Bibliotheek van Oude Letterkunde (1802-1826)

Titelbeschrijving
Bibliotheek van Oude Letterkunde.
Toevoeging bij deel 2: Uitgegeven door Mr. Jan ten Brink, Hoogleeraar te Groningen.

Periodiciteit
Onregelmatig verschenen blad. De eerste aflevering (‘stuk’) wordt gemeld in Saakes’ Naamlijst van juli 1802 (p. 340). Dit correspondeert met het verslag door redacteur Jan ten Brink over begin en voortgang van het tijdschrift. Daar wordt echter niet duidelijk wanneer precies de verschijningsdatum is geweest van alle afleveringen afzonderlijk, in de eerste twee decennia van de eeuw.

Bibliografische beschrijving
Het eerste deel in octavo bevat IV (titelpagina en Bladwijzer eerste deel) + XXII (Voorrede) + 630 pagina’s.
Het tweede deel bevat II (titelpagina) + XII (Bladwijzer tweede deel; Voorberigt; en Inhoud van het eerste nummer van dit deel) + 630 pagina’s.

Boekhistorische gegevens
De titelpagina van het eerste deel meldt: ‘Te Amsterdam, bij Jan ten Brink, Gz. 1808.’ Op de titelpagina van het tweede deel staat: ‘Amsterdam, bij Ten Brink & De Vries, 1826’.
Saakes noemt in juli 1802 de prijs van nr. 1: ƒ 1:4 (p. 340).

Medewerkers
In het eerste deel zijn de bijdragen vaak anoniem (behalve bijdragen van Jeronimo DE VRIES, Jan TEN BRINK, en mr. G. DORN SEIFFEN). De zaak wordt opgehelderd door de redacteur Jan ten Brink, die in het voorbericht bij de eerste aflevering van deel 2 (gedateerd Groningen, augustus 1824) de voorgeschiedenis van het blad beschrijft: te Harderwijk had hij met H. BOSSCHA en J.M. KEMPER het plan voor het tijdschrift opgevat. Zij brachten (p. V) het echter niet verder dan ‘een Deel of vier Nommers, waarvan het laatste eerst in 1808. is uitgekomen’, ondanks hulp van de zijde van D.J. VAN LENNEP, Jeronimo de Vries, G. Dorn Seiffen.
Ten Brink geeft hier verder op welke bijdragen precies afkomstig zijn van Van Lennep, Kemper, Bosscha en hemzelf.
Na het overlijden van Kemper en Bosscha is Ten Brink als redacteur overgebleven (p. VI).
Blijkbaar is deel 1 dus opgebouwd uit vier (niet als zodanig herkenbare) afleveringen.
Deel 2 bevat overigens bijdragen van R. VAN OMMEREN, W.J. ZILLESEN, J. ten Brink, Mr. WICHER VAN SWINDEREN, M. SIEGENBEEK, R.H. EYSSONIUS WICHERS, W.E., H. REIGER, P. HOFSTEDE DE GROOT, en de ‘auteur van de Staatkundige Verlichting der Nederlanderen’ (dus S.I. WISELIUS).

Inhoud
Het blad is geheel gewijd aan de Griekse en Latijnse schrijvers uit de Oudheid. Doorgaans gaat het om de publicatie van hun teksten, in soms nieuwe vertalingen, altijd met toegevoegd commentaar. Er zijn echter ook ‘gewone’ artikelen over de Oudheid opgenomen, zoals een ‘Verhandeling over de echtscheiding bij de Romeinen, beschouwd als eene hoofdbron van het bederf hunner zeden’.
Opmerkelijk is de apologie in de Voorrede van deel 1, waarin wordt betoogd dat het, nu wij Vondel en Hooft beschouwen als exponenten van de Bataafse letterkunde, tijd wordt weer aandacht te geven aan de Ouden; voorheen beschouwde men die met te grote eerbied, maar nu is de studie daarvan behoorlijk ten achter geraakt.

Exemplaar
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: 1738 C 11-12.
¶ Full text deel 1-1, deel 2-1, deel 2-2.

André Hanou