Beschouwende Wijsgeer (1800)

Titelbeschrijving
De Beschouwende Wijsgeer.

Periodiciteit
Van dit woensdags weekblad zijn van 21 mei tot en met 25 juni 1800 niet meer dan zes afleveringen verschenen. Op de laatste bladzijde van nr. 6 zegt de auteur afscheid te nemen van zijn lezers, omdat hij niet de invloed kan hebben (het bestrijden van volks-vooroordelen) die hij zich had voorgesteld.

Bibliografische beschrijving
Uitgave in octavo. Elke aflevering telt acht bladzijden. Het geheel is gepagineerd 1-48. Het titelblok bevat titel, nummer- en datumaanduiding.

Boekhistorische gegevens
Colofon nr. 1:

Dit Weekblad zal alle Woensdagen met een No. vervolgd worden, à een en een halve Stuiver, en te bekomen zijn te Amsterdam bij G. Roos; te Alkmaar, bij Hand; Hoorn, Brebaart; Zaandam, van Aken en Ram; Leiden, Herding en Pont; Delft, de Groot; den Haag, Thirrij en Leeuwenstein; Schiedam, Swetsen; Rotterdam, D. Vis; Cornel; Bothal, Holstein; Hofhout en Erve Ball; den Briele, Boers en Merkenburg; Dord, Blussé, de Haas en Bonte; Utrecht ter Veen, en Emmenes, Deventer, Brouwer, Zwol, de Vri en Tijll; Leeuwarden, Cahais en van Slich; Groningen, Doekeman, Oomkens en Zuidema; en verder de meeste Boekverkopers in de Bataafsche Republiek.

Het eerste nummer was gratis in de meeste boekwinkels binnen de Republiek verkrijgbaar (Oeconomische Courant 21 mei 1800).

Inhoud
Op 21 mei 1800 beschrijft uitgever Roos in de Oeconomische Courant zijn voornemens met betrekking tot het blad als volgt:

Dit Weekblad zal voor dat gedeelte onzer Natie belangryk worden, welke, afkeerig van alle Partyschappen, of Personaliteiten in een haatlyk daglicht geplaatst te zien, alleen leezen tot uitspanning of om nuttige kundigheden te verkrygen, ten dien einde zal de Schryver als Wysgeer de gebeurtenissen, en aandoeningen van het menschlyk hart opmerkzaam gadeslaan en tot het algemeen geluk trachten medetewerken.

In zijn inleidende beschouwing zegt de schrijver als wijsgeer de ‘invloed op het geluk van het geheele menschdom, als ook, op dat van bijzondere persoonen, [te] overweegen’. Dat gebeurt mede door geschiedkundige en zedekundige onderwerpen te behandelen. Ter verlevendiging van dit alles zal hij ‘letterkundige dichtbloemen’ geven.
In de daarop volgende teksten komen aan de orde: de hoop; wijsbegeerte en bijzondere wijsgeren; iets over Egypte; enige aanmerkingen over Voltaire en Rousseau; enige aanmerkingen over de zeden der oude volken; iets over letterkunde en de ‘ressencies’ [sic].
Dit spectator-achtige tijdschrift bereikt geen grote hoogten.

Exemplaar
Utrecht, Universiteitsbibliotheek: Br. 182-2.

André Hanou