Boere Studeerkamer (1763-1767)

Titelbeschrijving
De Boere Studeerkamer, of Rariteyt-Kraam der Zotten en Zottinnen. Beschreven door een Genoodschap Boeren, onder de Zinspreuk Nam sine Doctrina Vita est Quasi mortis imago.

Periodiciteit
De auteur schrijft in zijn autobiografie dat het werk een aanvang nam in 1763. Dit wordt bevestigd door het exemplaar van de British Library. De bedoeling was dat er ieder kwartaal een nieuwe aflevering zou verschijnen (‘onze Drie Maandelyksche Rariteytenkraam’), maar blijkens diverse ‘Boere Inleidingen’ kwam hier diverse keren vertraging in. In totaal verschenen er acht ‘stukjes’ in 2 delen.
Op 7 november 1766 besloot de vroedschap van Utrecht tot een verbod van de Boere Studeerkamer.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen in klein octavo zijn gebundeld in twee delen van vier afleveringen elk (464 pagina’s per deel). Iedere aflevering begint met een short title en het afleveringsnummer. Direct daarna volgt een ‘Boere Inleiding’ van 2 à 3 pagina’s, de vermelding van de drie te behandelen spreuken en de uitleg. De afleveringen bevatten 110 tot 120 genummerde pagina’s.
Nr. 1 en nr. 5, beide de eerste afleveringen van een deel, beginnen met ongenummerd voorwerk, bestaande uit de titelpagina in rood en zwart van het desbetreffende deel en de blanco versopagina. Achterin elk deel staat een inhoudsopgave van de behandelde spreuken.
Simon Fokke tekende en graveerde de titelprent, voor in deel 1. Hierop is een sober studeervertrek afgebeeld met enkele mannen staand en zittend rond een schrijftafel. Er wordt een pijpje gerookt, drank geschonken en via de geopende buitendeur komt een boer (te herkennen aan gedeukte pet en zakdoek geknoopt om de nek) binnen.

Boekhistorische gegevens
De titelpagina van deel 1 (Leids exemplaar) vermeldt: ‘’s-Gravenhage, By Pieter van Os, Boekverkoper op de Plaats, 1765’. Bij deel 2 is het jaartal gewijzigd in 1775.
In de Leydse Courant van 30 mei en 15 juni 1770 wordt het complete werk, ‘waar van eenige duizend Exemplaaren reeds zyn gedebiteerd’, voor een voordelige prijs aangeboden: tot 16 juni kost het ƒ 2:4, daarna ƒ 3:5. Er was nog een beperkte voorraad losse afleveringen, voor 8 stuivers te koop.
Als verkoopadressen worden in deze advertenties genoemd:

in ’s Hage by de Wed. v. Thol, Delft v.d. Smout, Schiedam Smit, Maassluys v.d. Burg, Briel Verhel, Rotterdam de Wed. Vis, D. Vis, Bothal en Bellaard, Dord van Braam, Zierikzee de Kanter, Middelburg Gillissen, van de Sande en Bohemer, Vlissingen Corbelyn, Goes Huysman, Te Thoolen Houtriet, ’s Bosch Palier, Nymeegen Wolfsen, Arnhem Troost, Bommel Salmons, Thiel Repelius, Gouda de Vry en v.d. Klos, Amsterdam Baalde, Haarlem Bosch en v. Delden, Leyden Honcoop, Hoogeveen en v. Damme, Leeuwaarden Ferwerda, Sneek Sijlstra, Franeker Ippinga, Harlingen v.d. Plaats, Groningen Huizing, Hoorn Breebaart, Enkhuyzen Callenbach Klenk, Alkmaar Maagh, Deventer Friesewyk, Zwol Clement en Zardam Kwakkelstein.

De opmerking van de schrijver dat er zeven drukken geweest zouden zijn (zie onder), wordt niet gestaafd door de STCN; daar zijn slechts twee verschillende edities bekend.

Medewerker
Auteur is de broodschrijver, astroloog en jurist Franciscus Lievens KERSTEMAN (1728-1793). Zijn naam wordt niet op de titelpagina vermeld maar in zijn autobiografie maakt hij bij herhaling gewag van dit werk van zijn hand.

Inhoud
Kersteman schrijft in zijn autobiografie over zijn bronnen:

hetzelve [de Boere Studeerkamer] bestond meest al uit echte gebeurtenissen, welke hier te lande voorgevallen waren, en mij van alle kanten door naamlooze brieven toegezonden werden, uitgezonderd zodanige merkwaardige tijdgevallen die ik zelf ontdekt of bijgewoond had (deel 1, p. 159).

Het tijdschrift zou geschreven zijn door een genootschap van boeren, waarin mannen als Krelis de Kaasboer, Joris de Salm-boer en Louw de Geheim-Schryver figureren, onder de zinspreuk ‘Zonder wetenschap is het leven slechts een evenbeeld van de dood’ (Disticha Catonis). Hiermee wordt een parodie gegeven van de vele geleerden- en burgergenootschappen die de Republiek in de tweede helft van de achttiende eeuw rijk was.
Aanleiding van de discussies zijn per aflevering drie tegeltjeswijsheden, die stuk voor stuk door middel van drie vragen aan alle kanten worden belicht. De vragen roepen een eindeloze reeks anekdotes op die nu eens kort dan weer uitvoerig worden besproken. De spreuken zijn:

De Gekken krygen de Kaart; Het is beter Benyd dan Beklaagt te zyn; Als Niet komt tot Iets, kent het zyn zelve niet (nr. 1); – Hoogmoet komt voor den Val; ’t Is Beter hard geblazen, dan de Mond gebrant; Die een ander Jaagt, staat zelve niet stil (nr. 2); – Onbekent, maakt Onbemint; Ider weet waar hem de Schoen Wringt; De Geleegentheid maakt den Dief (nr. 3); – ’t Zyn altemaal geen Koks die lange Messchen drage; Die zijn Neus schend, schend zyn gansche Aangezigt; ’t Is alles geen Goud, dat ’er blinkt (nr. 4); – Niemand Gelukkig voor zyn Dood; ’t Zyn sterke Beenen die de Weelde dragen; De Pot verwyt de Ketel dat hy zwart is (nr. 5); – Hoe kaler Jonker, hoe groter Pronker; Die ligt Gelooft word ligt Bedrogen; Veel Honden, maken den Haas zyn Dood (nr. 6); – Hoe groter Geest, hoe groter Beest; Die zyn Gad brand, moet op de Blaren zitten; Ieder zoent zyn Vrouw op zyn manier (nr. 7); – Alle Verandering is geen Verbetering; Beloften maken Schuld; Dat van Katten komt, Muist graag (nr. 8).

De enscenering van de discussies is levendig, al komen de boeren zelf niet echt tot leven.

Relatie tot andere periodieken
En passant wordt kritiek geleverd op een ‘zeker Letter-Courantier, op welke wy hier het oog hebbe, een vermaarde Beuling van een Letter-Held (deel 1, p. 114). Van de Vaderlandsche Historie wordt gezegd: ‘De styl is redelyk, maar ’t wil niet veel zeggen, het heeft in zyn zamenhang van zaken niets te beduyden’ (deel 1, p. 129). En de Boekzaal der Heeren en Dames, nota bene van Kersteman zelf, leidt tot de uitspraak: ‘het zyn maar verzamelingen van Prullen, en uittrekzels van een party zotte Romans!’ (deel 1, p. 129). De Vaderlandsche Letter-Oeffeningen zijn een ‘Maandelyks verminkt prulschrift’ dat men beter de ‘Razende Copiist’ had kunnen dopen (deel 1, p. 335). Verder zou de Antwerpsche Courant slechts leugens debiteren (deel 1, p. 379).
In zijn autobiografie spreekt Kersteman herhaaldelijk over de vijanden die hij met zijn Boere Studeerkamer maakte door ‘de algemeene gispingen welken in dat satiricq werkjen vervat zijn’ (deel 1, p. 159). Aan het einde van deel 2 van het periodiek bedankt hij dan ook de ‘groote Geesten die onze Studeer-Kamer met iever tegen de Lasterzucht en Nyd [hebben] verdedigt’ (deel 2, p. 462).
Maar er waren ook positieve reacties op het blad, getuige de opmerking van Kersteman, wederom in zijn autobiografie, dat het ‘binnen korte jaaren zevenmaal herdrukt, en geheel uitverkocht is geworden’ (deel 1, p. 159).
Het periodiek kreeg een opvolger in de vorm van: Patria of De Nieuwe Boere Studeer-Kamer (1773). De opzet van dit periodiek is duidelijk ontleend aan Kerstemans origineel.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1226 G 23-24
¶ Londen, British Library: 12330.b.26 (aflevering 1 uit 1763).
¶ Full text deel 1 en deel 2

Literatuur
F.L. Kersteman, Het leven van F.L. Kersteman, professor honorair en doctor der beide rechten […]. Door hem zelven beschreven (Amsterdam 1792).

Rietje van Vliet