Geestelycke Couranten (1625–1626)

Titelbeschrijving
Titel eerste aflevering: Geestelycke Cou(v)ranten Voor dit loopende Quartier-Jaers / Over de swarigheden die ons de voorleden Somer getroffen hebben / ende hoe wy ons daer tegen te dragen hebben dese Winter; beginnende van den 1. Octob. eyndende in den laetsten Decemb. deses jaers 1625. By een gestelt door Willem Teellinck, In zyn leven Dienaer des H. Euangelii binnen Middelburgh, Onder de Naem van Theophilvs Philopatris.
Titel tweede aflevering: Geestelycke Couranten over de swarigheden die ons noch drucken / ende hoe wy ons daer tegen te dragen hebben. Beginnende van den eersten Ianuar, eyndende in den letsten Maerte deses iaers, 1626. By een gestelt door Willem Teellinck dienaer des H. Evangelij tot Middelburgh.

Periodiciteit
De Geestelycke Couranten waren blijkbaar bedoeld als blad dat eenmaal per drie maanden diende te verschijnen. Men kan erover strijden of men het blad wil beschouwen als reeds verschenen in 1625, gezien het verschil in bedoeling (zoals in de titel) en het feitelijk verschijnen volgens het impressum.

Bibliografische beschrijving
Nr. 1 telt VI (titelpagina en ‘Voor-reden tot de Schriftuerlijke Couranten’) en 64 bladzijden. Op p. 63-64 vindt men een register van de inhoud.
Nr. 2 heeft IV (titelpagina, goedkeuring van de faculteit theologie te Franeker, en het register van de inhoud) en 92 bladzijden.

Boekhistorische gegevens
Het impressum op beide titelpagina’s luidt: ‘In ’sGraven-hage, By Aert Meuris, Boekverkooper in de Papestraet in den Bybel, Anno 1626’.

Medewerkers
De auteur Willem TEELLINCK (1579-1629), die in de eerste aflevering nog het pseudoniem Theophilus Philopatris gebruikt, was vanaf 1613 gereformeerd predikant te Middelburg. Hij behoorde tot de puriteins-georiënteerde piëtisten, die de nadruk legden op de verdieping van het persoonlijk godsdienstig leven. In zijn Couranten komt dan ook het begrip ‘vorder reformatie’ voor (wat nadien in de religiegeschiedenis wordt aangeduid met ‘Nadere reformatie’).

Inhoud
In de voorrede van nr. 1 legt de auteur breedvoerig uit hoe hij op het idee kwam van een ‘Schriftuerlijke Courant’. Hij had namelijk op 25 maart 1625 nagedacht over het succes van die wereldlijke couranten, die uit allerlei brieven aan elkaar waren geflanst en die voor het overige natuurlijk instrumenten van satan waren.

My was levendigh in de sin gekomen, hoe besichlijcken men sich in desen lande bemoeyt met de loopende Couranten, daer van een goed deel eerst versiert [verzonnen], dan geschreven, daer nae gedruckt, ende alsoo Weeckelijcx uyt gegeven ende gelesen worden, van veele genaemde Christenen die nochtans niet een Capitel ’s Weeks, in de Schriftuere neerstelijck met aendacht […] lesen. Hier over dachte ick by my selven diepelijck, wat een ydel bedrijf dit was voor ons Christenen […]. Dit dochte my onverdragelijck, ende doet my noch vreesen Gods straffen daer over […].

En dus zou het goed zijn te profiteren van die dorst naar nieuwe tijdingen, maar nu in dienst van het goede. Zie daar een schriftuurlijke courant!
Deze bedoeling hoopt de auteur waar te maken, doordat hij in elke aflevering tien maal een ‘Samenspreking’ geeft, tussen een patriot en een postbode. Deze ontstellend breedsprakige gesprekken zijn geen afzonderlijke ‘nummers’. Zij zijn van verschillende lengte en beginnen midden op een bladzijde, met een kopje, nummeraanduiding en onderwerp.
De onderwerpen zijn doorgaans religieus van aard, zoals ‘Van de kracht des Gebeds’. Zij kunnen ook inspelen op historische gebeurtenissen (indien er tenminste een reformatorisch belang mee gediend is), zoals ‘Hier in wort verhandelt, wat een verschrickelijcke saecke het is, dat wy Breda, verloren hebben niet tegenstaende ons vermeenichtvuldighde Biddagen’.
Nog voor nr. 2 kon verschijnen, bezondigde de verbeuze predikant zich aan een 14 bladzijden tellende Voor-looper tot de nae-volgende tweede geestelijcke covrante (KBH pflt. 3708) waarin hij zijn bedoelingen met dit blad verdedigt.

Relatie tot andere periodieken
Een ‘leste druck’, met beide stukken, ‘op nieuws oversien’ door Theodorus en Johannes Teellinck, verscheen te Utrecht in 1655.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: pflt. 3707 en pflt. 3709
Full text

Literatuur
NNBW deel 5, kolom 890-894.

André Hanou