Berlynsche Wysgeer (1753-1755)

Titelbeschrijving
De Berlynsche Wysgeer. Of Vorstelyke Beschouwer. Behelzende, eene Verzameling van de uitmuntenste Stukken, der Berlynsche en andere Uitheemsche Geleerden, over de Aanmerkelykste en Gewigtigste Onderwerpen; in een nieuw en bevallig Licht, op eene welsprekende wyze, voorgesteld, en verdeeld in XXXX. Vertoogen. Onder de Zinspreuk Omnia Praeclara Rara.

Periodiciteit
Het tijdschrift verscheen van 1753 tot en met 1755. Per jaar verschenen vier ‘stukken’ (afleveringen); die werden samengevoegd tot 3 jaardelen. De afleveringen bevatten meerdere vertogen.

Bibliografische beschrijving
De Berlynsche Wysgeer is gedrukt in groot octavo en telt in totaal 12 afleveringen van ieder ongeveer 140 pagina’s. De afleveringen beginnen met een verkorte titel en een typografisch sierrandje; achteraan is een inhoudsopgave toegevoegd.
De vier afleveringen die per jaar verschenen, werden in een boekdeel samengebonden en voorzien van een losse titelpagina. Het motto op deze titelpagina, ‘Omnia Praeclara Rara’, is afkomstig uit Cicero, De senectute, 64; of uit Cicero, De amicitia, 79.
Aan deel 1 werden twee voorredes toegevoegd en aan deel 2 één voorrede. Deel 3 heeft geen voorrede. Per deel zijn de pagina’s doorlopend genummerd.
In totaal omvat het tijdschrift 120 vertogen van wisselende lengte (zo’n 4 tot 25 pagina’s) Vrijwel ieder vertoog begint met een Latijns citaat van klassieke auteurs als Ovidius, Seneca, Horatius en vele anderen.

Boekhistorische gegevens
Het tijdschrift is blijkens de titelpagina uitgegeven ‘Te Leiden, By Abraham Kallewier’. Aan het einde van nr. 4 staat een mededeling voor de boekhandelaren, waaruit blijkt dat het gedrukt is door Hendrik van Damme uit Leiden.
Blijkens een mededeling aan het einde van deel 2, nr. 1, bedroeg de prijs per aflevering 11 stuivers. Dit wordt bevestigd door de advertenties in de Leydse Courant van onder meer 19 maart en 30 april 1753. Per deel bedroeg de prijs ƒ 2:4 (Leydse Courant 24 augustus 1753). De complete set kostte ƒ 6:12 (Leydse Courant 16 april 1760).
De oplage is niet bekend. Waarschijnlijk was deze niet al te hoog. In de ‘Algemeene voorreden der uitgeevers’ die aan deel 1 voorafgaat, wordt gemeld dat de drukker verzocht is om van het werk ‘niet veel meerder Exemplaren daar op aan te leggen, dan zig nu vaste Liefhebbers daar toe opdoen’. Op 30 maart 1757 adverteert Kallewier in de Leydse Courant dat hij van de complete reeks van drie delen nog slechts 13 exemplaren heeft.

Medewerkers
De voorrede bij de eerste druk meldt als auteurs van de vertogen:

FREDRIK, Koning van Pruisse; de Koning STANISLAUS van Polen, Hertog van Lottheringe; de Marquis van Rosen, de heeren MAUPERTUIS, FORMEY, VOLTAIRE, BEAUMELLE, POPE, ROUSSEAU, NOBLE, GAUTIER, MARIN, en veele anderen […].

Deze opsomming van het puikje van de internationale gematigde Verlichting is kennelijk vooral opgenomen om kopers te trekken. In werkelijkheid blijkt het grootste deel van de vertogen geschreven te zijn door de veelschrijver Jean-Henri-Samuel FORMEY (1711-1797). Van de in totaal 120 vertogen kunnen er 55 met zekerheid aan Formey worden toegeschreven.
Van nog eens 16 vertogen is het zeer waarschijnlijk dat deze Berlijnse geleerde de auteur was. Daarmee is meer dan de helft van de vertogen van Formey afkomstig. Hij was afkomstig uit een in Berlijn wonende Hugenotenfamilie en wist het te brengen tot secretaris voor het leven van de Koninklijke Academie van Wetenschappen in Berlijn. De vertogen die ondertekend zijn met de letter F, zijn altijd door hem geschreven.
Andere auteurs die met zekerheid geïdentificeerd kunnen worden, zijn de Engelse dichter Alexander POPE (1688-1744) (deel 1, 20ste en 27ste vertoog), de president van de Berlijnse Academie Pierre Louis Moreau de MAUPERTUIS (1698-1759) (deel 1, 29ste vertoog), VOLTAIRE (1694-1778) (deel 1, 29ste vertoog), Melchior BOLSTRA (1704-1779) van wie een naar de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem opgestuurde prijsvraagverhandeling is opgenomen (deel 1, 30ste vertoog), Stanislaw I LESZCYNSKI, koning van Polen (1677-1766) (deel 1, 32ste vertoog), Jean Jacques ROUSSEAU (1712-1778) en GAUTIER (deel 1, 37e vertoog), Girolamo BELLONI (1677-1760) en FREDERIK II VAN PRUISSEN (1712-1786) (deel 2, 5e vertoog) en Johann Georg SULZER (1720-1779) (deel 2, 16e, 17e, 22ste en 23ste vertoog).

Inhoud
Het blad bestaat vooral uit zedenkundige verhandelingen. De vertogen zijn kenmerkend voor de internationale, gematigde en protestantse Verlichting. Als doel zien de redacteurs, blijkens de voorrede bij deel 1, vooral de bevordering van de deugd en het geluk van hun lezers. Deze voorrede is gericht aan ‘Beminnaars der Wysheid!’
De Berlynsche Wysgeer gaat vooral in op maatschappelijke, menskundige en theologische vraagstukken. Zo zijn er vertogen over de menselijke hartstochten, de geaardheid der mensen, de onsterfelijkheid der ziel, de wisselvalligheid van het leven, deugd, huwelijksliefde en geluk. Af en toe is ook poëzie opgenomen, zoals vier vertaalde gedichten van Alexander Pope over de seizoenen.
Verder is er ook aandacht voor ruzies onder geleerden. Zo komt de affaire tussen Samuel König en Pierre-Louis Moreau de Maupertuis in verschillende vertogen aan de orde (deel 1, 18e, 23e, 29e vertoog en deel 2, 6e, 8e en 9e vertoog): König had Maupertuis van plagiaat beschuldigd, hetgeen uitmondde in een van de grootste rellen in de Republiek der Letteren.
Ook de ruzie rond het Discours sur les arts et les sciences (1750) van Rousseau komt ter sprake (deel 1, 37ste vertoog). Hier gaat het vooral om de vraag of kunsten en wetenschappen nu wel of niet een corrumperende invloed op de maatschappij hebben.
Een klein relletje ontstaat na verschijning van nr. 1, wanneer (blijkens een ‘Kort Berigt’ dat aan nr. 2 is toegevoegd) Elie Luzac als uitgever van Le Philosophe Chrétienne in de kranten meldt dat veel stukken in De Berlynsche Wysgeer van Formey afkomstig zijn. De uitgevers van De Berlynsche Wysgeer geven dat ook toe; ze zeggen van plan te zijn in de volgende afleveringen nog meer van Formey op te nemen.
Van het tijdschrift zijn zeven recensies bekend in het tijdschrift De Boekzaal; deze besprekingen betreffen zowel de eerste als de tweede druk (Boekzaal 1753, deel 2, p. 54-67; 1755, deel 2, p. 35-42; 1756, deel 1, p. 427-433; 1761, deel 2, p. 653-666; 1762, deel 2, p. 298-313; 1763, deel 2, p. 18-33, 1764, deel 1, p. 411-421). De recensent toont zich erg ingenomen met dit werk en prijst vooral de bevallige manier waarop ‘Godsvrugt en Deugd’ in dit blad worden voorgesteld.

Relatie tot andere periodieken
Van het tijdschrift verscheen in 1760 een vierdelige herdruk: ‘Te Amsteldam, By Fredrik de Kruyff, op de Fluweele Burgwal, by de Armsteeg. En By Albert van den Kroe, in de Korte Gasthuis Molensteeg’. Deze uitgave heeft een titelprent van W. Writs (del.) en J. Folkema (sculp.). Ieder deel begint met een inhoudsopgave. Blijkens de advertentie in de Leydse Courant van 16 april 1760 was deze herdruk à ƒ 4:15 aanzienlijk goedkoper dan de oorspronkelijke uitgave.
Veel van de vertogen die ondertekend zijn met de letter F., blijken oorspronkelijk verschenen te zijn in de eerste twee delen van het door Formey uitgegeven en volgeschreven tijdschrift Le Philosophe Chrétienne (1752-1757). Blijkens het ‘Kort bericht’ van de uitgevers in nr. 2 hebben zij voor hun Nederlandse vertaling gebruik gemaakt van een Duitstalige versie van deze vertogen.

Exemplaar
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: otm O 90-33-35
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 1138 D 39-42 (2e druk)
¶ Full text deel 1, deel 2 en deel 3

Literatuur
¶ Joris van Eijnatten, ‘The huguenot clerisy in the United Provinces: Aspects of huguenot influence on Dutch intellectual life after the Revocation’, in: S. Pott, M. Mulsow en L. Danneberg (eds.), The Berlin refuge 1680-1780. Learning and science in European context (Leiden 2003), p. 207-233, 232
¶ Rietje van Vliet, Elie Luzac (1721-1796). Boekverkoper van de Verlichting (Nijmegen 2005).

Peter Buijs