Bataafsch Musaeum (1771)

Titelbeschrijving
Bataafsch Musaeum. Inhoudende drie-en-twintig Vertoogen.

Periodiciteit
De 23 gedagtekende afleveringen verschenen van 1 januari t/m 3 juni 1771. Het overlijden van de uitgever heeft de schrijvers van het maandags weekblad doen besluiten hun werkzaamheden te beëindigen (p. 363).

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen nominaal 16 doorgenummerde pagina’s in octavo; nr. 23 heeft slechts 12 pagina’s. Het titelblok bevat steeds de verkorte titel, het volgnummer en de datum. De gebundelde versie biedt als extra’s de titelpagina en de inhoudsopgave.

Boekhistorische gegevens
Het blad is uitgegeven door Kornelis van Tongerlo, boekverkoper in de Kalverstraat in Amsterdam. Zijn naam staat als eerste vermeld in het colofon, aan het einde van een aantal afleveringen: 

te Amsteldam in de Boekwinkel van Kornelis van Tongerlo in de Kalverstraat; als mede te Dordrecht by A. Blussé en Zoon, Haarlem by Jan Bosch, Delft by E. van der Smout, ’s Hage by J. Thierry en H.C. Gutteling, Leiden by P. van der Eyk en D. Vygh, Rotterdam by R. Arrenberg, Middelburg by C. Bohemer, Utrecht by G. van der Veer, Leeuwaarden H.A. de Chalmot, Franeker J. Ippinga, Harlingen F. van der Plaats, Groningen H. Crebas, enz.

Na het overlijden van Tongerlo adverteert de weduwe K. van Tongerlo in de Leydse Courant van 15 april 1771 dat zij het ‘Periodicq Werk’ continueert. Na een kleine twee maanden houden de schrijvers van het Bataafsch Musaeum het echter voor gezien. Zij noemen het overlijden van Tongerlo als reden om ‘met deezen Nommer ons werk te eindigen’.
Blijkens het impressum van de gebundelde afleveringen is het kopijrecht overgenomen door Gerrit Warnars, die als boekverkoper eveneens gevestigd was in de Kalverstraat. Hij bood in de Oprechte Haerlemsche Courant van 21 september 1771 de 23 verschenen afleveringen in een gebundelde uitgave aan voor ƒ 1:10.

Medewerkers
Door het afwisselend gebruik van ‘ik’ en ‘wij’ is niet duidelijk hoeveel schrijvers er bij het blad betrokken waren. In nr. 1 wordt belangstellenden uitgenodigd bijdragen ter publicatie toe te sturen. Het moet wel van kwaliteit zijn, voor geschimp is geen plaats en op de man spelen is uit den boze.

Inhoud
In een advertentie in de Oprechte Haerlemsche Courant van 12 oktober 1771 noemt uitgever Warnars het blad ‘een Spectatoriaal Mengelwerk, bevattende verscheiden aangenaame Historische en Zedekundige Vertogen, Oostersche en andere Geschiedenissen, Leerzaame Fabulen’. 
Warnars heeft aan de titel een devies toegevoegd dat ontleend is aan Horatius: ‘Virtus est vitium fugere, et sapientia prima / Stultitia caruisse’ (vert. Het mijden van zonde is het begin van de deugd, en het begin van wijsheid is van dwaasheid te zijn verlost). Dit komt overeen met wat de schrijvers in het openingsnummer als doel van het blad bestempelen: ‘om zynen naasten van den doolweg af te helpen of bestendig het pad der deugd te doen betreeden’ (p. 8). 
Iedere aflevering zal beginnen met een ‘ernstig of boertig vertoog’ waarin gebreken aan de kaak worden gesteld en deugden geprezen. De overige bijdragen hebben soms ook betrekking op de zedekunde, vervolgen de schrijvers, maar dat hoeft niet: ‘Mogelyk lasschen wy ook hier of daar eene aanmerking over de Nederduitsche Digtkunde, Toneelpoëzy en fraaje letteren in’.
Voor het ‘Musaeum’ in de titel is gekozen omdat ‘het tot meer dan éénen tak van weetenschap betrekkelyk’ is. Het ‘Bataafsch’ is daaraan toegevoegd om uit te drukken dat ‘het voor onze vaderlanders door inboorlingen’ geschreven is. Die zijn immers beter dan wie dan ook op de hoogte van de zeden en gewoonten van onze landgenoten (p. 11). 
Er is sprake van een variëteit aan literaire vormen. Vertogen worden afgewisseld door brieven, fabels, oosterse verhalen, een allegorie en een dichtstuk. Er staan ook vertalingen in, zoals het vertoog direct na de lange inleiding van nr. 1, ‘Over den staat des huwelyks onder de oude Noordsche volken’. Het huwelijk komt ook in nr. 15 ter sprake, waar de vraag wordt beantwoord hoe men de juiste huwelijkspartner kan kiezen. In gelukkige huwelijken, zo betoogt de schrijver, slaan de partners zeer nauwkeurig acht op elkaars ‘gemoedsneigingen’ (p. 232). Naar aanleiding hiervan merkt Sturkenboom (2001) op dat het Bataafsch Musaeum als een van de eerste spectators inspeelt op een nieuwe trend: de toenemende belangstelling en openheid voor het gevoel als leidraad bij belangrijke momenten in het leven.
Andere onderwerpen zijn: wispelturigheid, vooroordelen, spotten, medelijden, eerzucht, koketterie, vleierij, gierigheid, hovaardij, islam, kaartspelen, geluk en opvoeding. Interessant is het slotvertoog ‘Over de voorregten welke Periodieke werken boven andere hebben’.
De recensent van de Hedendaagsche Vaderlandsche Letteroefeningen (1772) is zuinig in zijn oordeel: het Bataafsch Musaeum is ‘op ene gevallige wyze, leerzaem uitgevoerd’ (p. 41).

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 542 H 29
Full text

Literatuur
¶ Dorothée Sturkenboom, Een verdeelde Verlichting. Stemmen uit de spectators (Amsterdam 2001), p. 145.

Rietje van Vliet