Bydragen, ter bevordering der Schoone Kunsten en Wetenschappen (1793-1796)

Titelbeschrijving
Bydragen, ter bevordering der Schoone Kunsten en Wetenschappen, uitgegeven door Mr. Rhijnvis Feith en Jacobus Kantelaar. Eerste [enz.] stuk.

Periodiciteit
In het ‘Voorbericht’, gedateerd september 1793, schrijven de auteurs dat de frequentie en de levensduur van het blad ‘voornamelijk [zullen] afhangen van de goedkeuring en aanmoediging onzer Landgenooten’. Ze verzekeren de lezers dat de kopij voor nr. 2 (‘Stuk’) ‘reeds bijna geheel afgewerkt ligt, en een gedeelte daar van reeds ter perse ligt’.
Alle goede voornemens ten spijt moeten de belangstellenden echter wachten tot juli 1794 voor nr. 2 te koop is. Nr. 3, de laatste aflevering, is pas in 1796 verkrijgbaar. De politieke omwenteling in de Republiek zal hierbij een rol hebben gespeeld. Zelf hield Feith, een van de twee auteurs, het op de kritiek op de bespreking van een Plutarchus-vertaling. Die bespreking was te gedetailleerd en te specialistisch en zou volgens hem de doodsteek zijn geweest waaraan de Bydragen zo vroeg is bezweken.

Bibliografische beschrijving
Nr. 1 telt XVI (Voorbericht) + 1-206 + I (Inhoud) pagina’s in octavo; nr. 2 heeft 210-405 + I (Inhoud) pagina’s; nr. 3 heeft 407-596 + I (Inhoud) pagina’s. Nr. 2 bevat een ‘muziekplaatje’ bij een dichtstuk.

Boekhistorische gegevens
‘Te Amsterdam, bij Johannes Allart’.
Prijs per aflevering volgens Saakes’ Naamlijst van januari 1794, augustus 1794 en juli 1796: ƒ 1:16.
In 1825 verscheen nr. 1 in gewijzigde vorm als Bijdragen ter bevordering der Schoone Kunsten en Wetenschappen in Rotterdam, bij J. Immerzeel junior. Het is als supplement opgenomen bij de Dicht- en prozaïsche werken van Mr. R. Feith.

Medewerkers
Op de titelpagina staan de namen van de twee schrijvers (‘uitgevers’) Rhijnvis Feith en Jacobus Kantelaar. Aanvankelijk was het de bedoeling dat ook Anthony Christiaan Winand STARING (1767-1840) zou toetreden tot de redactie van de Bydragen, maar hij zag ervan af. Wel staan er gedichten van hem in.
De Zwolse patriot Rhijnvis FEITH (1753-1824) is vooral bekend geworden als schrijver en actief lid van diverse letterkundige genootschappen. Ook heeft hij diverse literair-theoretische publicaties op zijn naam staan. Toen hij samen met zijn vriend Jacob Kantelaar werkte aan de Bydragen, ter bevordering der Schoone Kunsten en Wetenschappen, was hij ontvanger van de konvooien en licenten op het belastingkantoor van zijn vader.
De voormalige predikant Jacobus KANTELAAR (1759-1821) was behalve een verdienstelijk literator ook politicus. In 1787 was hij wegens patriotse activiteiten uit zijn provincie Overijssel verbannen, maar in 1792 kon hij er terugkeren. Hij vestigde zich in Kampen, vanwaar hij met boezemvriend Feith de Bydragen schreef. Hij was een van de leidende figuren tijdens de Eerste Nationale Vergadering (1 maart 1796 t/m 31 augustus 1797), waar hij een federalistisch standpunt innam.
Feith en Kantelaar rekenen erop, zo bekennen ze in het Voorbericht van de Bydragen, dat belangstellenden in de kunsten en wetenschappen hun bijdragen toezenden. Ze hebben zelfs al toezeggingen ontvangen. Publicatie zal in volstrekte anonimiteit plaatsvinden. Vuyk (2005) identificeerde onder anderen de Amsterdamse advocaat Maurits Cornelis VAN HALL (1768-1858) en diens ambts- en plaatsgenoot Jan Jacob VEREUL (±1770-1807). Genootschappen wordt uitgenodigd hun ‘Berigten of Programmata’ toe te zenden, die in een kleine letter aan het einde van iedere aflevering geplaatst zullen worden. Daar is overigens niets van terechtgekomen.

Inhoud
De periodiek is bedoeld om de nationale smaak voor het schone te verbeteren, zo meldt het Voorbericht. Tijdschriften die dat ook zeggen te doen, blijven in gebreke:

Van hier dat menigwerf een meesterstuk van smaak en genie volkomen gelijk gesteld wordt met eenige werktuiglijk goede versen, daar, ja, gezond verstand, maar voor het overige niets van het geen eigentlijk het wezen de[r] Poëzie uitmaakt, in gevonden wordt. Welken invloed kunnen zulke algemeene beoordeelingen op de verbeetering van onzen smaak voor het schoone hebben? (p. VI)

Men dient daarom een onderscheid te maken tussen de dichter en de verzenmaker. Hetzelfde geldt voor de welsprekendheid en de schilder- en beeldhouwkunde. Christoph Martin Wieland is voor Feith en Kantelaar het grote voorbeeld: hij was een der eersten die een soortgelijk tijdschrift uitgaf,

die zich niet vergenoegde met louter goed- of aftekeuren, maar die zijne Landgenooten zelve in staat stelde om over de voortbrengselen hunner Kunstenaaren en Geniën te kunnen oordeelen […]. Zijn Tijdschrift was eene handleiding voor alle aankomende Vernuften, en het algemeene Leerboek der Natie. (p. VIII-IX)

Vooral Nederlanders hebben een soortgelijke handleiding nodig, omdat zij zich niet kunnen richten naar de smaak van een vorst. Hun ‘vrij algemeene geest van koophandel [is] eene wezenlijke belemming [sic] voor alle die Kunsten en Wetenschappen, welke niet lijnrecht medewerken om rijker of aanzienlijker te worden’.
De schrijvers van de Bydragen hebben grootse plannen. Ze nemen zich voor van tijd tot tijd theoretische verhandelingen te geven over de welsprekendheid, poëzie en de beeldende kunsten. De bedoeling is dat ze die zelf schrijven, of hun ‘medehelpers’; slechts bij uitzondering zal het een vertaling/bewerking zijn. Ten tweede zullen de Bydragen ‘berichten en beoordeelingen’ bevatten van beroemde beeldhouwwerken, schilderijen en ‘plaatwerken’. Daar was de Nederlandsche Bibliotheek al mee begonnen, maar de redactie heeft dit niet voortgezet. Als derde zullen de afleveringen één of meer dichtstukken bevatten en/of een redevoering waarvan Feith en Kantelaar de ‘waare welsprekendheid’ kunnen aanprijzen. Ten vierde zal iedere aflevering minimaal één ‘opzettelijke beoordeeling’ bevatten van een literair werk; – dit alles ter bevordering van de goede smaak. Van deze opzet kan overigens worden afgeweken, waarschuwen de schrijvers van de Bydragen.
Vooral interessant zijn de theoretische verhandelingen. In de nrs. 1-3 staat een vertoog over het treurspel. De nrs. 2-3 bevatten een samenspraak tussen Feith en Kantelaar over de waarde van het rijm. Ook bevat deze aflevering een (vertaald) essay over de vraag ‘Mag een dichter of redenaar zijne beelden ook ontleenen uit de natuurlijke historie van vreemde landen?’ Een vertoog in nr. 3 gaat in op het vraagstuk of er in dichtstukken engelen en duivels mogen worden opgevoerd.
Nr. 3 bevat overigens ook een sentimenteel gedicht van ene ‘K.’ (Kantelaar) op de dood van een kind; en een catalogus van schilderijen van Correggio, of uit zijn school, die in de Republiek zijn verkocht (incl. prijzen).

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 1296 E 3
Full text

Literatuur
¶ Simon Vuyk, Jacob Kantelaar. Veelzijdig verlicht verliezer 1759-1821 (Zwolle 2005), p. 73, 95-98.

Rietje van Vliet