Delfsche Courant (1721-1793)

Titelbeschrijving
¶ Delfsche Courant (1721-1732)
¶ Hollantsche Historische Courant (1733-1788), of Hollandsche Historische Courant
¶ Delfsche Courant (1788-1793)
Er verschenen ook extraordinaire kranten, bijvoegsels en na-couranten.

Periodiciteit
¶ De Delfsche Courant verscheen van 3 maart 1721 tot eind 1732. De krant verscheen driemaal per week; de titel bevat steeds een andere dagaanduiding. De verschijningsdagen waren dinsdag, donderdag en zaterdag.
¶ Op 3 januari 1733 werd de krant voortgezet als de Hollandsche Historische Courant. De verschijningsfrequentie bleef gelijk. Sautijn Kluit (1872) noemt diverse klachten waarvoor de achtereenvolgende courantiers door de Delftse burgemeesters op het matje werden geroepen. De meeste klachten dateren van na 1775. Uit de reactie van de Delftse vroedschap op al deze affaires blijkt volgens Sautijn Kluit (1872) dat de krant werd aangemerkt ‘als een onder het onmiddellijk toezicht van Burgemeesteren van Delft verschijnend blad’. Tot een verbod is het echter nooit gekomen.
¶ Na de inval van de Pruisen en het herstel van Oranje in 1787 moest de courantier de benen nemen. Tijdens zijn verblijf in Antwerpen/Brussel/Noord-Frankrijk, van september 1787 t/m begin april 1788, is de krant niet verschenen.
¶ Op 8 april 1788 verscheen de Hollandsche Historische Courant opnieuw, maar de bewuste aflevering werd direct in beslag genomen. Ruim een maand moest Delft het zonder krant stellen.
¶ Nadat er een nieuwe courantier was gevonden, bracht deze de krant van 24 mei 1788 t/m maart 1793 uit onder de naam Delfsche Courant. De frequentie wisselde van drie- tot vijfmaal per week. Het waren vermoedelijk de financiën die de courantier deden besluiten er het bijltje bij neer te gooien.
¶ Vanaf maart 1793 verscheen er gedurende tien jaar geen Delftse krant. Pas in 1803 kreeg Delft weer een eigen krant: de Binnenlandsche Bataafsche, nu Delftsche Courant (1803-1804). 

Bibliografische beschrijving
Gedurende de hele verschijningsperiode bestaat de krant uit twee of meer bladzijden half folioformaat, in twee kolommen opgemaakt, met advertenties onderaan en/of in de marge. 
Het titelblok van de Hollantsche Historische Courant bevat het jaartal en afleveringsnummer, aan weerszijden van het titelvignet de titel, de verschijningsdag en de datum. Het titelvignet is het wapen van Holland.

Bij de wisseling van courantier in 1775 bleef de vormgeving van de krant dezelfde, al is het wapen enigszins gewijzigd.

De Delfsche Courant heeft vanaf 1788 als titelvignet het wapen van Delft tussen twee druipstaartende leeuwen. Sautijn Kluit (1872) noemt ook ‘gewone leeuwen’, in latere vignetten.

Boekhistorische gegevens
Bakkerszoon Reinier Boitet was gedurende zijn hele leven werkzaam in Delft. Hij was uitgever-boekverkoper en had ook een eigen drukkerij. Deze was gevestigd op Wijnhaven 11-12 (De Draeck). Vanaf 1737 was hij stadsdrukker.
Eind 1718 hebben de burgemeesters ingestemd met het verzoek van Boitet om in Delft een Franse krant te mogen drukken. Vanaf 3 maart 1721 bracht hij bovendien de Delfsche Dinsdagsche Courant uit (resp. Delfsche Donderdagsche Courant en Delfsche Zaturdagsche Courant). 
Vermoedelijk liet hij deze aanvankelijk in zijn eigen drukkerij vervaardigen, maar vanaf 1722 besteedde hij het drukwerk uit aan zijn latere schoonzoon Johannes Luïscius van Essen (1727-1780), wiens drukkerij gevestigd was op de Oude Delft (bij de Oude Kerk). Van Essen trad in 1745 voor de tweede maal in het huwelijk, deze keer met Alida Boitet (†1747). 
Met ingang van 26 november 1750 – de titel luidde toen al enkele jaren Hollantsche Historische Courant – wordt in de colofon zowel de naam van Boitet als die van Van Essen genoemd: ‘Te Delft by R. Boitet en J.L. van Essen’. De burgemeesters hadden de voorgenomen overdracht een dag tevoren toegestaan. Het is niet exact bekend wanneer Van Essen er daadwerkelijk als courantier alleen voor stond. Dat moet omstreeks januari 1758 zijn geweest, aangezien Boitet op 5 januari 1758 werd begraven in de Nieuwe Kerk te Delft. Het adres luidt dan ‘Te Delft gedrukt by J.L. van Essen’.
Op 3 juni 1775 vergaderden de burgemeesters over de vraag of de krant voor eigen rekening zou moeten worden uitgegeven, dan wel de uitgave van de krant in handen te stellen van een particulier ondernemer tegen betaling van een jaarlijkse recognitie. Ze besloten tot het laatste. Dit moet met instemming zijn geweest van Van Essen en Wybo Fijnje. Van Essen had toen namelijk het pand aan de Wijnhaven, de drukkerij en de uitgaverechten verkocht aan Fijnje, voormalig doopsgezind predikant uit Deventer die zich steeds meer zou manifesteren als politiek activist. De bedoeling was, aldus Van Essen in de krant van 9 juni 1775, dat Fijnje ook de krant zou overnemen.
Vanaf 1 juli 1775 zette Fijnje de krant voort tegen een recognitie van ƒ 500 per jaar. De colofon luidt: ‘Te Delft, door Wybo Fynje, op de Wyn-Haven’. Voor het plaatsen van advertenties had hij in diverse plaatsen contactpersonen, zoals ene Gerrit van der Weyde, ‘Correspondent van de Delfsche Courant, op de Korte Houtmarkt’. In november 1775 trouwde de courantier overigens met Emilie Luzac. Zij was de zus van de latere patriot Jean (Johannes) Luzac, die in 1783 het courantierschap van de Gazette de Leyde zou overnemen.
Fijnje ontwikkelde zich in de jaren tachtig tot strijdbaar patriot en werd actief in de lokale en later landelijke politiek. In mei 1786 kocht hij het kapitale pand Oude Delft 73 en liet de achterzijde van het huis inrichten voor de drukkerij. Vanaf 2 januari 1787 luidt de colofon: ‘Te Delft, door Wybo Fynje, op de Oude Delft’. Na de inval van de Pruisen moest hij op 19 september 1787 de stad verlaten. De drukkerij werd tegen vernielingen door woedende orangisten bewaakt door ene Bartholomeus (Bartholomé) en Johannes Bolkestein (1756-1819), twee trouwe meesterknechts van Fijnje, die van hun baas opdrachten kregen uit Brussel. Voorlopig hield de krant op te bestaan.
Omdat Fijnje indertijd geen gebruik had gemaakt van het hem toegekende ‘voordeel’ om zijn recht op de courant aan derden over te doen, en omdat hij de krant in diskrediet had gebracht, beschouwden de burgemeesters zijn rechten op de krant als vervallen. Veiligheidshalve besloten ze op 16 oktober 1787 de krant een nieuwe naam te geven: Delfsche Courant. Intussen deed zwager Jean Luzac verwoede pogingen het recht op uitgave van de krant voor Fijnje te behouden. Nadat dit mislukte, voerde hij de regie over de verkoop van gebouw, drukkerij en toebehoren. De vraagprijs was ƒ 10.000 voor de rechten, wat volgens Sautijn Kluit (1872) niet veel was omdat de krant in 1787 jaarlijks ƒ 12 à ƒ 13.000 opleverde. 
Op 8 april 1788 liet Fijnje zich bij monde van Luzac weer van zich horen. Op die dag verscheen de Hollandsche Historische Courant opnieuw, zo melden de Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken van april 1788 (p. 584-585):

De uitgave zo binnen de Provincien onzer Republiek als daar buiten, blyft by dezelve Boekverkopers of Uitgevers, of aan de zelfde Post-Comptoiren als die voorheen is geweest. Brieven, deze Courant, of de plaatzing van Advertentien in dezelve betreffende, verzoekt men te addresseeren aan Cornelis van Hogeveen Junior, jegenswoordig ter Drukkery der Hollandsche Historische Courant te Delft.

De colofon luidt ‘ter Drukkerye van de Hollandsche Historische Courant, op het Oude Delft bij de Rotterdamsche Poort’. De bewuste aflevering werd echter onmiddellijk bij de wederverkopers opgehaald en in beslag genomen. Intussen mengde ook Jean Luzac zich in de zaak door via een notaris een bewijsstuk over te leggen betreffende de overdracht van de uitgaverechten van Wybo Fijnje aan zijn zoon Jean Etienne Fijnje (1777-1866). Deze had ook de achterstallige recognities aan de Delftse vroedschap betaald. De pogingen van Fijnje en zijn zwager liepen echter op niets uit. 
Op 22 mei 1788 werd Mr. Albertus Ploos van Amstel Jansz. door de Delftse burgemeesters aangesteld als courantier. In verband met de rechten die Fijnje mogelijkerwijs nog kon doen gelden op de Hollandsche Historische Courant, moest Ploos van Amstel zijn krant een andere titel geven. Dat werd: de Delfsche Courant. De concessie duurde 12 jaar. Het jaarlijkse recognitiegeld bedroeg voor de eerste vier jaar ƒ 750, voor de tweede periode ƒ 1000 en voor de derde periode ƒ 1500. De courantier was bovendien verplicht om alle berichten van de burgemeesters gratis in de krant op te nemen. Op zaterdag 24 mei 1788 verscheen nr. 1 van de Delfsche Courant
In de colofon was spoedig daarna te lezen, aldus de Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken van mei 1788 (p. 778): ‘Te Delft door Mr. A. Ploos van Amstel, J.Z. en wordt uitgegeven by J. de Groot P.Z. Stads Drukker, en verder alom’. Stadsdrukker en boekverkoper Jan de Groot zorgde voor de verkoop, de distributie en voor de inning van de verkooprevenuën. Dit laatste was ook het geval met de Gazette de Delft (1788), eveneens van Albertus Ploos van Amstel Jansz. en gedistribueerd door Jan de Groot P.Z. 
Op 17 maart 1789 stemden de burgemeesters in met een concessiewijziging: het recht op uitgave van de Delfsche Courant was niet meer alleen voorbehouden aan Ploos van Amstel, maar ook aan zijn compagnon Mr. Johan Dominicus. Omdat het recognitiegeld niet was betaald – kon de courantier niet met geld omgaan of was de krant niet rendabel? – werd op 13 oktober 1789 bepaald dat Dominicus het achterstallig bedrag in maandelijkse termijnen zou voldoen.
De aflevering van 2 februari 1790 heeft als colofon: ‘Te Delft ter Courant-Drukkerye op de Turfmarkt’. Op 30 juni 1791 besloot Dominicus de handen van het krantenbedrijf af te trekken. Ploos van Amstel zag pas op 20 maart 1793 af van het octrooi; op 28 maart 1793 besloot Delft alle betrekkingen met hem te verbreken. Daarna was er wederom een einde gekomen aan de krant.

Op 21 oktober 1794 diende zich een kandidaat-courantier aan bij de burgemeesters: Jan Hendrik van Damme, voormalig compagnon van de Leidse boekverkoper Elie Luzac. Van Damme kreeg het octrooi per 1 januari 1795, maar het is de vraag of hij daadwerkelijk als courantier aan de slag is gegaan aangezien hij in Leiden grote schulden had. Er zijn in ieder geval geen exemplaren met zijn naam bewaard gebleven. De Delfsche Courant is na maart 1793 niet meer verschenen. 

Intekenprijs per jaar: ƒ 6 (vanaf 1 januari 1778). 

Medewerkers
Vermoedelijk was Reinier BOITET (1691-1758) ook redacteur van de krant. Het is niet bekend of hij andere schrijvers in dienst had. Hij heeft als schrijver enkele gelegenheidsgedichten en zelfstandige werken op zijn naam staan. 
Wybo FIJNJE (1750-1809) nam ten tijde van zijn courantierschap eveneens de pen ter hand. Van hem werd in de Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken van 1787 gezegd dat hij ‘buiten twyffel een man van vernuft en kennis was, maar in deze tyden door drift zo verre was vervoerd geworden, dat hy zig met de alleronbeschaafdste Dagschryvers had gelyk gesteld’ (p. 4243).
De zwager van Fijnje, Jean (Johannes) LUZAC (1746-1807), schreef onder het pseudoniem Attica in de Hollandsche Historische Courant. Van de voormalige Diemer predikant en broodschrijver Bernardus BOSCH (1746-1803), is eveneens bekend dat hij bijdragen leverde. Wanneer dat was, is niet bekend: in de biografie die opgenomen is in het Magazijn van Algemeen Belang (januari 1808, p. 9), was hij betrokken bij de ‘Delfsche Courant‘. 
Ook van Gerrit PAAPE (1752-1803), woonachtig in Delft en ooit ‘beschermeling’ van Fijnje, verschenen bijdragen in de Hollandsche Historische Courant. Altena (2012) noemt de jaren 1782 en 1783 waarin de broodschrijver enkele vaderlandslievende en anti-Engelse gedichten publiceerde. Op 29 juni 1785 waarschuwde Luzac zijn zwager ‘tegens het plaatsen der enthousiastische Artikels, die van Paape c.s. afkomstig zijn, en waarin nu en dan stellingen en uitdrukkingen gevonden wierden, die ik niet kan goedkeuren’. 
Albertus PLOOS VAN AMSTEL Jansz. (1739-1799) was vanaf 1788 niet alleen korte tijd courantier, maar heeft ook als redacteur bijdragen geleverd. Hij was een aan lager wal geraakte advocaat uit Den Haag. De Beknopte levensbeschryving van den alom vermaarden en door eerlyken Mr. Albs. Ploos van Amstel Jz. (1783) beschrijft hoezeer hij op grote voet leefde en er een losbandig leven op nahield. Hij belandde in Vianen. Uiteindelijk werd hij in 1796, aldus Sautijn Kluit (1872), ‘wegens zijne verkleefdheid aan de toen onderliggende Oranje-partij, veroordeeld tot geeseling op ’t schavot, 12 jaren confinement in het werkhuis, en verder eeuwigdurend bannissement’. 
De compagnon van Ploos, Johan DOMINICUS, was als advocaat in Den Haag gevestigd. Ook hij moet bijdragen aan de krant hebben geleverd. Hij is identiek aan de Johannes Dominicus Jacz. uit Goes die in 1744 in Utrecht promoveerde op Dissertatio juridica inauguralis de quæstionibus sive de tortura reorum en zich op 28 juli 1744 als advocaat inschreef bij het Hof van Holland.

Inhoud
Tijdens het courantierschap van Fijnje ontwikkelde de Hollandsche Historische Courant zich tot een radicaal-patriotse krant. De redacteur van de Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken schreef in augustus 1787 over de verbitterde partijzucht van sommige patriotten. Fynje was in zijn ogen ‘buiten twyffel een man van vernuft en kennis’, maar hij was ‘door drift zo verre vervoerd […] geworden, dat hy zig met de alleronbeschaafdste Dagschryvers had gelyk gesteld’ (p. 4243).
Dit was voor de eigentijdse lezers goed te merken. De Hollandsche Historische Courant staat dan ook bekend als een felle patriotse krant. De latere Delfsche Courant (1788-1793) daarentegen was stadhoudersgezind.

Relatie tot andere periodieken
Jacob Campo Weyerman was weinig te spreken over de Hollandsche Historische Courant. Hij schrijft over de Delftse courantier in nr. 1 van zijn Kluyzenaar in een Vrolyk Humeur (1733) dat deze ‘waarlyk een ongeneeslyke beroerdheyt [heeft] in zyn loome styl en traage pen’ (p. 8). Hiermee reageert Weyerman op de berichtgeving in de Hollandsche Historische Courant over de door Weyerman verfoeide alchemist en oplichter, de baron van Syberg. In nr. 6 van de Kluyzenaar haalt hij nogmaals uit naar de Delftse krant:

Doch dewyl den schryver van de Delfsche Historiesche kourant, die waardige opvolger van Jan van Gyzen, meestentyds kakelt gelyk als een oud wyf in een ylende koorts, is ’t geen wonder indien hy de veders in plaats van den bout, de schelp in stee van de visch, en een Lingens roman vertellingje, in plaats van de bekende waarheyt, komt op te disschen. (p. 32)

Ook in nr. 5 van zijn Naakte Waarheyt (15 mei 1737) schrijft Weyerman over de belabberde schrijfstijl van de ‘Delfsche Historiesche Koerant’: ‘zo smaakeloos als een Noordhollands dischgerecht van gestoofde lebaal met kookrozynen’ (p. 29).
In nr. 19 van het Vrydags Burger Gesprek (1786) staat een verontwaardigde brief afgedrukt, gericht aan ‘den Schryver van de Historische Courant’, naar aanleiding van een bericht over een bezoek van de stadhouder aan Middelburg. 
In hoeverre de Gazette de Delft (1788) een vertaling is van de Delfsche Courant, beide onder courantierschap van Ploos van Amstel, is niet bekend.
Na het einde van de Delfsche Courant in 1793 kwam Wybo Fijnje weer in beeld na de staatsgreep van de unitariërs (22 januari 1798). Hij had bemoeienis met de Binnenlandsche Bataafsche Courant (1798-1803), die hierdoor in zekere zin gezien kan worden als opvolger van de Delfsche Courant die in 1793 ter ziele is gegaan. De Binnenlandsche Bataafsche Courant werd echter in Den Haag gedrukt en uitgegeven. Niet duidelijk is waaruit Fijnjes betrokkenheid bestond, noch hoelang die voortduurde. Zijn politieke rol was uitgespeeld na beschuldigingen van financiële malversaties en de staatsgreep van 12 juni 1798. Eind augustus werd Fijnje, als lid van het afgezette Uitvoerend Bewind, in de Gevangenpoort te Den Haag opgesloten. Na zijn vrijlating hield hij zich lange tijd ver van krant en politiek.
De verhuizing van de drukkerij terug naar Delft was aanleiding om de titel te wijzigen in Binnenlandsche Bataafsche, nu Delftsche Courant (1803-1804): de ‘echte’ opvolger van de Delfsche Courant. Deze nieuwe krant werd op haar beurt opgevolgd door de Delfsche Courant, of Delftsche Courant (1804-1811) en de tweetalige Gazette de Delft / Delftsche Courant (1811). 
Daarna moest Delft het 30 jaar zonder eigen krant doen. De eerste opvolgers zijn de Delftsche Courant en Algemeen Nieuws- en Advertentieblad (1841-1742) en het Weekblad van de Stad Delft (1841). Dit laatste blad werd niet veel later omgedoopt tot Weekblad der Stad Delft (1842) en nadien tot Delftsch Weekblad (1843-1845)In 1846 kreeg het blad de titel Delftsche Courant. In 2005 ging de Delftsche Courant op in het nieuwgevormde AD Haagsche Courant.

Exemplaren
¶ Delft, Stadsarchief: sign. 0018161 (1721), 0030340 (1788)
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 1615 D 26, 1608 B 3, 490 A 9-16 (enkele jaargangen)
¶ Haarlem, Noordhollands Archief: collectie Oude boekerij van de Stichting Bibliotheek Zuid-Kennemerland te Haarlem, sign. 43 A 6:5 (2 nrs. uit 1786)
¶ Amsterdam, Internationaal Instituut voor sociale Geschiedenis (IISG): PM 164 (3 nrs. uit 1721 en 1722) en PM 2470 (diverse nrs. uit 1788, 1789 en 1790)
¶ Den Haag, Nationaal Archief, collectie Dumont Pigalle (vlgs. Kroes-Ligtenberg)
¶ Antwerpen, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience: sign. 813726 (1 nr. uit 1771)
¶ Full text Hollandsche Historische Courant 1735-1787

Bronnen
¶ Delft, Stadsarchief: Oud Archief stadsbestuur Delft, 1e afd, inv. nr. 1037 (Akte van transport door Mr J. Dominicus, courantier, aan de stad van zijn drukkerij) en 1038 (Akte waarbij Dominicus verklaart aan Delft alle gelden over te geven, die Jan de Groot voor hem als courantier der Delftsche couranten ontvangt, met verklaring van De Groot, dat hij alle gelden, die hij ontvangt voor Mr Dominicus, aan Delft zal overdragen)
¶ Delft, Stadsarchief: toegang 598, inv. nr. 1192 (Afschrift besluit stadsbestuur tot verlening van een vergunning aan Wybo Fijnje tot uitgave van de Hollandsche Historische Courant van 1775)
¶ Delft, Stadsarchief: archief van de secretarie, inv. nr. 1828 (Overeenkomst met Albertus Ploos van Amstel tot het uitgeven en drukken van de ‘Delfsche Courant’; met bijlagen 1775-1788); inv. nr. 1829 (Notariële akte waarbij Ploos van Amstel afstand doet van de hem verleende vergunning tot het uitgeven van de ‘Delfsche, Hollandsche en Fransche Courant’, 1793); inv. nr. 1830 (Stukken betreffende de onderhandelingen met Wybo Fijnje over de heruitgave van de ‘Hollandsche Historische Courant’, 1803; met bijlagen 1775-1803)
¶ Bericht wegens de gesteltenisse der hooge vergaderingen en collegien, in ’s Gravenhage […] voor het jaar 1783 (Den Haag 1783), p. 148.

Literatuur
¶ P.C. Visser, ‘Oude Delft 73. Bakermat Delftsche Courant’, op: website Achter de gevels van Delft (2019) 
¶ Peter Altena, Gerrit Paape (1752-1803). Levens en werken (Nijmegen 2012), p. 159-191
¶ Rietje van Vliet (red.), SYBERG. De Zoetermeerse alchemist (Zoeterwoude 2010), p. 96-115 (met reprint Syberg-artikelen uit de Hollantsche Historische Courant 8 t/m 27 januari 1733)
¶ Rietje van Vliet, Elie Luzac (1721-1796). Boekverkoper van de Verlichting (Nijmegen 2005), p. 441-442
¶ Emilie Fijnje-Luzac, Myne Beslommerde Boedel. Brieven in ballingschap 1787-1788, ed. Jacques J.M. Baartmans (Nijmegen 2003)
¶ C.D. Goudappel, E.J. Marico, H.K. Nagtegaal en D. Wijbenga, Genealogische en historische encyclopedie van Delft, deel 1 (Delft 1984), p. 41, 42
¶ P.C. Visser, Delft. Bladzijden uit zijn geschiedenis (Delft 1969), p. 145-148
¶ Chr. Kroes-Ligtenberg, Dr Wybo Fijnje (1750-1909). Belevenissen van een journalist in de patriottentijd (Assen 1957)
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘De Staats-courant vóór 1814’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde(Leiden 1881), p. 1-86
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘Delfsche couranten’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (Leiden 1872), p. 25-88

Rietje van Vliet