Euterpe (1810-1811)

Titelbeschrijving
Euterpe; een Tijdschrift tot bevordering van fraaije kunsten en wetenschappen.

Periodiciteit
De eerste advertentie voor dit blad is teruggevonden in de Courrier d’Amsterdam/Courier van Amsterdam van 23 oktober 1810. Er zijn 2 afleveringen (‘stukken’) verschenen, blijkens de titelpagina’s in 1810 en 1811. De beoogde frequentie is onduidelijk: wellicht een halfjaarlijks blad.
Kruseman (1889) meldt dat er voor de uitgave van Euterpe in 1812 een vergunning is gegeven, een jaar nadat het medialandschap in Nederland – inmiddels onderdeel van het Eerste Franse Keizerrijk – drastisch was gesaneerd en er nauwelijks tijdschriften waren overgebleven. Euterpe was echter van de horizon verdwenen wegens ziekte van een van de redacteuren, zoals wordt gesuggereerd in de opvolger van het blad.
In de recensie in de Boekzaal der Geleerde Wereld van juli 1812 wordt reeds de vrees uitgesproken dat Euterpe geen lang leven zal zijn beschoren omdat nr. 2 erg lang op zich heeft laten wachten. Vuyk (2005) vermoedt dat het debiet te gering was om te kunnen voortbestaan en spreekt in dit verband over het geringe lezerspotentieel voor gespecialiseerde periodieken.

Bibliografische beschrijving
In groot octavo.
De nrs. 1 en 2 bevatten elk french title, titelpagina, voorbericht, inhoudsopgave en 173 resp. 169 pagina’s tekst. 

Boekhistorische gegevens
Impressum: ‘Te Amsterdam, bij Johannes Allart’.
Prijs per aflevering volgens Saakes’ Naamlijst van november 1810 (p. 181) en 1812-1 (p. 294): ƒ 1:10.

Medewerkers
De hoofdredactie werd gevoerd door de predikant en letterkundige Jacobus KANTELAAR (1759-1821) en de letterkundige Matthijs SIEGENBEEK (1774-1854). 
Kantelaar schreef als aanvulling op de Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde (1810) van Jeronimo de Vries de artikelen ‘Berigten omtrent eenige min bekende dichteren der zeventiende eeuw’ (nr. 1) en ‘Berigten omtrent eenige min bekende Nederduitsche Dichters en uittreksels uit dezelve’ (nr. 2). Hij was een van de leidende figuren tijdens de Eerste Nationale Vergadering en werd geroemd om zijn welsprekendheid. Verder was hij samen met Rhijnvis Feith als hoofdredacteur betrokken bij de Bydragen, ter bevordering der Schoone Kunsten en Wetenschappen (1793-1796). Kantelaar leed al jaren aan ‘zeer pijnlijke en nederdrukkende kwalen’, schreef hij bij zijn afscheid als lid van de Tweede Klasse (letterkunde) van het Koninklijk Instituut, dat Lodewijk Napoleon in het leven had geroepen ter stimulering van de wetenschappen. 
Siegenbeek, die voor Euterpe schreef ‘Ilias van Homerus’, ‘Aantekeningen op hetzelve Boek’ (nr. 1) en ‘Over het leven en verdiensten van E. Koolaart, geboren Hoofman’ (nr. 2), was sinds 1797 in Leiden hoogleraar Nederlandse taal en letterkunde en welsprekendheid. Hij was ondanks hun leeftijdsverschil goed met Kantelaar bevriend. Ook Siegenbeek was lid van de Tweede Klasse van het Koninklijk Instituut.
Andere contribuanten zijn de als classicus, wiskundige en jurist opgeleide Robert Hendrik ARNTZENIUS (1777-1823), corresponderend lid der Tweede Klasse. In 1815 zou hij plaatsnemen in de stedelijke raad van Haarlem: het begin van een politieke carrière. Hij schreef voor Euterpe ‘Kenauw Simons Hasselaer’ (nr. 1) en ‘De menschenkennis, bevorderlijk tot volmaking’ (nr. 2). 
Ook de classicus en jurist David Jacob VAN LENNEP (1774-1853) schreef een bijdrage. Van zijn hand is ‘Beschrijving der onderscheidene tijdperken’ (nr. 2). Hij was sinds 1798 hoogleraar klassieke talen aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam en net als Kantelaar en Siegenbeek lid van de Tweede Klasse.
De ‘Theorie der Bijschriften’ (nr. 2) is ‘Getrokken uit een’ brief van J. Lublink de Jongen aan zijnen vriend J. de Vries. De literator LUBLINK de Jonge (1736-1816) was corresponderend lid der Tweede Klasse.

Inhoud
Het doel van dit literair-wetenschappelijke tijdschrift is, aldus het Voorbericht van nr. 1, de ‘bevordering en uitbreiding van fraaije kunsten en wetenschappen’. Dichtkunst en welsprekendheid zijn de twee hoofdonderwerpen.
Het blad draagt bij aan het nationaal identiteitsbesef dat rond 1800 steeds sterker opgeld doet. Er is dan ook vooral vraag naar ‘berigten of verhandelingen, die tot uitbreiding van den roem onzer Vaderlandsche Letterkunde strekken kunnen’. Ook bijdragen ‘tot opheldering onzer moedertaal’ zijn welkom, alsmede artikelen ‘tot volmaking van andere fraaije kunsten’ en ‘geschiedkundige stukken’. Recensies daarentegen zullen niet worden geplaatst, hoogstens van literair werk, maar dan wel onder voorwaarden. Ingezonden dichtstukken zullen zeer spaarzaam een plaats krijgen.
Ook wordt in het voorwoord de titel verklaard. De woorden ‘Bibliotheek, Magazijn’ Mengelwerk’ vinden de redacteuren niet geschikt omdat er al zo veel tijdschriften die in de titel dragen. Daarom hebben ze gekozen voor de zanggodin Euterpe

omdat de beteekenis der Grieksche woorden, uit welke die naam is zamengesteld, ons toescheen, de bedoeling van ons tijdschrift niet kwalijk uit te drukken, als waarin wij, zoo veel mogelijk, het nuttige aan het vermakelijke wenschen te paren.

De afleveringen bestaan uit de volgende romeins genummerde hoofdstukken:

Nr. 1: (I.) Ilias van Homerus; (II.) Aantekeningen op hetzelve Boek; (III.) Berigten omtrent eenige min bekende dichteren der zeventiende eeuw, met name omtrent J. Zevecotius, D. Heinsius, J. Duym, S. Ingen, Ph. Numan, Jer. van der Voort; (IV.) Huwelijkstrouw van Panthea, naar het Grieksch van Xenophon; (V.) Kenauw Simons Hasselaer.
Nr. 2: (I.) Beschrijving der onderscheidene tijdperken, door welke de letteren bij een volk haren gewonen en natuurlijken loop volbrengen, ter nasporing van de algemeene en hoofdoorzaken van derzelver opkomst, bloei en verval; (II.) Berigten omtrent eenige min bekende Nederduitsche Dichters en uittreksels uit dezelve; (III.) Theorie der Bijschriften; (IV.) Over het leven en verdiensten van E. Koolaart, geboren Hoofman; (V.) De menschenkennis, bevorderlijk tot volmaking.

Relatie tot andere periodieken
De redacteuren refereren in het voorwoord van nr. 1 aan het Vaderlandsch Magazijn van Wetenschap, Kunst en Smaak (1800-1812). Dit bevat

wel is waar, van tijd tot tijd voortreffelijke bijdragen; doch het wijduitgestrekte van deszelfs aanleg en bedoeling is natuurlijk oorzaak, dat deze bijdragen [‘ter bevordering en uitbreiding van fraaije kunsten en wetenschappen’] minder talrijk zijn.

Verder wordt Euterpe geplaatst in de reeks Maendelyksche Bydragen ter Opbouw van Neerlands Tael en Dichtkunde (1758-1762), de Nieuwe Bydragen tot opbouw der Vaderlandsche Letterkunde (1763-1767) en de hierboven genoemde Bydragen, ter bevordering der Schoone Kunsten en Wetenschappen (1793-1796).
Nr. 1 van Euterpe werd welwillend besproken in de Algemeene Vaderlandsche Letter-Oefeningen 1811-1 (p. 80-89). De onderwerpen worden in het algemeen ‘zeer belangrijk’ genoemd en de literair-historische bijdragen van Kantelaar ‘lekkernijen’. Het dichtstuk van Arntzenius is een gemiste kans.
De Boekzaal der Geleerde Wereld van juli 1812 (p. 168-172) oordeelt over het geheel genomen ook positief over Euterpe. Wel is de recensent weinig geporteerd van de bijdrage van Lublink de Jonge in nr. 2.
Euterpe werd voortgezet als Museum, of Verzameling van stukken ter bevordering van fraaije kunsten en wetenschappen (1812-1817), dat wegens ziekte van Kantelaar alleen nog geredigeerd werd door Siegenbeek. De twee literatuur-historische bijdragen van Kantelaar hebben later hierin nog een vervolg gekregen. Aan het Museum is in de ENT wegens geringe frequentie geen apart lemma gewijd.

Het tijdschrift Euterpe mag niet worden verward met de ‘Verzameling van Tooneelspelen, met Zang, ook in het Hollandsch, onder den Tytel van EUTERPE’, die reeds in 1807 een aanvang had genomen. J.S. van Esveldt-Holtrop adverteerde hiervoor in de Rotterdamse Courant van 10 december 1808.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 368 E 1
¶ Full text nr. 1 en nr. 2 

Literatuur
¶ Rick Honings, Gijsbert Rutten en Ton van Kalmthout (red.), Language, Literature and the Construction of a Dutch National Identity (1780-1830) (Amsterdam 2018)
¶ Simon Vuyk, Jacob Kantelaar. Veelzijdig verlicht verliezer 1759-1821 (Zwolle 2005), met name p. 160-163
¶ A.C. Kruseman, De Fransche wetten op de Hollandsche drukpers 1806 tot 1814 (Amsterdam 1889), p. 66.

Rietje van Vliet