Bijbel-Vriend (1773-1782)

Titelbeschrijving
De Bijbel-Vriend, Een Theologisch Week-Schrift; Behelzende: Verklaaringen en Ophelderingen der duisterste en zwaarste Schriftuur-plaatsen. In ’t Hoogduitsch beschreeven door Gab. Ch. Ben. Mosche […] En in ’t Nederduitsch vertaald door Ant. Fredr. Klenke, Hoog- en Nederduitsch Schoolhouder te Amsterdam.
Vanaf deel 5 (1779) wordt alleen de ingekorte titel vermeld, zonder vermelding van de vertaler.

Periodiciteit
In het begin verscheen dit weekblad elke maandag, blijkens de colofon in het eerste nummer: ‘Deeze Vertogen worden alle Maandagen uitgegeeven te Amsterdam, by A. Eichhorn […] en anderen, als mede in de Buiten-Steden by de meeste Boekverkoopers’.
Vanaf deel 4 lijkt echter de wekelijkse periodiciteit, en misschien de periodiciteit zelf, met een vaste omvang, opgegeven te zijn. De afgedrukte stukken, die ook niet langer vertogen heten, zijn langer en volgen elkaar midden op een pagina op, zonder een nieuwe ‘eigen’ pagina te krijgen. Dit kan echter ook door iets anders veroorzaakt zijn. Lijkt de vertaler namelijk in de eerste delen telkens het Duitse origineel in tijd regelmatig te kunnen volgen, hetzij op basis van de uitkomende losse nummers hetzij op basis van de verzameldelen (zo meldt hij in deel 2, p. 65, dat hij het uitgekomen Duitse deel 3 ontvangen heeft), in deel 4, in vertoog 77, meldt hij op basis van het 184e vertoog (6 augustus 1773) van Mosche dat deze zegt dat er binnen diens deel 4 oponthoud zal komen omdat hij van standplaats is veranderd. Ook later schijnt er nog meer oponthoud gekomen te zijn in de Duitse opgave.
Dit alles vergt preciezer onderzoek naar het wel en wee van de geschiedenis van de Duitse tekst. Vooralsnog is die geschiedenis oncontroleerbaar, omdat er van de Duitse ‘Vorlage’, Der Bibelfreund, geen exemplaar in Nederland aanwezig lijkt. Deze tekst is op dit moment evenmin digitaal beschikbaar.

Bibliografische beschrijving
De gehele uitgave is in octavo.
Deel 1 (1773) bevat een voorkatern van VIII pagina’s, gevolgd door 52 vertogen die 428 pagina’s bestrijken. Het voorkatern omvat titelpagina (p. I), een ‘Voorbericht van den vertaaler’ (p. II-V), gedateerd Amsterdam 20 april 1773 en getekend A.F. Klenke, een lofbetuiging op de uitgekomen vertogen door de Hagenaar C.P.S. en een melding van een dankbetuiging door J.W. (p. VI), en een Voorrede verwijzend naar schikking en doel van het werk in het eerste vertoog (p. VII). In deze Voorrede (gedagtekend Arnstadt 30 december 1770) memoreert Mosche dat zijn vertogen in dit deel gunstiger ontvangen zijn dan hij verwachtte.
De eigenlijke tekst geeft de vertogen (elk 8 pagina’s omvattend) p. 1-416, een ‘Eerste register of aanwyzing der [behandelde] Schriftuur-Plaatsen’ p. 417-418, en een ‘Tweede register of aanwyzing der Merkwaardigste Zaken in dit eerste Deel vervat’ p. 419-428.
Deel 2 (1774) bevat een voorkatern van XVIII bladzijden, gevolgd door 424 bladzijden met vertoog 53-104 en twee registers (vergelijk deel 1). Het voorkatern bevat naast de titelpagina een voorrede van Mosche (gedateerd 29 december 1771) én, tamelijk uitzonderlijk bij een periodiek, een ‘Naamlyst der inteekenaren’ waarin 224 personen en boekhandelaren (die soms een abonnement hebben op méér exemplaren) te vinden zijn. Onder hen: Joh. Hamelau en J.C. Mohr. Er lijkt hier een sterk luthers element aanwezig.
Deel 3 (1775) bevat een voorkatern van XVI bladzijden en de gewone tekst (vertoog 105-156 en twee registers) van 426 bladzijden. Het voorkatern bevat een voorrede van Mosche, gedagtekend Arnstadt 28 december 1772.
Deel 4 (1779) bevat een voorkatern (LXVIII pagina’s) en de tekst van vertoog 157-206 (p. 1-446); daarna volgt een fondslijst van uitgever Van Otterlo (II pagina’s). Het voorkatern bevat in dit geval, naast de titelpagina, een ‘Aanwyzing der Schriftuur-plaatzen’, en een lange voorrede van Mosche (gedagtekend Frankfort aan de Main, 5 april 1774), waarin hij zich verontschuldigt voor de vertragingen waaraan het blad lijdt.
Deel 5 (1782) heeft een voorkatern (XXII pagina’s) en gewone tekst (p. 1-372). In dit laatste segment vindt men geen begrip als ‘vertogen’ meer, maar slechts koppen als ‘Genesis I. vs. 1-5’, waarna teksten van wisselende lengte volgen. De verschillende teksten beginnen niet op een nieuwe pagina. Dit deel kan daarom nauwelijks nog beschouwd worden als verzameldeel van tijdschriftafleveringen. Bij deze tekst behoren wel weer twee registers en een fondslijst van Van Otterlo. Opvallend: dit deel heeft een ingekorte titelpagina, waarop Klenke niet langer verschijnt als vertaler. In de voorrede is opnieuw sprake van vertragingen.
Deel 6 (1782) heeft een voorkatern (VI pagina’s) en gewone tekst. In het laatste segment begint elk stuk nu doorgaans wel op een nieuwe pagina, maar de stukken zijn soms langer dan acht bladzijden. In het voorkatern bevindt zich een titelpagina van de aard als deel 5, twee registers, een fondslijst van Van Otterlo, een voorrede waarin vooral ingegaan wordt op twijfels over de opstandingsgeschiedenis zoals door Lessing geformuleerd, en op teksten rond de opstanding.

De titelpagina’s hebben een titelvignet. Hierop wordt een scene afgebeeld van een man in een karos, lezend in een boek, met het bijschrift ‘Verstaat gy ook wat gy leest? Act. VIII: 27-30’. Dit heeft betrekking op de ontmoeting van de apostel Filippus met een Ethiopiër die poogt wijs te worden uit de Schriften.
Colofons komen in deel 1 niet veel voor, worden in deel 2 zeldzaam, en verdwijnen daarna geheel. In deel 1-3 lijkt dit te maken te hebben met de beschikbare ruimte: de vertogen worden gaandeweg langer. Vanaf deel 4 zijn colofons misschien, om genoemde redenen, onmogelijk geworden.

Boekhistorische gegevens
Het impressum van de delen 1, 2 en 3 luidt: ‘Gedrukt voor den vertaaler. Te Amsterdam By Anthon Eichhorn, Boekverkooper op de Beurs-Sluis, 1773 [1774, 1775]’. Bij de delen 4, 5 en 6 luidt het impressum: ‘Te Utrecht, By Henricus van Otterloo, Boekverkoper op de hoek van de Lyn-markt, by de Maartensbrug. 1779 [1782, 1782]’.
De meest uitgebreide colofon met boekverkopers is te vinden deel 1, nr. 3. Daar worden genoemd: Borgvliet, Ebert, wed. Vis (Rotterdam); Dischler (Alkmaar); v.d. Smout (Delft); De Vry en Zoon (Gouda); Van Lee (Haarlem); Vermande (Hoorn); D. Haak (Leiden); Bohemer (Middelburg); H. van Otterlo, A. van Paddenburg, J. van de Brink (Utrecht); Clement (Zwolle); P. van Thol (Den Haag).
Er heeft ook een tweede druk bestaan. Althans, er bestaat een editie uit 1781-1782, ‘By Henricus van Otterloo’ enz., waar op de onveranderde titelpagina’s van de delen 1 tot en met 4 (1781) en deel 5 (1782) na ‘Eerste deel’ (Tweede, enz.) volgt: ‘Tweede druk. Op nieuws nagezien en verbeterd’. Deze delen missen de aparte voorredes uit de eerste druk. Welke andere wijzigingen deze uitgave bevat, zijn vereist nadere bestudering.
Bij de geschiedenis van drukken en uitgaven dient ook betrokken te worden een Bericht en voorwaarde, wegens de aflevering van een uitmuntent nuttig werk van den beroemden Heer G.C.B. Mosche […] getijtelt De Bijbel-vriend. (Een theologisch weekschrift.) […]. Dit Bericht is ‘gratis uitgegeeven, te Amsterdam bij de Wed. Loveringh en Allart, en alomme in de zeven Provintien’, blijkbaar in 1775 (zie onder).
Dit prospectus van 8 bladzijden in octavo bevat op p. 1-3 een verklaring over het nut van de uitleg der Schrift en over de wijze waarop Mosche elke week daarover een vertoog gaf waarvan men er hier nu 156 kan vinden. Op p. 3-4 staat een opgave van de behandelde plaatsen. P. 4-7 geeft een voorbeeld van dit type uitleg, aan de hand van Exodus 12:35-36 en Psalm 103:15. Op p. 7-8 wordt aangegeven waarop men precies kan intekenen:

Van dit Werk nu, dat voorheen in andere handen was, en waarvan de tegenwoordige Uitgeevers, naderhand door Inkoop eigenaars geworden zijn, heeft men besloten voor een tijd van twee maanden, zijnde van 1 October tot ultimo November 1775, een getal van 80 Exemplaaren voor de goedkope prijs van f. 4:10:- in plaats van f 11:-:- aan de eerstkomenden af te leveren. Voor die geenen welke de tweede en derde Deelen apart nog gelieven te hebben om hun Werk te completeeren, wanneer zij het 1ste of het 1ste en 2e Deel bezitten, is ieder dier aparte Deelen, geduurende den gestelden tijd te bekoomen tot f 1:10:- . Het 4e Deel van dit Werk, waarmede hetzelve compleet is, zullen de Uitgeevers insgelijks op het spoedigste afleeveren.

Medewerkers
Gabriel Christophe Benjamin Mosche (1723-1791), de oorspronkelijke schrijver, was theoloog en luthers kerkelijk functionaris: achtereenvolgens te Erfurt (1749), Arnstadt (1754) en Frankfort aan de Main (1773). Zijn blad Der Bibelfreund verscheen 1770-1779.
Van de lutherse vertaler Klenke is weinig meer bekend dan wat op de titelpagina reeds vermeld staat: dat hij Hoog- en Nederduits schoolhouder te Amsterdam was (herhaald in deel 1, p. 312). Zijn opvattingen gaven een enkele keer aanleiding tot een contrageschrift: Tegen-bericht aan den schoolmeester A.F. Klenke (1773).
In zekere zin zijn ook de lezers actief in dit blad. Zo probeert Mosche aan sommige verzoeken van zijn lezers te voldoen. Het eerste geval doet zich voor deel 1, nr. 15, waar hij opmerkt zo snel mogelijk aan het verzoek van 28 februari, door een lezer uit Gotha, te zullen voldoen.
Veel curieuzer is het feit dat er interactie bestond tussen het Duitse blad met de Nederlandse lezer, met gevolgen voor de Nederlandse versie van het tijdschrift. In deel 1 reeds (p. 136) komt een bericht voor van de Nederlandse ‘uitgever’ (de vertaler) aan J.W. (ongetwijfeld de in het voorkatern van deel 1 genoemde J.W.), dat hij, Klenke, niet aan J.W.’s verzoek kan voldoen omdat hij zich aan de originele tekst moet houden. Maar: Klenke heeft Mosche de brief van J.W. toegestuurd; mogelijk dat er een antwoord komt! Op p. 200 schrijft Klenke dat Mosche inderdaad gereageerd heeft. Diens antwoord zal men kunnen lezen in vertoog 28-30 (dat zou feitelijk vertoog 29 en volgende worden).
Dit is slechts het eerste geval waarbij Mosche reageert op Nederlandse vragen en problemen, door bemiddeling van de vertaler. Vergelijk ook deel 1, p. 376; deel 2, p. 8, 65; deel 3, p. 394; waar onder anderen C.P.S., J.P.J. te N., J.P.M. en A.G. verzoeken doen of behandeld krijgen. Vermoedelijk verschenen die antwoorden eerst in het Duitse blad. Dat betekent dat de Nederlandse tekst, die in chronologie telkens enige tijd na het Duitse origineel verscheen, toch tot op zekere hoogte invloed uitoefende op de inhoud van de Duitse voorganger.

Inhoud
In zijn voorrede bij deel 1 spreekt Mosche over het nut van weekbladen zoals door Steele en Addison begonnen. De daarin gebruikelijke leerwijze is nu algemeen geworden in Duitsland. Zou die werkwijze niet ook bruikbaar zijn om de Schrift te helpen verduidelijken? Ook al komen bloemrijke zedekunde, vertellingen en ‘satyrische afschilderingen’ hier niet van pas?
Mosche geeft enkele voorbeelden van toepassing van zijn methode. Hij wil duistere plaatsen ophelderen met hulp van oorspronkelijke teksten en niet op basis van de Duitse vertalingen alleen. Die leiden juist vaak tot problemen en daarmee ook tot kerkelijke twisten.
Hiermee is de opzet duidelijk. Het gaat om exegese van moeilijke passages, of zelfs complete bijbelverhalen, geholpen door technisch-filologisch onderzoek. Soms wordt aan de uitleg enige didactische ‘leering’ op geloofsgebied toegevoegd, indien er ruimte over is. Een gedicht aan het einde is niet zeldzaam (vaak geciteerde dichters: Lange, Klopstock, vooral Gellert).
Mosche citeert vele bijbeldeskundigen. Het meest lijkt hij op te hebben met Michaëlis.
De Nederlandsche Bibliotheek 1783-1 bevat een bespreking van de Bijbel-Vriend p. 28-30.

Relatie tot andere periodieken
Het Nederlandse blad De Bijbelminnaar (1791-1794) kan beschouwd worden als een navolger van Mosches onderneming.

Exemplaar
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek 577 C 1-6
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek KVB PPA 632:25 (prospectus Bericht en voorwaarde)
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek O 60-3769-3773 (2e druk)
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: pfl. 19031 (Tegen-bericht aan den schoolmeester A.F. Klenke).
¶ Full text deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5 en deel 6

André Hanou