Amsterdamsche Merkurius (1710-1722)

Titelbeschrijving

  1. Maand(a)agse Amsterdamsche Merkurius, verhaalende op een boertige wys, ’t voornaamste nieuws door heel Europa (ed. Van Egmont)
  2. Amsterdamse Mercurius, verhalende op een boertige wijs ’t voornaamste nieuws door heel Europa (ed. De Vries)
  3. (Weekelyke) Amsterdamsche Mercurius, verhaalende op een boertige wys, ’t voornaamste nieuws door heel Europa (ed. Wed. van Hulkenroy)
  4. Maandagse Amsterdamsche Merkurius, verhaalende op een boertige wys, ’t voornaamste nieuws door Europa (ed. Van Monnem)

Boven de titel staat altijd de naam van Jan van Gijsen.
De gebundelde jaargangen hebben als titel: Jan van Gysens Weekelyksche Amsterdamsche Merkuuren.

Periodiciteit
Het blad verscheen wekelijks, in principe op maandag: van 18 september 1710 t/m 28 januari 1722 (jrg. 10, nr. 23). Er waren langere en kortere perioden waarin het blad niet of onregelmatig verscheen, wat verklaart waarom de in totaal 9½ jaargangen ruim elf jaren in beslag namen. Er zijn 4 edities:

  1. Jacobus van Egmont, die alle jaargangen heeft gedrukt, waaronder nadrukken van de afleveringen van de editie Van Monnem.
  2. Pieter de Vries, die nadrukken maakte van jrg. 1 en 2.
  3. de Wed. van Hulkenroy, die jrg. 1 t/m jrg. 4, nr. 10 nadrukte.
  4. Hendrik van Monnem, de ‘officiële’ drukker van jrg. 7, nr. 33 t/m jrg. 8, nr. 6. Hij maakte nadrukken van jrg. 8, nrs. 7 t/m 52 van de editie Van Egmont.

Bibliografische beschrijving
Elke aflevering telt 4 pagina’s, in kwarto. De afleveringen zijn genummerd en met ingang van jaargang 2 doorgepagineerd per jaargang van 52 nrs.
De editie Van Egmont is gedateerd op dag-maand-jaar (jrg. 1-jrg. 6, nr. 9; jrg. 7, nrs. 6-24; jrg. 8, nr. 12-jrg. 10) dan wel alleen op jaar (alle tussenliggende periodes).
De edities van De Vries en Van Monnem zijn alleen gedateerd op jaar.
De Wed. van Hulkenroy-editie is in het geheel niet gedateerd.

Als het voorwerk aanwezig is, bevat het een of meer van de volgende onderdelen: een titelprent (met ingang van jrg. 2), een uitleg van de titelprent (door J.S.), een voorrede van Van Gijsen, drempeldichten.
Allerlei andere verschillen tussen de vier edities – bijv. spelling, aantal regels per pagina, opmaak – zijn hier buiten beschouwing gelaten.

Boekhistorische gegevens
De impressa van de 4 edities luiden als volgt (ook per drukker/uitgever kan de tekst enigszins variëren):

  1. ‘Tot Amsterdam, by Jacobus van Egmont, boekdrukker op de Reguliers Breestraat, in de Nieuwe Drukkery’, gevolgd door volledige datum c.q. alleen jaartal (jrg. 1-6, 7 en 8 gedeeltelijk, 9, 10).
  2. ‘Te Rotterdam, gedrukt by Pieter de Vries, boekdrukker in de korte Hoofdsteeg, by de Hoenderbrugge’, gevolgd door jaartal.
  3. ‘Tot Haerlem, gedrukt by de Wed. Hulkenroy, aen de Markt’.
  4. ‘Amsterdam, gedrukt by Hendrik van Monnem, in de Tuyn-straat, by de tweede Dwars-straat’, gevolgd door jaartal.

Alle gebundelde jaargangen hebben een titelpagina met Van Egmont in het impressum, ook als de afleveringen niet (allemaal) door hem gedrukt zijn. Alleen voor jrg. 1 is een eigen titelpagina van De Vries bekend (UvA/BC).

Jacobus van Egmont (1686-1725) was de ‘officiële’ drukker-uitgever van alle jaargangen, behalve van jrg. 7, nr. 33 t/m jrg. 8, nr. 6, toen Van Gijsen, na een ruzie met Van Egmont, zijn Merkurius bij Hendrik van Monnem (1681-1731) had ondergebracht. Vermoedelijk was jrg. 7, nr. 30 de eerste ‘officiële’ Van Monnem-aflevering, maar de vroegst overgeleverde is nr. 33. Van Egmont drukte de Van Monnem-afleveringen na.
In jrg. 8, nr. 6 beging Van Monnem de indiscretie om bekend te maken wat hij Van Gijsen betaalde. Gevolg: een ruzie en Van Gijsen keerde terug naar Van Egmont. Vervolgens was Van Monnem de nadrukker, nog tot en met nr. 52 van jrg. 8. Vanwege dit gedoe tussen auteur en beide drukkers vertonen de overgeleverde gebonden uitgaven van jrg. 7 en 8 verschillen wat betreft opgenomen Van Egmont- dan wel Van Monnem-afleveringen.
Zowel de editie Van Egmont als de editie Van Monnem heeft boven de titel het wapen van Van Gijsen, voorzien van de letters I V G (ook: J V G), en een staande Mercurius-figuur middenin de titel. Deze figuren zijn niet identiek. Van Egmonts Mercurius bijvoorbeeld heeft een vaantje met tekst (Sine mora = zonder uitstel) in de hand, terwijl het vaantje van Van Monnems Mercurius zwart is.
In de editie van Pieter de Vries (†1741) ontbreekt het wapen. Wel is er een vliegende Mercurius afgebeeld.
De editie van de Wed. van Hulkenroy heeft een vliegende Mercurius (een andere dan die van De Vries); Van Gijsens wapen is er vervangen door een roos, die met ingang van jrg. 3 verdwijnt.

Van Egmont gebruikte de Amsterdamsche Merkurius als vehikel voor advertenties voor zijn andere publicaties en een enkele keer voor andermans publicaties die hij in zijn winkel verkocht. In hun Merkurius-nadrukken schrapten De Vries, de Wed. van Hulkenroy en Van Monnem deze advertenties en vervingen deze soms door eigen advertenties.

Medewerkers
Auteur was Jan VAN GIJSEN (1668-1722). Van Gijsen, geboren in Haarlem, verhuisde in 1699 naar Amsterdam, waar hij vanaf dat jaar tot zijn dood in de Jordaan woonde. Van beroep was hij wever en dat was zijn broodwinning tot waarschijnlijk halverwege 1709. In 1706-1707 schreef hij echter al versjes voor de Antwerpsche Post-tydinge, toen in de wandeling beter bekend als de Antwerpse Courant. Van sommige reeksen versjes bestaan nog losse verzameluitgaven, gedrukt door Cornelis van Hoogenhuyzen in de Egelantiersstraat. Deze was van 1706 tot zomer 1710 Van Gijsens reguliere drukker-uitgever. Van Hoogenhuyzen drukte ook zijn eerste Harlequin, met de rarekiek (1709) en waarschijnlijk eveneens zijn in 1710 geschreven reeks van Harlequins. Vermoedelijk werd Van Gijsen voor zowel de Courant-versjes als de Harlequins betaald.
In 1710 schreef Van Gijsen nog een reeks versjes voor de Antwerpse Courant, maar in september van dat jaar stopte hij definitief bij de Courant en begon bij Van Egmont met de Amsterdamsche Merkurius. Vanaf 1710 profileerde Van Gijsen zich uitdrukkelijk als ‘broodpoëet’. Hij schreef gelegenheidsgedichten op bestelling, stelde liedjesbundels samen, schreef afzonderlijke pamfletachtige gedichten over de actualiteit en nog diverse Harlequins. Op 28 januari 1722 verscheen nr. 23 van de tiende Merkurius-jaargang. De volgende dag overleed Jan van Gijsen. Op 3 februari 1722 werd hij begraven op het Karthuizer Kerkhof.

Inhoud
De Amsterdamsche Merkurius is een geheel berijmd nieuwsblad over de toestand in de wereld. Dat nieuws haalde Van Gijsen uit de kranten. Tot de Vrede van Utrecht (1713) gaat het vooral over gebeurtenissen en personen in de Spaanse Successieoorlog. Daarna vult hij het volgens hem schaarse interessante internationale nieuws aan met ‘loopjes’, allerlei nieuwtjes en verhalen uit binnen- en buitenland.
In de loop van jrg. 8 worden zo een soort themanummers gecreëerd en uiteindelijk vervangt het onderwerp van zo’n thema de algemene ondertitel van het blad, al gaat die meestal over één van behandelde onderwerpen. We vinden dan ondertitels als ‘verhaalende de lykklagt van de baron Gortz, die den 2 maart binnen Stokholm met een byl is onthoofd’ of ‘verhaalende de Zutphense kindermakery’. Tussen alles door houdt Van Gijsen de lezer op de hoogte van gebeurtenissen in zijn privéleven.
De toon is boertig eerder dan satirisch. Zo nu en dan schiet hij uit zijn slof en geeft lucht aan zijn boosheid over (meestal) deze of gene schrijver van een tegen hem, Van Gijsen, gericht pamflet. Van dergelijke pamfletten zijn er heel wat verschenen. Ook de ruzies met Van Egmont, Van Monnem en Jacobus Rosseau heeft hij redelijk uitvoerig beschreven.

Relatie tot andere periodieken
In nr. 2 (3 september 1711) van de Haagse Mercurius, editie Fredrik Duim, staat een gedicht ‘Aan Jan van Gyzen’, waarin Duim suggereert dat Van Gijsen overwoog zijn mercuur op te geven nu die van hem, Duim, er was: ‘Hoe! zouwd ge om myn Merkuur, nu de uwe laaten smooren?’. Dat lijkt hem onnodig:

laat Jok, en Ernst, elkandren bien de hand;
Vermaak gy met uw Boert, en laat ik het Verstand
Opscherpen, door myn Ernst.

In zijn antwoord, ‘Toegift aan den Schryver der Haagsche Mercurius’, weerspreekt Van Gijsen de suggestie: ‘ik heb ’t Mercuren maken/ om uwentwil mijn Vriend noch nooyt gedacht te staken’ (Amsterdamsche Merkurius, deel 1, nr. 52). Mogelijk was dit in werkelijkheid een soort publiciteitsstuntje ten behoeve van Duim.

Begin 1718 – terwijl Van Gijsen nog met jrg. 7 bezig was – begon Van Egmont met de uitgave van de Nieuwe Amsterdamsche Postryder, een weekblad van Jacobus Rosseau (1694-1738). Het lijkt erop dat Van Egmont een schrijver én een blad achter de hand wilde hebben, omdat Van Gijsens Merkurius al lange tijd aan ernstige vertragingen onderhevig was. Jrg. 7, pas in mei 1717 (in plaats van september 1716) van start gegaan, was in januari 1718 pas bij nr. 29. Van Egmont had er waarschijnlijk weinig fiducie in dat het nog goed zou komen. Van Gijsen dacht daar anders over, met de ruzie tussen hem en Van Egmont en zijn overstap naar Van Monnem tot gevolg. Ook Rosseau mengde zich in de ruzie. Toen Van Gijsen in nr. 30 van jrg. 7 (januari 1718) zich in een even fraai als boos gedicht beklaagde over ‘mijn drukker, die is kwaad’, reageerde Rosseau met een Antwoord van de Post-ryder, op Jan van Gyzens 30ste Merkurius. Hij probeert een verzoenende toon aan te slaan, maar, besluit hij, als Van Gijsen geen vrede wil sluiten dan is er maar één conclusie: ‘mijn Ryder en Merkuur zijn beide kwaad’.

In de periode dat Van Monnem de Amsterdamsche Merkurius drukte, werd die nagedrukt door Van Egmont. Toen Van Gijsen zich daarover beklaagde, werd hem verweten dat hij nooit een kik had gegeven over de nadrukken van De Vries en de Wed. van Hulkenroy. Van Gijsens verweer:

Dat ik […] niet tegengesproken heb het nadrukken van mijn Merkuren bij Pieter de Vries tot Rotterdam en door juffrouw de weduwe Hullekenrooy tot Haarlem, dat’s geen wonder, want haar Groot Achtbaarheden Regeerders der beide respectieve steden beliefden ’t om vrijheid aan de voornoemde twee personen te verlenen mijn Merkuur alleen te mogen drukken. En ik, schoon burger van Amsterdam zijnde, zal mij wel wachten om zulke Ulustre [Illustre] Regeringen te offenseren (jrg. 7, nr. 37).

Koud een week na Van Gijsens dood kwam Van Egmont met een opvolger van diens blad, De Nieuwe Vrijdaagse Amsterdamsche Merkurius. Ook De Nieuwe Amsterdamse Gyselingse Mercurius, verschenen in (vermoedelijk) 1723 bij de weduwe van Harder van Ditmer in de Laurierstraat, lijkt bedoeld te zijn als opvolger.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, Bijzondere Collecties: O 62-3725, O 87-8 (jrg. 1, De Vries; jrg. 2-4, 9, Van Egmont; jrg. 7-8, Van Egmont, Van Monnem)
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: KW 556 J 3-4 (jrg. 1, 3-6, 9-10 Van Egmont; jrg. 2, De Vries; jrg. 7-8, Van Egmont, Van Monnem)
¶ Amsterdam, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis: KNAW AB F 54 a (jrg. 1-4, nr. 10, Wed. van Hulkenroy; jrg. 4, nr. 11-jrg. 6, Van Egmont; jrg. 7-8, Van Egmont, Van Monnem).

Bronnen
¶ [Jacobus Rosseau], Antwoord van de Post-ryder, op Jan van Gyzens 30ste MerkuriusMeegebonden in Van Gijsen, Amsterdamsche Merkurius, jrg. 7, tussen nrs. 30/31 (ex. Koninklijke Bibliotheek: 556 J 4)

Literatuur
¶ Anna de Haas, Jan van Gijsen (1668-1722), een journalistieke broodpoëet in de Jordaan (Amsterdam 2023)
¶ Rob Beentjes, ‘… En de man hiet Jan van Gyzen. Een verslag van twaalf jaar lief en leed in Jan van Gysens Weekelyksche Amsterdamsche Merkuuren (1710-1722)’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 17 (1994), p. 1-17
¶ Corn. J. Gimpel, ‘Jan van Gijsen, de Amsterdamsche volkspoëet’, in: Jaarboek Amstelodamum 17 (1919), p. 81-113
¶ Anna de Haas, ‘Mercuriseren is sappelen. De Amsterdamsche Merkurius (1710-1722) van Jan van Gijsen’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 37 (2014), p. 121-128
¶ Jeroen Salman, ‘Grub Street in Amsterdam? Jacobus (I) van Egmont, the Devil’s Corner and the literary underground in the eighteenth century’, in: Quaerendo 42 (2012) nr. 2. p. 134-157
¶ R. Zuidema, ‘Nog iets over Jan van Gijsen’, in: Jaarboek Amstelodamum 25 (1928), p. 191-194.

Anna de Haas
update 30-9-2023