Boekzaal der Geleerde Wereld (1715-1863)

Titelbeschrijving
¶ Boekzaal der Geleerde Wereld.
Onder deze titel, die met verschillende spellingsvarianten wordt vermeld op de titelprenten, is het tijdschrift bekend geworden. De titelpagina’s van de afleveringen hebben de volgende (volledige) titels: 
¶ Maendelyke Uittreksels, of de Boekzael der Geleerde Werrelt (1715-1732)
¶ Maandelyke Uittreksels, of de Boekzael der Geleerde Waerelt (1733-1771)
¶ Maandelyksche Uittreksels, of de Boekzael der Geleerde Waereld (1772-1811)
¶ Boekzaal der Geleerde Wereld, of Tijdschrift voor Letterkundigen (1811-1816).

Periodiciteit
Maandblad, verschenen van juli 1715 t/m juni 1816.
De afleveringen zijn gebundeld in halfjaarlijkse delen (deel 1-193); met ingang van 1812 zijn de delen niet meer genummerd. Alle titelpagina’s geven ook de maand en het jaar waarop ze betrekking hebben. 
Bij keizerlijk besluit van 26 september 1811 moest de titel veranderen. Dit gebeurde met ingang van december 1811. Een nieuw blad werd het echter niet, want er was geen sprake van een ingrijpende koerswijziging, de katernsignatuur en de paginering lopen bovendien gewoon door en de desbetreffende aflevering is opgenomen in het register van het halfjaarlijkse deel waarin de aflevering is ingebonden.
Ook in juli 1816 had de wijziging in de ondertitel nauwelijks enige inhoudelijke consequenties.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen zo’n 120 of meer pagina’s in klein octavo. 
Vanaf 1715 prijkt op de titelpagina’s een titelvignet met daarop een peinzende man onder een lindenboom. Om hem heen zijn boeken, een wereldbol, een uil en enkele muziekinstrumenten. Op de banderol staat het drukkersmotto: ‘Tiliae sub tegmine tutus’ (vert. Veilig onder het bladerdak van de linde). Dit titelvignet wordt in de loop der jaren een aantal keren vernieuwd. Op de titelpagina van deel 8 (1719) t/m deel 27 (1728) heeft de illustratie als titelvignet plaatsgemaakt voor een fleuron.
Ook de titelplaat, met Minerva als patrones van de wetenschap, wordt bij tijd en wijle vernieuwd. Sommige afleveringen hebben bovendien enkele (eenvoudige) illustraties. In 1761 krijgt het blad een nieuwe drukletter, ‘naar hedendaagsche smaak’.
De afleveringen eindigen met een bladwijzer. De delen beginnen doorgaans met een voorwoord en eindigen met een register op onderwerp. In 1732 en 1760 verschenen cumulatieve registers voor de afleveringen van 1715-1730 respectievelijk 1745-1759.
Later worden per jaargang verschillende registers gegeven, zoals een ‘Register der voornaamste Zaken, voorkomende in de Boekbeschouwing […]’, een ‘Register der voornaamste Zaken, voorkomende in het Mengelwerk […]’ en een ‘Register van het Akademie- school- en kerk-nieuws […]’. De registers vallen buiten de paginering.

Boekhistorische gegevens
¶ Het impressum van deel 1-26 (1715-1727) luidt (met kleine wijzigingen): ‘Te Amsterdam, By Gerard onder de Linden, Boekverkooper op den hoek van de Nes’. 
¶ In de nrs. 1-10 van deel 26 (1728) staat de naam van ‘Wed. G. onder de Linden’ in het impressum. 
¶ Vanaf nr. 11 van deel 27 t/m nr. 4 van deel 70 (1728-1750) is het impressum (met kleine wijzigingen): ‘T’Amsterdam, By Adriaan Wor, en Erven van Gerard onder de Linden’. De weduwe Onder de Linden, Adriana van Daakenburgh, trouwde in 1728 met de knecht Adriaan Wor.
¶ Vanaf nr. 5 van deel 70 t/m deel 108 (1750-1768) luidt het impressum (met kleine wijzigingen): ‘Te Amsteldam. By Dirk onder de Linden, Boekverkooper in de Kalverstraat, over de Karseboom’. 
¶ Deel 109 t/m nr. 6 van deel 158 (1769-1794) heeft (met kleine wijzigingen): ‘Te Amsteldam, By Dirk onder de Linden en Zoon, Bybel- en Boekverkoopers, in de Kalverstraat, over de Nieuwezyds Kapel’. 
¶ Vanaf nr. 7 uit deel 159 t/m deel 193 (1794-1811) heeft: ‘Te Amsteldam, By de Erven D. onder de Linden en Zoon, Bybel en Boekverkoopers, in de Kalverstraat, over de Nieuwezyds Kapel’. Later luidt het adres ‘op de Heerengragt, over de Warmoesgragt, No. 413’. 
¶ Vanaf 1812 hebben de delen als impressum: ‘Te Amsterdam, bij De Erven D. onder de Linden en Zoon, op de Heerengragt, over de Warmoesgragt, No. 413. Gedrukt ter Boekdrukkerij van J. Breeman’.
¶ Vanaf januari 1813 vermeldt het impressum slechts de naam van de Erven Onder de Linden; in het colofon staat ‘Gedrukt ter Boekdrukkerij van J. Breeman, in de Enge Kapelsteeg, bij ’t Rokkin, No. 7 te Amsterdam’.

Volgens de Bibliographie de l’Empire français hadden de nrs. van december 1811, januari en februari 1812 een oplage van 1800 exemplaren (p. 302); het nr. van maart 1812 had een oplage van 1500 exemplaren (p. 350) en voor de nrs. van augustus en september 1812 werd een oplage van 1650 opgegeven (p. 624, 678).
Prijs per aflevering in 1813: 6 stuivers.
Prijs per halfjaarlijks deel volgens Saakes’ Naamlijst van bijvoorbeeld december 1791: ƒ 3:12:- (p. 173).

Gerard onder de Linden kocht 18 maart 1710 op de veiling van François Halma restantexemplaren van de oude Boekzaal der Geleerde Wereld, met het recht van kopij en het privilege. Deze Boekzaal was opvolger van de Boekzaal van Europe (1692-1701), geschreven door Pieter Rabus. Na een ruzie met de uitgever kreeg het blad bij Barent Bos een doorstart onder de titel Twee-Maandelijke Uittreksels (1701-1704). Toen Willem Séwel de redactie overnam, kreeg het blad de naam Boekzaal der Geleerde Wereld, uitgegeven door Halma. 
Onder de Linden wachtte door toedoen van de oorlog met de uitgave van zijn Maendelyke Uittreksels, of de Boekzael der Geleerde Werrelt tot 1715. Intussen waren Rudolf en Gerard Wetstein begonnen met Het Republyk der Geleerden (1710-1717), dat zij beschouwden als de opvolger van de oude Boekzaal der Geleerde Wereld van Halma. Dit leidde tot een aanvaring tussen Onder de Linden en de Wetsteins: ook de laatsten meenden het oude privilege op de Boekzaal van Europe te hebben gekocht en betwistten het privilege van Onder de Linden. Onder de Linden daarentegen beweerde dat Halma, over wiens privilege hij beschikte, dit ooit van Barent Bos had verkregen. 
Feitelijk beschikten beiden over een verlopen privilege. Het geschil kwam voor de Staten van Holland. Besloten werd dat beide partijen hun werk zonder privilege zouden continueren en dat ze gezamenlijk een nieuw privilege konden aanvragen, indien een derde partij hen met een vergelijkbare uitgave zou benadelen. 
De affaire verklaart waarom de vermelding van het privilege in een groot aantal afleveringen ontbreekt: vanaf januari 1717 (deel 4) t/m januari 1735 (deel 40). In 1735 kreeg de firma Onder de Linden zelf privilege van de Staten van Holland en West-Friesland, voor de duur van vijftien jaar. In 1750, 1765 en 1780 werd het octrooi verlengd. In 1795 lijkt het privilege te zijn vervallen. Vanaf januari 1813 wordt aan de titel toegevoegd: ‘Met keizerlyke vergunning’.

Medewerkers
Volgens het Amsterdamse geleerdentijdschrift Histoire Critique de la République des Lettres uit 1716 (deel 12, p. 432) zouden David van Hoogstraten, Ludolf Smids en Jakob Schoolhouder hebben meegewerkt aan de Boekzaal, hetgeen door Jongenelen (2014) in twijfel wordt getrokken. Ook zet hij vraagtekens bij de suggestie van Kossmann (1915), dat de Amsterdamse apotheker Abraham Bógaert de hoofdredacteur was en dat Pieter Poeraet en Schoolhouder hem bijstonden.
Wel wijst Jongenelen met zekerheid Pieter POERAET (1684-1747) aan als redacteur van de Boekzaal, vermoedelijk al in 1716 en zeker in 1723Poeraet was predikant in Nederhorst den Berg, een van de voornaamste deelnemers van de zgn. Poëtenstrijd. Spraakmakend was indertijd de gerechtelijke procedure tegen hem wegens het beroven van de armenkas. Vermoedelijk werd Poeraet bijgestaan door broodschrijver Isaac LE LONG (1683-1762), die tevens de opdracht kreeg om een register te maken op de jaargangen 1692 t/m 1708.
Toen weduwe Onder de Linden met haar tweede echtgenoot Adriaan Wor de firma Onder de Linden voortzette, besloten zij de Boekzaal te vernieuwen. In mei 1728 begon Pieter LE CLERCQ (1692-1759) als hoofdredacteur, wat hij in ieder geval bleef t/m 1735.
In de jaren ’70 en ’80 zou de Zutphense natuurkundig historicus, schrijver, pedagoog, theoloog Jan Floris MARTINET (1729-1795) de redactie hebben versterkt. Leemans/Franke (2006) noemen bovendien de Zaanse wiskundige landmeter en onderwijzer Jacob OOSTWOUD (1714-1784) die redactiewerk heeft verricht. Ook Willem Albert BACHIENE (1712-1783), theoloog en later hoogleraar sterrenkunde en aardrijkskunde in Maastricht, wordt met de Boekzaal in verband gebracht.
Incidentele bijdragen zijn bijvoorbeeld van Cornelis van der Nieuburg, predikant in Tiel, die in 1768 weersprak dat hij vrijmetselaar was. Cornelia Broedelet schreef circa 1780 godsdienstige verzen voor de Boekzaal
De correspondenten waren predikanten die door de verschillende classes van de hervormde kerk werden benoemd om de redactie te voorzien van kerknieuws (onder wie bijvoorbeeld, in 1759, de Tielse predikant J.W. Goldbach).

Inhoud
De Boekzaal richt zich in hoge mate op predikanten, proponenten en kerkelijke bestuurders. Van verlichte schrijvers als Rousseau en Voltaire moest men weinig hebben omdat dergelijke vrijgeesten het christendom in gevaar brengen. Bijbelcommentaren, vanaf 1766 prominent aanwezig in de Boekzaal, worden beschouwd als het enige passende antwoord op het toenemend atheïsme.
Net als in de voorlopers van de Boekzaal staan er boekbesprekingen in. Het zijn echter meer samenvattingen van en citaten uit voornamelijk theologische en godsdienstige geschriften. Ze lopen dikwijls over meerdere afleveringen heen. Leemans/Franke (2006) merken op dat het vooral dikke en dure boeken zijn die ‘besproken’ worden. Ook komen de publicaties ter sprake die de predikanten zelf ter recensie hadden toegestuurd. Toegezonden prulschriften, politiek partijdige werken en religieus polemische werken krijgen geen aandacht.
Academie-, school- en kerknieuws vormt de kern van het blad. Het kerknieuws begint al in mei 1716 met opsommingen van vacante predikantsplaatsen, beroepingen, afscheidsdiensten, aangekochte orgels en levensberichten van predikanten. Er staan veel (tweederangs) gelegenheidsgedichten in. Elk half jaar verscheen er een lijst met een paar honderd proponenten die een plaats als predikant zochten. Vanaf januari 1750 wordt de rubriek kerknieuws steeds groter en beslaat circa een derde van iedere aflevering. Hierdoor is de Boekzaal een kroniek van het protestants kerkelijk leven in de lange achttiende eeuw.
Ook academienieuws maakte deel uit van de Boekzaal: nieuwe en vertrekkende hoogleraren theologie, levensgeschiedenissen van overleden hoogleraren, inaugurele redes en andere voordrachten.

Leemans/Franke (2006) zien in 1762 een inhoudelijke verandering in het blad. Men begint met verhandelingen over ‘de beminnelijkheid van een sierlijke stijl en goede smaak voor fraaie schriften’. Besprekingen gaan dan niet meer alleen over leerzame of theologische werken. Ook is er aandacht voor vrijzinniger werk van bijvoorbeeld Betje Wolff. Mogelijk heeft de toenemende concurrentie met algemeen culturele bladen, spectators en andere kerkelijke nieuwsbladen geleid tot deze voorzichtige koerswijziging in de richting van een algemeen cultureel tijdschrift.
Bij de verplichte naamsverandering in 1811 werden de uittreksels vervangen door beredeneerde boekbeschouwingen. Ook komt er, in 1812, de rubriek Mengelwerk bij, met dichtstukjes, anekdotes, observaties fabels en korte historische of diverterende vertogen.

Een reactie op de Boekzaal verscheen in de pamflettenreeks Spreeuwdichten, voor, en tegen Fedrus, en zyne dieren, die in 1715 verscheen met het fictieve impressum ‘Op Parnas, Ter Drukkery van Apollo, in ’t eerste jaar van de opgewarmde Boekzael der geleerde Wereld’. Volgens Jongenelen (2014) was Jan van Hoogstraten de auteur van een groot aantal gedichten, waarin hij pogingen deed om de auteur van de Boekzaal, die hem betweterig had gekapitteld over diverse spellingskwesties, te achterhalen. 
Toen Van Hoogstraten eenmaal wist dat Pieter Poeraet er in de beginjaren achterstak, schreef hij omstreeks 1729 het Wezeper straetpraetje, over den verlooren Boekzaal schryver of theologischen armendief, onder den predikstoel aan den Berg (z.p. z.j.)Ook Jacob Campo Weyerman heeft het in zijn werk regelmatig voorzien op Poeraet als Boekzaal-auteur.
In 1757 verscheen Extract uit het berigt in de Boekzaal der Geleerde Waereldt van januari 1753. Pag. 97. &c. Vervattende het gerechtelyk onderzoek nopens de uitgestrooide lasteringe ten nadele van dominus Jacobus Tyken, waardig leeraar in de gereformeerde gemeente, te Amsteldam (Amsterdam, Dirk onder de Linden z.j.). De gematigd orthodoxe dominee Tyken was er in 1753 van beschuldigd een verhouding te hebben gehad met de vrouw van een Oostindiëvaarder. Het kind dat hij had het verwekt, zou hij hebben gedoopt en na de dood begraven. Het veroorzaakte veel ophef, maar de rechtszaak werd door het Hof geseponeerd. In 1757 rakelde Tyken zelf de kwestie opnieuw op, wat een stroom van satirische pamfletten tot gevolg had.
In De Tijdspiegel (1847) staat een negentiende-eeuws oordeel over het blad:

De Boekzaal der geleerde wereld was altijd een zeer respectabel maandschrift; dezelve behield onder alle lotwisselingen en regeringsvormen zoo iets oud-Hollandsch, deftigs, en herinnerde ons altijd aan eenen hervormden dorpspredikant , die reeds zijn vijftigjarig ambtsbestaan had gevierd, en wel gevoed, wel gepruikt, wel door- en uitgepreekt, den avond en nacht des levens zachtkens tegemoet gaat. (p. 81)

Relatie tot andere periodieken
Niet te verwarren met de Boekzaal der Geleerde Werreld (1705-1708), editie Willem Séwel en uitgegeven door François Halma te Amsterdam, en de opvolger daarvan, Het Republyk der Geleerden, of Kort Begryp van Europa’s Letternieuws (1710-1717). Deze bladen waren voortzettingen van de Boekzaal van Europe (1692-1701) van Pieter Rabus en het vervolg daarop, de Twee-Maandelijke Uittreksels (1701-1704). 
Van Leeuwen (1902) en Leemans/Franke (2006) beschouwen deze werken, samen met de Boekzaal van Onder de Linden, als één geheel maar de wijziging van uitgever, auteur(s) en inhoud in 1715 laat zien dat de laatste titel een nieuw tijdschrift is. Ook de nummering van de delen wijst hierop. 
De Boekzaal van de firma Onder de Linden werd voortgezet als Boekzaal der Geleerde Wereld, en Tijdschrift voor de Protestantsche Kerken in het Koningrijk der Nederlanden (1816-1863). Dit blad werd later omgevormd tot Stemmen voor Waarheid en Vrede (1864-1925).
Concurrerend voor de Boekzaal van Onder de Linden was de Utrechtsche Kerk- en Academie-Boekzaal van Europa (1759-1760), waarmee hij dan ook in aanvaring kwam. De Nederlandsche Criticus (1750-1751) maakt de Boekzaal belachelijk en oefent in nr. 4 onbarmhartige kritiek uit op dit blad. Leemans/Franke (2006) verbinden hieraan diverse implicaties, maar die blijken te ver gezocht omdat zij de Nederlandsche Criticus onjuist dateren.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 460 E 28 – 460 J 20:1 en 460 J 20:2 [-25:1]
¶ New York, Public Library: GAA M12 (zie ook HathiTrust)
¶ Full text deel 1, deel 2 (mei t/m dec 1716), deel 3 (juli t/m dec 1716), deel [4 en 5] (jan t/m dec 1717), deel 6 (jan t/m juni 1718), deel 7 (juli t/m dec 1718), deel 8 en 9 (jan t/m dec 1719), deel 10 en 11 (jan t/m dec 1720), deel 12 en 13 (jan t/m dec 1721), deel 14 en 15 (jan t/m dec 1722), deel 16 en 17 (jan t/m dec 1723), deel 18 en 19 (jan t/m dec 1724), deel 20 en 21 (jan t/m dec 1725), deel 22 (jan t/m juni 1726), deel 23 (juli t/m dec 1726), deel 24 en 25 (jan t/m dec 1727), deel 26 en 27 (jan t/m dec 1728), deel 28 (jan t/m juli 1729), deel 29 (juli t/m dec 1729), deel 30 en 31 (jan t/m dec 1730), deel 32 (jan t/m juni 1731), deel 33 (juli t/m dec 1731), deel 34 (!) (jan t/m dec 1732), deel 35 (!) (jan t/m dec 1733), deel 36 en 37 (??), deel 38 (jan t/m juni 1734), deel 39 (juli t/m dec 1734), deel 40 en 41 (jan t/m dec 1735), deel 42 en 43 (jan t/m dec 1736), deel 44 (jan t/m juni 1737), deel 45 (juli t/m dec 1737), deel 46 en 47 (jan t/m dec 1738), deel 48 en 49 (jan t/m dec 1739), deel 50 en 51 (jan t/m dec 1740), deel 52 (jan t/m juni 1741), deel 53 (juli t/m dec 1741), deel 54 (jan t/m juni 1742), deel 55 (juli t/m dec 1742), deel 56 (jan t/m juni 1743), deel 57 (juli t/m dec 1743), deel 58 en 59 (jan t/m dec 1744), deel 60 (jan t/m juni 1745), deel 61 (juli t/m dec 1745), deel 62 en 63 (jan t/m dec 1746), deel 64 en 65 (jan t/m dec 1747), deel 66 en 67 (jan t/m dec 1748), deel 68 en 69 (jan t/m dec 1749), deel 70 en 71 (jan t/m dec 1750), deel 72 en 73 (jan t/m dec 1751), deel 74 (jan t/m juni 1752), deel 75 (juli t/m dec 1752), deel 76 (jan t/m juni 1753), deel 77 (juli t/m dec 1753), deel 78 (jan t/m juni 1754), deel 79 (juli t/m dec 1754), deel 80 (juni t/m dec 1755), deel 81 (juli t/m dec 1755), deel 82 (jan t/m juni 1756), deel 83 (juli t/m dec 1756), deel 84 en 85 (jan t/m dec 1757), deel 86 (jan t/m juni 1758), deel 87 (juli t/m dec 1758), deel 88 (jan t/m juni 1759), deel 89 (juli t/m dec 1759), deel 90 en 91 (jan t/m dec 1760), deel 92 (jan t/m juni 1761), deel 93 (juli t/m dec 1761), deel 94 en 95 (jan t/m dec 1762), deel 96 (jan t/m juni 1763), deel 97 (juli t/m dec 1763), deel 98 en 99 (jan t/m dec 1764), deel 100 en 101 (jan t/m dec 1765), deel 102 en 103 (jan t/m dec 1766), deel 104 (!), deel 105 (!), deel 106 (jan t/m dec 1767), deel 107 en 108 (jan t/m dec 1768), deel 109 en 110 (jan t/m dec 1769), deel 111 en 112 (jan t/m dec 1770), deel 113 en 114 (jan t/m dec 1771), deel 115 (!), deel 116 (jan t/m juni 1772), deel 117 (juli t/m dec 1772), deel 118 (jan t/m juni 1773), deel 119 (juli t/m dec 1773), deel 120 (jan t/m juni 1774), deel 121 (juli t/m dec 1774), deel 122 (jan t/m juni 1775), deel 124 en 125 (jan t/m dec 1776), deel 126 en 127 (jan t/m dec 1777), deel 128 (jan t/m juni 1778), deel 129 (juli t/m dec 1778), deel 130 en 131 (jan t/m dec 1779), deel 132 (jan t/m juni 1780), deel 133 (juli t/m dec 1780), deel 134 en 135 (jan t/m dec 1781), deel 136 en 137 (jan t/m dec 1782), deel 138 en 139 (jan t/m dec 1783), deel 140 (jan t/m juni 1784), deel 141 (juli t/m dec 1784), deel 142 en 143 (jan t/m dec 1785), deel 144 en 145 (jan t/m dec 1787), deel 146 (jan t/m juni 1788), deel 147 (juli t/m dec 1788), deel 148 (jan t/m juni 1789), deel 149 (juli t/m dec 1789), deel 150 en 151 (jan t/m dec 1790), deel 152 (jan t/m juni 1790), deel 153 (juli t/m dec 1791), deel 154 (jan t/m juni 1792), deel 155 (juli t/m dec 1792), deel 156 en 157 (jan t/m dec 1793), deel 158 en 159 (jan t/m dec 1794), deel 160 (jan t/m juni 1795), deel 161 (juli t/m dec 1795), deel 162 en 163 (jan t/m dec 1796), deel 164 (jan t/m juni 1797), deel 165 (juli t/m dec 1797), deel 166 en 167 (jan t/m dec 1798), deel 168 en 169 (jan t/m dec 1799), deel 170 (jan t/m juni 1800), deel 171 (juli t/m dec 1800), deel 172 (jan t/m juni 1801), deel 173 (juli t/m dec 1801), deel 174 (jan t/m juni 1802), deel 175 (juli t/m dec 1802), deel 176 (jan t/m juni 1803), deel 177 (juli t/m dec 1803), deel 178 en 179 (jan t/m dec 1804), deel 180 en 181 (jan t/m dec 1805), deel 182 en 183 (jan t/m dec 1806), deel 184 en 185 (jan t/m dec 1807), deel 188 en 189 (jan t/m dec 1809), deel 190 (jan t/m juni 1810), deel 191 (juli t/m dec 1810), deel 192 (jan t/m jun 1811), deel 193 (juli t/m dec 1811), jaargang 1812 t/m juni 1816

Bronnen
Bibliographie de l’Empire français, ou Journal Général de l’Imprimerie et de la Librairie (Parijs 1811/1812).

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, ‘Opkomst en ondergang van een poehaantje: dominee Pieter Poeraet’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 37 (2014), p. 13-27, aldaar p. 17
¶ I.B. Leemans en V. Franke, ‘“De Boekzaal der geleerde wereld”. Spin of vlieg in eigen netwerk?’, in H. Bots en S. Levie, Periodieken en hun kringen. Een verkenning van tijdschriften en netwerken in de laatste drie eeuwen (Nijmegen 2006), p. 107-124
¶ Mej. I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725, deel 4 (Amsterdam 1978), p. 15-22, aldaar p. 18-19
¶ E.F. Kossmann, Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van het Nederlandsche tooneel in de 17e en 18e eeuw (‘s-Gravenhage 1915), p. 49
¶ M.M. Kleerkooper en W.P. van Stockum, De boekhandel van Amsterdam voornamelijk in de 17e eeuw. Biographische en geschiedkundige aantekeningen (’s-Gravenhage 1914-1916), p. 941-944
¶ ‘De “Boekzaal der geleerde wereld”’, in: Nieuwsblad voor den Boekhandel 69 (1902), p. 395, 402
¶ H. van Leeuwen, ‘De Boekzaal der Geleerde Wereld’, in: Noord en Zuid 25 (1902), p. 305-348, aldaar p. 320-330.

Rietje van Vliet