Examinator (1730-1731)

Titelbeschrijving
De Examinator of de Hollandsche Zeedenmeester, Waar in de Vlekken der Zeeden deezer Eeuw op een Stigtelyke wyze voorgestelt zyn.

Periodiciteit
Het weekblad verscheen van 9 januari 1730 t/m 1 januari 1731 (52 nrs.). De laatste woorden van de auteur doen vermoeden, aldus Buijnsters (1966), dat de auteur zich door de kritiek op zijn blad heeft laten ontmoedigen:

Hier ontvalt den EXAMINATOR zyn Pen, hy begint in zig bedroeft te worden; hy erkent de fout, die hy begaan heeft van in een Land, dat alle volmaaktheeden in zig bevat, een Zeeden Meester te willen zyn. […] Voor ’t overige zo wenscht hy, dat al de plaatsen die naar de stelling van zommige wysgeeren leedig zyn met vernuft moogen aangevult worden; alleen om zig daar van te bedienen wanneer zommige den EXAMINATOR beschuldigen willen dat hy de misbruiken der zeeden al te speciaal behandelt heeft. Zyn Meening en zyn begin is goed geweest maar de vrugt zyner Arbeit in de gemoederen zyner medeburgers zo slegt, dat het hem nu zelf verveelt en verdriet hier nog met weynig woorden bytevoegen dat dit blad de Dood geweest is van de onrype Vrugt des EXAMINATORS.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in kwarto. Het titelblok van iedere aflevering bevat een vignet met een borstbeeld, met lauriertakken gekroond, met aan weerszijden een figuur die de lofbazuin blaast. Ook in het titelblok: de titel, het volgnummer, plaats en verschijningsdatum.
Het voorwerk van de gebundelde afleveringen bevat de titelpagina en een ‘Opdragt aan de Deugd’. Het titelvignet (F. Bleyswyck del. et fecit) op de titelpagina stelt een geleerde in zijn studeervertrek voor, zittend aan zijn schrijftafel. Het motto eronder luidt: ‘Fabricando Fabri Fimus’ (vert. Oefening baart kunst).

Boekhistorische gegevens
Het impressum op de titelpagina: ‘Te Leyden, By Abraham Ambrullaard, Boekverkooper op ’t Rotterdamsche Veer [bij de Waag]’. De colofon van nr. 1 geeft de namen van de verkoopadressen:

Gedrukt en te bekoomen. Te Leyden by, C. Wishoff en J. van Deyster, Amsterd. By S. Schoute, Joh. Ratelbant en G. Bouman, Haarl. Van Lee, Hage de Wed. Boquet en Joh. Van Leeuwen, Delft Boitect, Rott. Willis en Beman, Gouda de Wed. Vander Kloes, Uytrecht Carloys en Croon, Dort. Van Kamen, Zaandam Ketel, Middelburg van Hoeke en Meerkamp, Vlissinge Willegars, en verder in de Steede.

Prijs per aflevering: 2 stuivers (p. 116).
Gezien het geringe aantal uitgaven waarop blijkens de STCN zijn naam vermeld staat, was Abraham Ambrullaart zeker ten tijde van de Examinator een kleine speler in de markt. Sommige afleveringen bevatten advertenties voor zijn fondsuitgaven.

Medewerkers
De schrijver meldt in nr. 1 dat hij geboren is in 1682; in de nrs. 6 en 40 schrijft hij werkzaam te zijn als advocaat. Zelf wilde hij anoniem blijven maar Jacob Campo Weyerman hing in nr. 11 van zijn Kluyzenaar in een Vrolyk Humeur de auteursnaam aan de grote klok: de Examinator is ‘gepent by den taalkundigen advokaat Tenter’ (p. 86).
Bedoeld is Jacobus TENTER (†1732), afkomstig uit Gdansk, afgestudeerd in Utrecht in 1726, advocaat voor het Hof van Holland en Utrecht, gehuwd met Susanna van Westerwijk, woonachtig aanvankelijk in Maarssen en later in Leiden. Hij werd begraven op 10 juli 1732 te Oegstgeest. Dat hij als weekbladschrijver een weinig geoefende hand had, blijkt onder meer uit de nu eens blanco laatste pagina van een aflevering en dan weer uit de uitermate volgepropte pagina’s als gevolg van de grote hoeveelheid tekst waarmee hij kennelijk de letterzetter had opgescheept.
De toeschrijving van het blad aan Weyerman berust op een misverstand.

Inhoud
De schrijver noemt het blad ‘een Moralisch geschrift’. Zelf neemt hij de rol aan van een wijze spectatorfiguur die zijn lezers zedenlessen voorhoudt. Van Rijn (1890) noemt een groot aantal onderwerpen. Zo passeren in de Examinator diverse deugden en ondeugden de revue, variërend van huichelarij, gierigheid, baatzucht, eerzucht, wellust, hoogmoed, echtelijke ontrouw en kaartspelen tot en met matigheid in eten en drinken, liefde, geduld, godsvrucht en nederigheid. Ondeugden worden gepersonifieerd als betweterige schoolmeesters en geleerden, coquettes en petit-maîtres, boemelstudenten, bloemengekken, rariteitenverzamelaars, kwakzalvers, fijnen en astrologische waarzeggers. Ook de Ars Retorica wordt tegen het licht gehouden (nr. 28). In nr. 43 wordt op levendige wijze het genootschappelijk leven van zijn tijd beschreven.
Iedere aflevering begint met een toepasselijk citaat. Het aantal literaire vormen is beperkt. Het zijn voornamelijk (quasi) ingezonden brieven en dichtstukjes, afgewisseld met enkele dromen, anekdotes, een dialoog, maximes en een beschrijving van een nog uit te geven boek. De prozateksten hebben de verhalende vorm, maar blijven doorgaans steken in abstracties. Getuige de vele verwijzingen naar de klassieken en naar Latijnse en Franse bronnen – er zijn zelfs vertalingen uit het Spaans – moet de beoogde doelgroep geletterd zijn geweest. Buijnsters (1966) noemt het goedmoedige ironie waarvan de schrijver zich bedient.
In nr. 29 verweert Tenter zich tegen beschuldigingen dat hij een letterdief zou zijn.

Relatie tot andere periodieken
Nr. 22 eindigt de schrijver met een opmerkelijke reflectie op zijn eigen stijl. Hij verzoekt de lezer hem niet kwalijk te nemen

dat zyn styl zo ernstig, en zo wynig vermoogend is met satyrike invallen en quinkslagen het gemeen te vermaaken; de meening van den Autheur is in ’t kort een zede verbeterend schrift te schryven, dat, is het gelyk maar als een Lamp tegen de Zon te vergelyken by de schriften van den Spectator Guardian, of Hamburger Patriot, doch daar heen tragten zal om het spoor van hun geleerde en wyze schryfaart geopent naartevolgen; deshalven zal my meer Eer zyn, wanneer ik een eenig Perzoon met myn gedagten stigt, als schande, dat ik van duyzend liefhebbers van raillante Bagatelles, of ongebonde losbollen en Windbuilen my zie verscheuren overtuygd zynde dat hen niets behagen kan, alleen, daar de natuur ontbloot van deftige welleventheid en zede door word gevoedt, gekitteld en den gants ruymen teugel gegeven. (p. 176)

Tenters voorbeelden zijn kennelijk het spectatoriale weekblad Der Patriot (1724-1726) en The Spectator (1711) en The Guardian (1713) van Richard Steele c.s. Een van de ‘ongebonde losbollen en Windbuilen’ die het op de Examinator heeft gemunt, is Weyerman. Met name in zijn Vrolyke Tuchtheer maakt hij korte metten met de Examinator, die

eenige dorre schoolmeesters zinspreuken aanhaalt, maar [zich gedraagt als] veele jonge Kapellaanen, die de Oudvaders en Kerkvergaderingen onophoudelyk aanhaalen, niet tot verdediging of stut, maar alleenlyk tot cieraat en schyn, en hy verschuylt zich achter het spinrag van zyn Moralische schanskorven, en vaste Demonstratien, gelyk als den blinde Homeer zyn Goden befloerst met de regenmantels der wolken. (p. 237)

De Tuchtheer-aflevering van 13 maart 1730 is een directe reactie op nr. 8 van de Examinator (27 februari 1730) over kaarten en dobbelen. Weyerman wijdt zelfs een ‘Konterfytsel des Leydschen Examinators’ aan de ‘speeldollen Examinator’ (p. 291-294). Wellicht is het toeval, maar het vignet in het titelblok van de Examinator lijkt erg veel op het vignet dat prijkt op een van de twee bekende titelpagina’s van de Tuchtheer.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: O 63-5242:1 (nrs. 1-23, 25-52).
Full text

Literatuur
¶ P.J. Buijnsters, ‘Voorlopers van Justus van Effen’, in: De Nieuwe Taalgids 59 (1966), p. 145-157
¶ G. van Rijn, De Rotterdamse Librye, nr. 2 (1 juni 1890), p. 9-10.

Rietje van Vliet