Echo des Weerelds (1725-1727)

Titelbeschrijving
Den Echo des Weerelds, door Jakob Campo Weyerman; Ernstig en Vermaakelyk, In Onrym en in Rym. 

Periodiciteit
Het maandagse weekblad werd gepubliceerd van 29 oktober 1725 t/m 13 oktober 1727. De twee jaargangen bestaan elk uit 52 nrs. en werden gebundeld in 1726 resp. 1727.
Het blad werd beëindigd omdat het masker van de Echo vermoedelijk wat sleets begon te worden. In zijn laatste aflevering schrijft Weyerman:

          De Smaak is al een mislyk [=grillig] ding;
En schoon de Dames protesteeren,
          Myn Zinspreuk is, Verandering.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in kwarto. Alle afleveringen hebben in het titelblok een vierkante houtsnede met daarin de verkorte titel van het blad. Afgebeeld is de praatzieke nimf Echo in een spelonk; aan haar voeteneind een putto. Rechtsboven staat het volgnummer, onder de houtsnede staan dag en datum. Daarna volgt een citaat. De tekst zelf begint met een begininitiaal.

Deel 1 bevat 416 pagina’s, excl. de titelpagina en ‘Opdragt aan de Nederlandsche dichters’ (6 pagina’s); deel 2 bevat eveneens 416 pagina’s, excl. titelpagina en de opdracht ‘Aan de Borger Overhêden Van de Stad Abdera’ (=Breda) (6 pagina’s).

Boekhistorische gegevens
Impressum titelpagina: ‘Te Amsterdam, gedrukt voor den Auteur, en zyn te bekomen by Hendrik Bosch, Boekverkooper over ’t Meysjes Weeshuys’.
De colofon van de afzonderlijke afleveringen varieert: nu eens wordt er geen enkele naam genoemd, andere keren alleen die van Hendrik Bosch. Het colofon van nr. 1 (1726) heeft een lange reeks boekverkopers:

Gedrukt voor den Auteur, en wort uitgegeven te Amsterdam by Hendrik Bosch: Hage, L. Berkeskos: Dort, J. van Braam: Leiden, de Janssoons van der Aa: Delft, R. Boitet: Haarlem, M. van Lee: Gouda, J. vander Kloes: Alkmaar, J. van Beyeren: Hoorn, R. Beukelman: Middelburg, Schryver: Leeuwarden, J. Tyssen: Groningen, Radys: Nimwegen, A. van de Velouw: ’s Hertogenbosch, Voster: Deventer, J. van Wyk: Aernhem, W. Voster: Uytregt, Besseling.

Moderne editie van feuilleton uit de Echo: Jacob Campo Weyerman, Opkomst en val van een koffiehuisnichtje, 4e druk, ed. A. Hanou (Leiden 2001).

Medewerkers
Hoewel broodschrijver Jacob Campo WEYERMAN (1677-1747) zich pas expliciet bekend maakte op de titelpagina van de eerste jaargang, die na afloop was vervaardigd, wisten zijn lezers al bij nr. 1 dat hij er de auteur van was. In deel 1, nr. 1 (hierna: nr. I-1) verklapt Weyerman dat de Echo de opvolger is van zijn Ontleeder der Gebreeken (1723-1726). Bovendien wijzen de vele advertenties voor andere publicaties van Weyerman duidelijk op zijn betrokkenheid. De naam ‘Campo’ wordt in diverse afleveringen genoemd.
Weyerman sprak dankzij zijn Schotse moeder goed Engels en bezocht Engeland dan ook meer dan eens. De verwijzingen naar Engelse locaties en Engelse personen kunnen zijn voortgekomen uit eigen waarnemingen, maar ook is mogelijk dat het vertalingen uit Engelstalige bronnen betreffen.
Wanneer Weyerman met de Echo begint, woont hij in een optrekje in het centrum van Breukelen. Later ruilt hij het in voor hofstede Meer en Hoef, bij Abcoude, waar ook Anna Bruynsteen, weduwe Jacob Perstalozzi woonde (of: had gewoond). Later zou hij deze ‘Bataafsche Koriska’ chanteren onder dreiging dat hij een boekje ging opendoen over haar levenswandel. Toen hij in 1739 in Den Haag werd berecht, werden hem onder meer deze chantagepraktijken voor de voeten geworpen.

Inhoud
De titelpagina laat zien wat de lezer kon verwachten: ernstig en vermaakelyk, in onrym en in rym’. De Echo is dan ook een satirisch tijdschrift, al bevat het blad ook serieus bedoelde, reflectieve elementen. Maar altijd staan die ten dienste van de moraal. Vandaar ook het motto op de titelpagina: ‘Omne in praecipiti vitium stetit. Juven. Satira. I‘ (vert. Aan elke ondeugd komt een eind. Juvenalis Satyrae I).
Weyerman maakt gebruik van diverse literaire vormen: sprookjes, fabels, anekdoten, gedichtjes, airtjes, karakterbeschrijvingen (‘konterfytsels’), toneel, vertogen, samenspraken, feuilletons (koffiehuisnichtje, in de nrs. II-13 t/m 16). Zijn stijl is kleurrijk, exuberant: met veel gedachtesprongen, associaties, woordspelingen en metaforen.
Kenmerkend is ook dat hij voor veel afleveringen te rade is gegaan bij andere, voornamelijk Engelse auteurs. Zo zijn er inmiddels bewerkte vertalingen aangetroffen uit het werk van de schrijvende koffiehuisuitbater Ned Ward (1667-1731), de satiricus Thomas Brown (1662-1704), en de beroemde geleerde Robert Burton (1577-1640). Weyerman blijkt tevens de eerste Nederlandse vertaler te zijn van de erotische brieven van Aristaenetus (nr. II-34). Verder treffen we, net als in de Ontleeder der Gebreeken, vertalingen aan van fabels van Jean de la Fontaine en van Anakreontische gezangen over de liefde.
Met de titel wordt verwezen naar de mythologische bergnimf Echo, die de gewoonte had onophoudelijk te praten. Omdat haar liefde voor Narcissus niet werd beantwoord, aldus het verhaal, trok ze zich in een grot terug. Ze kwijnde weg, waarna alleen haar stem overbleef. Die kon nog slechts de laatste woorden van iemand herhalen. Echo is dus een kletskous, een snapster: een knipoog naar The Tatler, waaruit Weyerman ten behoeve van zijn Rotterdamsche Hermes veel passages had ontleend. Hij had een integrale vertaling van de Tatler in petto, zo blijkt uit de advertenties die Hendrik Bosch in de Echo plaatste voor de Babbelaar/Kakelaar/Snapper (o.a. nr. I-47).
In zijn ‘Opdracht aan de Nederlandsche Dichters’ biedt Weyerman quasi deemoedig de Nederlandse dichters zijn verontschuldigingen aan:

Ik beken, Heeren Poeeten, dat ik meer dan eens, eerst myn zelve, en naderhant myn Leezers heb vervrolykt door uw berymde Schriften, door uw groove Feylen en door uw ongerymde Hekelvaarzen, te hekelen.

Dit was niet om hen persoonlijk te kijk te zetten en mensen hun liefde voor poëzie te ontnemen. Het was bedoeld om kritiek uit te oefenen op de obligate lofdichten waarmee dichters bij hun welgestelde weldoeners in een goed blaadje probeerden te komen. Stop met al die pluimstrijkerige gedichten, zo luidt het advies, en probeer eerst de kunst af te kijken van de grote schrijvers: ‘Begin dan een nieuw Leeven met de Sprookjes van Monsieur de la Fontaine over te zetten uyt het Fransch, in het zuyver Nederduytsch’.
Net als in zijn Ontleeder speelt in de Echo de groene papegaai een rol (nr. I-4) en krijgen personages uit Weyermans privéleven veel aandacht. Deze personages stonden model voor de ondeugden die hij aan de kaak wilde stellen. Reus Kakus komt voorbij, de beruchte Amsterdamse boekverkoper Jacobus Lindenbergh die als kreupele zwendelaar annex huizenspeculant heel wat op zijn kerfstok had (nr. I-15, 32). Ook maakt de lezer kennis met ene Frans Waan­wijs (nr. I-9), achter wie de Amsterdamse muggenziftende toneeldichter Frans Rijk schuilgaat. Verder is er aandacht voor een hoeren­madame, een lichtekooi en een wispelturige rijke weduwe: in het bijzonder madame Therèse (nr. I-42, II-7) respectievelijk Petronella Klara van Espendonk, alias Klara van Dinter (nr. I-20), en de reeds genoemde Anna Bruynsteen (nr. I-35).
In zijn spottende opdracht voor in deel 2, ‘Aan de Borger Overhêden Van de Stad Abdera’, verwijst Weyerman naar een aantal markante inwoners van Breda en ondertekent hij het stuk met ‘Uwe Achtbaarhêdens onvervalschten Waarzegger, DEMOCRITUS ABDERITES’. Hij zinspeelt hier op zijn gedwongen vertrek uit de stad waar hij is opgegroeid. In nr. I-18 neemt hij de lezer mee op een rondleiding door Den Haag, de stad waar hij regelmatig verblijf hield.

Het aantal onderwerpen dat hij aansnijdt, is te veel om op te noemen. Een paar voorbeelden: broodschrijverij van Weyerman zelf (nr. I-1), wellust (nr. I-2, 3, 28, 31), liefde (nr. I-21, 30, 39), huwelijk (nr. I-44; nr. II-23), kwakzalverij, astrologie en alchemie (nr. I-7, 27, 36, 45, 47, 50; nr. II-11, 38, 39), Ludeman (nr. II-48), schilderkunst (nr. I-8, 39), leugens (nr. I-17), een boeken- en kunstveiling (nr. I-18, 24), ‘Beschryving van de Schouwburg der Smoussen’ in de Joden Houttuinen te Amsterdam (nr. I-23), vreugde en verdriet (nr. I-35), dronkenschap (nr. II-31, 32), danskunde (nr. II-22), Timoer Lenk, alias Tamerlaine (nr. II-3, 4), jaloezie (nr. II-6), karakter van een auteur (nr. II-9), zwangerschap (nr. II-27), schoonheid van vrouwen (nr. II-28, 29), maîtresses (nr. II-44) en Abdera (nr. II-36).
Er staan ook schildersbiografieën in, zoals hij die later zou verwerken in de Levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen (1729). Ook wordt er met een ‘Talmuds sprookje’ alvast een voorschot genomen op wat later wordt: Den Talmud ofte Overzeldzaame Joodsche Vertellingen (1736).

Relatie tot andere periodieken
Het vorige blad van Weyermans Echo is de Ontleeder der Gebreeken (1723-1726), waarvan hij nr. 1 opende met hetzelfde citaat als het Juvenalis-motto voor de Echo.
Gelijktijdig met de Echo des Weerelds verscheen Weyermans Maandelyksche ’t Zamenspraaken, tusschen de Dooden en de Leevenden (1726) en na het beëindigen van de Echo kwam zijn Doorzigtige Heremyt (1728-1729) uit.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 450 D 4
¶ Full text deel 1 en deel 2

Literatuur
¶ Frans Wetzels, De vrolijke tuchtheer van de Abderieten. Jacob Campo Weyerman (1677-1747) (Amsterdam/Breda 2006)
¶ Lotte C. van de Pol, ‘Jacob Campo Weyerman en de prostitutie van zijn tijd’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 22 (1999), p. 1-11
¶ André Hanou en Karel Bostoen, Geconfineert voor altoos. Het proces Jacob Campo Weyerman (1739) (Leiden 1997)
¶ Brigitte van der Zijde, ‘Gysbert Tyssens (1693-1732). Een broodschrijver in de achttiende eeuw’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 19 (1996), p. 67-73
¶ Adèle Nieuweboer, ‘Een driehoeksverhouding? Anacreon, Ifis en Campo’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 17 (1994), p. 17-25
¶ Jacob Campo Weyerman, Opkomst en val van een koffiehuisnichtje (1727), editie André Hanou (Leiden 1994; 4e dr. 2001)
¶ Peter Altena, ‘Wie was Frans Waanwys’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 10 (1987), p. 13-14
¶ Willem Hendrikx, ‘Weyerman in Abcoude’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 9 (1986), p. 42-48
¶ Willem Hendrikx, ‘De gevluchte Hermes. Bredase elementen in het werk van Jacob Campo Weyerman’, in: Peter Altena, Willem Hendrikx e.a. (red.), Het verlokkend ooft. Proeven over Jacob Campo Weyerman (Amsterdam 1985), p. 76-98
¶ I.H. van Eeghen: ‘Gijsbert Tyssens’ toneelstukken en het bedrog in de achttiende-eeuwse boekhandel’, in: Ondernemende geschiedenis: 22 opstellen geschreven bij het afscheid van Mr. H. van Riel als voorzitter van de Vereniging Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief (’s-Gravenhage 1977).

Rietje van Vliet