Compleete Verzameling Van Vyftig Brieven (1773-1774)

Titelbeschrijving
Compleete Verzameling Van Vyftig Brieven, Van Een Rotterdamsch Heer, over het Speelen Van de aldaar zynde Acteurs en Actrices. Aanvang genoomen hebbende op den 26ste May des Jaars 1773, en geëindigt zynde den 14de May 1774 Geevende dit Werk. Eene volkomene Beschryving van den aart, eigenschap, inhoud en uitvoer veeler fraaiste en deftigste Tooneelspellen, Vertooningen, Baletten en mindere Danssen, met de Dagen en Datums waar op, en hoe dezelve geëxcuteert zyn geworden, geduurende de gemelde tyd tot deze eerste sluiting toe. Benevens de Nodige en Gepaste Aanmerkingen, over de Toneelstukken in ’t byzonder, en de Vrymoedige Beoordeelingen, over het Speelen der Acteurs en Actrices.

Periodiciteit
De eerste wekelijkse maandagse brief is gedateerd 27 mei 1773, de laatste 18 mei 1774. Deze datering zal nauwelijks verschillen van de feitelijke datum van verschijning.
Aan het einde van nr. 50 (p. 396) wordt aangekondigd dat op 30 mei het voorwerk zal verschijnen, met titelpagina, voorrede, en ‘naauwkeurige Register, van alle de te Rotterdam of naby die Stad vertoonde Toneelspellen, inhoudende de dagen en datums waar op dezelve zyn vertoont’. In dat register wordt vermeld dat men nu wacht op de opening van het nieuwe seizoen, in augustus: mogelijk wijst dit op de bedoeling met het blad voort te gaan.

Bibliografische beschrijving
Het gehele werk bevat XII + 396 bladzijden in octavo. Het titelblok van elke aflevering begint telkens als, bijvoorbeeld, ‘IIde Brief van [enz.] over…’, waarna volgen: onderwerp (besproken toneelstuk of -stukken), opvoeringsdatum van dat stuk, en andere informatie rond het behandelde toneelspel. Elke aflevering telt acht pagina’s. Soms is er wat ruimte over, die dan besteed wordt om het fonds van de uitgever te adverteren.

Boekhistorische gegevens
De titelpagina meldt: ‘Gedrukt voor den auteur’. De colofon van nr. 1 luidt:

Deze zyn in het vervolg alle Maandagen te bekoomen a 2 St. in Schiedam by L. Schmit, Dord van Braam, Rott. Eberdt, Bothal en de Visschen, ’s Hage van Drecht en du Mee, Lyden de Does en Heiligerd, Amst. By de meeste Boekverkoopers.

Later komen hier nog bij: Gillissen en Bohemer, te Middelburg. De advertentie in de Leydse Courant van 18 maart 1774 noemt ‘Demter, Boekelaar en Knuem te Amst.; de Vissen, Botthal en Ebert te Rott.; van Drecht en du Mee in ’s Hage; de Does en Heyligert te Leyden; en de Waal te Utr.’, waar de nrs. 1-40 (voor ƒ 4) alsmede de zojuist verschenen nrs. 41 en 42 te koop zijn.

Medewerkers
Het blad wordt tegenwoordig toegeschreven aan de remonstrantse predikant Abraham MAAS (1726-1804), die ook zelf toneelstukken schreef en vertaalde. Dat auteurschap is tot nu toe niet bewijsbaar. Wel is zeker dat Maas een relatie had met het Rotterdams toneel, waarvoor hij bij de opening in 1773 een gelegenheidsgedicht schreef.

Inhoud
Het blad verslaat de stukken die door het gezelschap van Jan Punt (1711-1779) gespeeld zijn nadat het na de brand van de Amsterdamse schouwburg in 1772 naar het Rotterdamse vertrokken was.
In elke aflevering komen de stukken, naspelen en balletten van de afgelopen dagen aan de orde. Het blijft bij een vrij zakelijk verslag over wie welke rollen speelt, welke kleding en decors gebruikt worden, welke stukken bijval krijgen. Zo er van kritiek sprake is, moet die gedestilleerd worden uit passages als ‘De KAREL door Monsr. van Marle vertoont, was zeer goed, doch voor JAN DE ROLDER, was hy losser in zyn rol’ (p. 29).
In zijn voorrede zegt de auteur zo spoedig mogelijk met zijn blad te zijn begonnen na de overkomst van het gezelschap van Punt, omdat hij een onwelwillender begeleiding wilde voor zijn. Dat is hem, naar zijn mening, gelukt. In de tekst van de Brieven blijkt hij desondanks nog vaak (bijvoorbeeld p. 142-144) in discussie met kritische geesten, bijvoorbeeld die van de Rotterdamsche Klik-Spaan (1773).

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1087 C 38
Full text

Literatuur
B. Albach, Jan Punt en Marten Corver. Nederlandsch tooneelleven in de 18e eeuw (Amsterdam 1946), p. 155-160.

André Hanou