond zich

in den Hemel van Pythagoras, die myne ziele naar zyn welgevallen heeft doen verhuizen, in de lichaamen van allerley Standspersoonen, Philosophen en Poëten, als, Lucretius, Horatius, Juvenalis, en meer anderen van dien en vroeger tyd; laater in die van Cartesius, Cornelje, Boileaux, Racine, Moljere, en Doudyns. Dies heb ik moeten zwerven, tot dat ik my hede bevinde in het lichaam van een snaak, die noch vlees noch visch is, en van elks wat, doch van ’t geheel niets weet.

Deze idee – steeds in een andere gedaante te voorschijn komen – wordt overgenomen in de titel van het volgende tijdschrift van de schrijver, de Bataafsche Proteus.
Deel 2 heeft II (titelpagina) + 416 pagina’s; deel 3 heeft II (titelpagina) + 416 pagina’s; deel 4 heeft II (titelpagina) + 414 pagina’s; Deel 5 heeft geen titelpagina.
Op de titelpagina’s wordt gebruik gemaakt van rood.
Het titelblok geeft achtereenvolgens datum- en nummeraanduiding, daarna de Amsterdamsche Argus als titel. Binnen de titel: een vignet van een man, tussen ranken, bij een rund (de scherpziende reus Argus dus, als bewaker van de door  Zeus’ geliefde Io), met herderstaf; één hand op een hoorn van Io, en in de linkerhand een hart ophoudend; gezeten op het stadswapen van Amsterdams stadswapen.

Boekhistorische gegevens
Impressum deel 1: ‘Te Amsterdam, By Johannes Ratelband, Boekverkoper by ’t Stadhuis, aan den Dam 1719.’ De allereerste colofon, in nr. 1, luidt:

Te Amsterdam Gedrukt voor den Autheur. En werden uitgegeeven te Amsterdam, by Johannes Ratelband. Dortrecht, Van Braam. Rotterdam, Wed. N. Bos. Haage, P. van Tol. Leiden, H. van Dammen. Delft, P. Buyster. Haarlem, van Kessel en van Lee. Gouda, Johannes Endenburg. Utrecht, J. van Poolsum, enz.

Uiteraard worden in de loop der jaren vele verkooppunten toegevoegd of gewijzigd. Zo luidt bijvoorbeeld de colofon van deel 5, nr. 5 van de Argus (medio 1722):

Te Amsterdam. Gedrukt voor den Auteur, en werden uitgegeven by Jakobus Wolffers, Boekverkooper in de St. Luciesteeg. Rotterdam, M. van Loon, N. Korte, en A. Willis. Delft P. Buyster en R. Boytet. Hage P. van Thol. Leiden H. van Damme. Haarlem M. van Lee. Alkmaar J. van Byeren. Hoorn R. Beukelman en J. Duyn. Gouda A. Endenburg. Dort J. van Braam. Utrecht J. van Poolsum. Middelburg S. Clemens. Vlissinge G. de Payenaar. Bergen op Zoom E. van Overstraaten. Harderwyk Joh. Rampen.

In deel 1, nr. 49 (31 mei 1719) wordt gezegd dat de uitgave vanaf nr. 51 zal geschieden bij Hendrik van Eyl (Amsterdam), en dat verkopers van de buitensteden daar de gewenste aantallen exemplaren moeten opgeven. In nr. 50 (p. 400) stelt Ratelband de Argus te zullen blijven sturen aan diegen die ze van hem gewoon waren te krijgen. Van Eyl blijft als uitgever vermeld op de titelpagina’s van de delen 3 en 4.
In deel 4 wordt op 6 mei 1722 gemeld:

NB. De Amsterdamsche Argus, zal naa de distributie der twee en vyftigste van ’t vierde deel, voortaan werden uitgegeven te Amsterdam by Jacobus Wolffers, die woont in de St. Lucie Steeg, omtrent de Pypmarkt […] ’t welk niet roekeloos geschiet, maar om rede van Staat, en om wat dichter in de buurt van de Hel te komen, ten einde den Duivel blyke, hoe bang wy voor hem zyn: de Buitenboekverkoopers werden verzocht, zich daar na te reguleeren, en hem aanschryving te doen, van hoe vele exemplaren zy tegens den tienden Juny gelieven te zyn gedient; en Argus verzoekt beleefdelyk zyne intiemste Vrienden binnen Amsterdam, van dezen jongen Boekverkoper den penning te willen gunnen, en de Argus daar te laten halen, waar tegens hy zal zorgen dat zyne Winkelklanten die tot de zelve prys op Schryfpapier zullen konnen krygen (p. 382).

Deze informatie wordt vrij vaak herhaald; echter met betrekking tot het komende deel 5, in deel 4, nr. 52 (3 juni 1722), op deze wijze:

NB. Argus neemt met het besluit van ’t vierde deel de vryheit, van zynen Lezer te bedanken voor de attentie, van vier jaren, met verzoek van zo wel te continueren als de Keizerinne van geheel Rusland, met het lezen van het vyfde deel, dat haar Majesteit ongetwyfelt zal doen, want ze heeft door haar Gezant, den Prinse Couraquin, Argus doen verzoeken, zyn weeklyks Papier te continueren, dat hy doen zal met kunst en yver, en te meer, om dat ik voel, niet van natuur te zyn gelyk de Slangen, want ik kan niet merken dat  de stemme des faam rovende Bezweerders de minste vat op my heeft; maar de Argus zal met duble naarstigheit voortaan werden uitgegeven by […] Wolffers […].

Zie hierboven over deze Russische kwestie.
De titelpagina van deel 2 kost een stuiver; deel 2 voor particulieren ingenaaid ƒ 3:15 (opgave Argus 12 juni 1720). Volgens Argus-opgave op 28 mei 1721 kosten de drie delen samen inclusief de titel van deel 3 compleet: ƒ 12:15; maar elk deel apart ƒ 4:5 (gebonden).

Medewerkers
De schrijver is Hermanus VAN DEN BURG (1682-1752), een broodauteur die vooral te Muiden, Haarlem en Amsterdam werkte. Hij dreef een kroeg op de Overtoom.

Inhoud
De allereerste aflevering heeft nauwelijks programmatische opmerkingen, behalve dat het voornemen wordt uitgesproken dat de Engelse, Duitse, Italiaanse politieke gebeurtenissen zullen worden aangeroerd; en dat men wordt verzocht niet te stelen uit het werk.
Feitelijk is de Argus een vrij jolige mercuur, halverwege een satirisch blad, gevuld met gulbuikig proza. Het accent lijkt geleidelijk aan te verschuiven van gewoon of politiek nieuws, naar nieuws over personen en ‘rare’ toestanden. Erotische thema’s krijgen veel aandacht (willekeurig: op de kermis zijn ganzeblaasjes en andere machientjes te koop, waarmee dames ervaring in generatieve spelletjes kunnen opdoen (deel 2, p. 122). Datzelfde geldt voor criminaliteit (hoe staat het met Cartouche?). Er is bijzondere aandacht voor allerlei soorten literatuur (bijvoorbeeld Poot, Le Clercq, Poeraet, Matthew Prior, het werk van Van den Burg zelf); gedichten ontbreken niet.

Relatie tot andere periodieken
Een eindeloos aantal contemporaine bladen wordt doorgenomen en becommentarieerd in de Argus. De Argus spreekt in zo’n geval in vrij algemene termen over deze of gene Leidse, Rotterdamse, Delftse, Haarlemse mercuur, postloper, courantier. De Examinator uit deze jaren wordt echter steeds met name genoemd, terwijl ook de producties van Jan van Gysen bijzondere aandacht krijgen.
Een bijzonder, doorlopend gevecht met de concurrent wordt gevoerd in de Rotterdamsche Hermes en Amsterdamsche Hermes, door Jacob Campo Weyerman, waar Hermes zelfs tot in de vignetten in het titelblok aan toe, optreedt als ‘killer’ van Argus (zie De Blauw 1985). De Engelse pers heeft de belangstelling van de Argus: zowel de bladen van Mist, als die van de door hem geadoreerde Steele en Addison.
Als opvolger kan men beschouwen: de Bataafsche Proteus (1724), eveneens geschreven door Van der Burg.

Exemplaar
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: Z 5460 (deel 1-4)
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 445 C 28 (deel 5: nrs. 1-11).
¶ Full text deel 1deel 2

Literatuur
¶ J. Urbaniak, ‘De “Bruidegom Balling” – de negatieve beeldvorming van de Engelse troonpretendent James Francis Stuart (1688-1766) in de Amsterdamsche Argus’, in: Werkwinkel 4 (1990), 1, p. 21-33
¶ J. de Vet, ‘Dichter begint hekelend tijdschrift. Het eerste jaar van de Amsterdamsche Argus (1718) van Hermanus van den Burg , in Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 37 (2014), p. 129-139
¶ E. Groenenboom-Draai, De Rotterdamse woelreus. De Rotterdamsche Hermes (1720-21) van Jacob Campo Weyerman: cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek (Amsterdam 1994), p. 79-95, 421-424
¶ H.M. de Blauw, ‘Hermes contra Argus: De relatie van Weyerman tot Hermanus van den Burg’, in: P. Altena en W. Hendrikx (red.), Het verlokkend ooft. Proeven over Jacob Campo Weyerman (Amsterdam 1985), p. 233-258
¶ H.M. de Blauw, ‘Bibliografie van het werk van Hermanus van den Burg gepubliceerd tussen 1700 en 1800’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw (1976-1977) 36 (juli 1977), p. 5-35.
¶ W.P.C. Knuttel, Verboden boeken in de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Beredeneerde catalogus (’s-Gravenhage 1914), p. 11 (nr. 38)
¶ A.J. Servaas van Rooijen, Verboden boeken, geschriften, couranten, enz. in de 18de eeuw. Eene bijdrage tot de geschiedenis der Haagsche censuur (Haarlem 1881), p. 49-51
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘Jacob Campo Weyerman als journalist’, in Nijhoff’s Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis, Nieuwe Reeks 7 (1869), p. 195 e.v.

André Hanou