Chimist der Zotheden (1770)

Titelbeschrijving
De Chimist der Zotheden. No. 1 [enz.]. Geschreeven (niet uitgeschreeven) in den smaak van Jacob Campo Weyerman.
Nr. 6 heet: Alchimist der zotheden.

Periodiciteit
De afleveringen van dit weekblad zijn niet gedateerd, met uitzondering van nr. 6: donderdag 26 april 1770. Er wordt voor het blad op 24 april 1770 geadverteerd in de Opregte Groninger Courant. In Amsterdam was de Chimist op maandag verkrijgbaar, in Groningen op woensdag.
Er zijn voor zover bekend zes afleveringen verschenen.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt acht pagina’s in octavo. De pagina’s zijn – met fouten in de telling – doorlopend genummerd 1-49.
Nr. 1 wordt voorafgegaan door een aparte titelpagina. De tekst van deze aflevering begint op de versozijde. In alle afleveringen heeft het titelblok de verkorte titel en het volgnummer. Na een citaat begint de tekst.
Van nr. 6 zijn er ondanks de identieke tekst twee verschillende versies: een gedateerde versie met als vignet een pelikaan die met eigen bloed haar drie jongen voedt (symbool voor: het nieuwe leven komt voort uit de oude substantie; transmutatie) en een niet-gedateerde versie met een rund als vignet. De wijziging van het titelblok en de titel (zie hierboven) is omdat ‘Atta Claudius en Catascopus Miops zyn bezig met de Chimist te sapperen als Fransche Mineurs’ (nr. 6, p. 49).

Boekhistorische gegevens
Het impressum op de titelpagina van nr. 1 luidt: ‘De Weduwe J. van Egmond adverteerd dat regulier alle Maandagen by haar zal worden uitgegeven de CHIMIST DER ZOTHEDEN; En zullen de Exemplaren Woensdags by den Boekverkoper R. BEBINGH te Groningen te bekomen zyn’.
Roelof Bebing, boek- en lotenverkoper in De Stapel Pennen, in het Grote Koude Gat (een steegje tussen de Herestraat en de Pelsterstraat), was vaste wederverkoper van de almanakjes van weduwe Van Egmond. Blijkens de Opregte Groninger Courant van 24 april 1770 moest voor de Chimist per aflevering 1 stuiver ‘of minder’ worden neergeteld.

Medewerkers
De woordkeus, schrijfstijl en Latijnse citaten doen vermoeden dat het auteurschap moet worden gezocht in studentenkringen.
Wellicht is een der schrijvers Jean Jaques BOURDEAU (1749-1812): geboren in Coevorden, als student ingeschreven te Groningen in 1768, en van 1773 tot de komst van de Fransen in 1794 predikant van de Waalse kerk te Groede (Zeeuws-Vlaanderen).
De suggestie voor zijn betrokkenheid bij het blad wordt gedaan door Bebing in de genoemde advertentie in de Opregte Groninger Courant. Deze meldt dat de afleveringen van de Chimist de dag ‘’er aanvolgende’ bij hem te koop zijn ‘als ze door den Heer Stud. BOURDEAUX of een ander den voorigen dag zullen uitgegeven zyn’. De advertentietekst lijkt grappig bedoeld: Bourdeau of een ander, de volgende dag en de vorige dag, en verderop: een stuiver of minder. Bourdeau woonde net als Bebing in het Grote Koude Gat en gaf vanuit zijn kamer bij de weduwe Van Solen Franse les (Opregte Groninger Courant 16 januari 1770).

Inhoud
De ondertitel van de Chimist geeft aan dat de auteur stilistisch gezien schatplichtig is aan de satiricus Jacob Campo Weyerman (1677-1747). Dit blijkt onder meer uit de Latijnse citaten aan het begin van iedere aflevering, de gecursiveerde dubbelzinnige woorden, beeldspraak, zinswendingen en de brieven, advertissementen en sprookjes die in het blad zijn opgenomen. In nr. 3 roept de Chymist uit: ‘O! Myn goede Campo mogt gy nu uw hoofd eens opsteken, wat zoud gy niet al gekapte narren onder ’t schort van uw blikken gewaar worden’ (p. 23).
Het onverwachte einde van de Chimist ontlokte de schrijver van De kykkast dezer twistzieke werelt [1770] de volgende verzuchting:

[…] al weer een andere vertoning. Daar zie je op het Toneel verschynen, enen studeerende diepdenkende geest van Campo Weijerman, op zyn Jagers gekleet; die met zyn weekelykze blaatjes, veel nieuwschyrige Lezeren heeft gaande gemaakt, ik ben al een mee van die ze met vermaak plagt te lezen, maar hoe nu vraagt de weerelt waar is hy gebleven, is hy afgescheept na Acheron, of is hy uitgeroit als wilde kervel, ik kan nog het een nog het ander denken, maar dat weet ik dat zyn onkunde de oorzaak in deezen is geweest, anders had het niet mogelyk konnen zyn, of hy had nog enige vertogen geschreven, jammer is het maar, nu hy de naam van Algimist tot veltgeschrei had aangenomen, wy nu in plaats van goudt, niemendal ontfangen, en nu zal nog die galonneerde Ezel waar van hy in zyn vertoogjes heeft gemeldt, zeggen dat hy het op de kop geraden heeft […].

Voorwerp van spot is door de gekozen bewoordingen en metaforen voor de hedendaagse lezer moeilijk scherp in beeld te krijgen. Zo is er in de tekst herhaaldelijk sprake van Walburg (bijvoorbeeld in nr. 1: ‘Walburgs Latyn’, p. 4; de ‘beurssen der Walburgers’, p. 5), waarmee mogelijk wordt verwezen naar een koffiehuis annex studentencafé in de St. Walburgstraat, maar dat ook synoniem kan zijn voor de stad Groningen. Dankzij zijn Sint-Walburgkerk, op het terrein van het Martinikerkhof (reeds in 1627 afgebroken), heeft de stad de heilige Walburga als schutspatrones.
Het blad speelt onder meer in op de kwestie rond de Groningse gereformeerde predikant Theodorus Brunsveld de Blau (1729-1815), die zich in zijn preek van 4 februari 1770 had gericht tegen de verheffing van het natuurrecht boven het evangelie. Daarmee zinspeelde hij op de ideeën van de Groningse hoogleraar staats-, natuur- en volkenrecht, Frederik Adolf van der Marck (1719-1800). In de polemiek die hierdoor ontstond, waar orthodoxie stond tegenover tolerantie, lieten ook de leerlingen van Van der Marck zich niet onbetuigd. Op verzoek van een aantal theologiestudenten gaf Van der Marck een aantal colleges over natuurrecht en de christelijke zedekunde.
In de nrs. 5 en 6 wordt de stelling verdedigd dat vrouwen heel goed in staat zijn om aan filosofische dan wel theologische debatten deel te nemen. Hiermee wordt gerefereerd aan de reacties op de Groningse dichteres Anna van der Horst (1735-1785) die zich in het debat met haar Lievde van Jezus en zyne heilgezanten (1770) tegen Brunsveld de Blau had gekeerd (vgl. nr. 2, p. 14). Hiermee had ze felle kritiek geoogst, mede omdat men van oRthodoxe zijde vond dat vrouwen zich van theologische discussies afzijdig dienden te houden.

Relatie tot andere periodieken
Een reactie op de Chimist der Zotheden is te vinden in de Ontleder van den Chimist der Zotheden (1770).
De tekst van de nrs. 1-5 is integraal afgedrukt in de Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, nr. 7 (september 1978), p. 62-78.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: PAMFLT 1770 (nrs. 1-6)
Full text

Rietje van Vliet