Geheim Kabinet (1748)

Titelbeschrijving
Het Geheim Kabinet der tegenwoordige en toekomende eeuwe geopent; onder de Zin-spreuk, Ruit hora [vert. Het uur vliegt].

Periodiciteit
Maandagse tweewekelijkse periodiek, dat in beginsel afwisselend geeft: een vertoog over de tegenwoordige, en een vertoog over de toekomende eeuw. In de praktijk is dat niet altijd het geval geweest, blijkens opmerkingen daarover in de teksten. Van de eerste soort vindt men er, in de huidige verzameling, vijf; van de tweede: negen.

Bibliografische beschrijving
Het geheel begint met een voorwerk van II (titel) en 16 pagina’s tekst. Daar vindt men eerst twee voorberichten: een ‘Voorberigt, wegens de vertoogen over de toekomende eeuwe, aen den kristelyken, en godvrugtigen lezer’ (p. 1-4), en een ‘Voorberigt, wegens de vertoogen over de tegenwoordige eeuwe, aen den verstandigen, en deugtzame lezer’ (p. 5-9). Vervolgens: een ‘Lyst van vertogen over de tegenwoordige eeuwe’ (10 items) en een dito lijst over de ‘toekomende eeuwe’ (42 items).
De ‘toekomende vertogen’ zijn alle doorlopend arabisch gepagineerd (1-80); de ‘tegenwoordige’ daarentegen doorlopend latijns (I-CXXXIV). De vertogen beslaan elk 16 bladzijden.
Elk vertoog begint met een short title, en de aanduiding het hoeveelste vertoog uit één van de twee series het betreft. Vier van de negen tegenwoordige vertogen hebben daaronder nog, wanneer dat relevant is, als subaanduiding ‘Eerste [t/m vierde] zamen-spraek tusschen Philarethes, Phileuterias, Phianthropos, Philalethes, Philomusus en Theophilus’.

Boekhistorische gegevens
Titelpagina: ‘Te Amsterdam, By Philippus Doorewaart, Gedrukt voor den Schryver. 1748’.

Medewerkers
Wellicht is de auteur de god- en rechtsgeleerde Laurens DE HAAN, van wie een oranjegedicht is opgenomen aan het einde van het vijfde vertoog. Deze nauwelijks bekende vertaler van velerlei geleerderigheid en religiosa publiceerde eveneens bij Doorewaart..
Het tweede voorbericht meldt dat inzendingen welkom zijn en dat bij opname men ‘daer voor een Kabinet om niet [zal] ontfangen’ (p. 7).

Inhoud
Dit tweelingtijdschrift is in meer dan één opzicht verwarrend. De initiator/auteur, in wiens opdracht dit tijdschrift gedrukt wordt, lijkt nergens zijn focus scherp te krijgen. Dat begint al met zijn opmerkingen over zijn doel, in het tweede voorbericht.

Onze Vertogen over de Tegenwoordige eeuwe zullen tot hun Onderwerp hebben de Kerk, de Regeering, den Onderdaen; over de Toekomende Eeuwe de Gemeente der afgezonderde zielen van hunne liggamen, de Regeringe Gods over de zelven, en haer dus ook, als onderdaenen van dien […] Opperheerscher. (p. 5)

Wat hij feitelijk doet is het volgende. Zijn ‘toekomende’ vertogen bevatten een amalgama van abstracte termen en begrippen, rond allerlei religieuze thema’s en passages, zonder dat een duidelijk betoog of betooglijn zichtbaar wordt. Dit gebeurt overigens niet geheel zonder talent. Men zou haast denken dat het hier een gevangengezette broodschrijver betreft, die zijn water en brood kon of moest verdienen met schrijven over decente onderwerpen; en die maar doorkletst. Typisch bladvulling is dan ook het hierboven genoemde oranjegedicht van Laurens de Haan.

De ‘tegenwoordige’ vertogen vertonen evenmin focus. Het is een mengsel van opmerkingen over Aristoteles, Pythagoras, aanvallen op de Fransen, wat het begrip ‘schep-ping’ betekent. Na toegegeven te hebben dat zijn abstracta zijn lezers tegenstaan, schakelt hij over naar concreter doch zeer divers geredekavel over het welvaren van het gemenebest, de vreugdevuren voor de prins van Oranje, de komst van een Oranje-baby, prostitutie, Franse opschik, kwade gezelschappen, de godloze Voltaire, hernhutters, socinianen en wat al niet.
In een aantal vertogen roep hij daartoe het hulpmiddel in van samenspraken in een gezelschap. Overigens keert hij af en toe terug naar uiteenzettingen over abstracta en theologische themata; alsof hij terugvalt op een sinds lang gereedliggend ouder manuscript.
Niet echt duidelijk zijn eveneens, in het tweede voorbericht, de mededelingen over opzet, frequentie en leespubliek. Eerst zegt hij sinds lang het voornemen gehad te hebben ‘om een Wekelyksch Blat’ uit te geven,

’t welk men Zaturdags zou uitgeven, om op Zondag tot geen onbetamelyk onderhout voor den geest te verstrekken, ’t zy na het bywonen van den Openbaren Godts-dienst, of wanneer enig toeval het waernemen van dezelve verhinderen mogt. (p. 6)

Vrijwel meteen daarna heet het dat hij om de veertien dagen, op maandag, de lezer

met [e]en Twederlei Vertoog [wil] onderhouden […] dat elkander gedurig vervangen zal, en ieder op zich zelfs volgen, beginnende met de Tegenwoordige, en de volgende reis tot de Toekomende Eeuwe overgaande, en dus keer om keer, in diervoegen dat men zo wel van het Een als ’t Ander een afzonderlyk Boek-werk zal konnen vergaderen. (p. 7)

Eén van de twee soorten vertogen zal dus meer staatkundig van aard zijn. Dit tweewekelijks geschrift zal

meêr, en groter verscheidentheit behelzen, dan de Engelsche, Fransche, Hollandsche en Algemeene Spectator, dan de Gardiaen, het Vertelsel uit de Ton, de Snapper, de Hamburgsche Patriot, en wat ’er mêer van dien aert zyn.

Het is duidelijk dat de schrijver hierin niet geslaagd is; evenmin in zijn voornemen bij die tegenwoordige vertogen ‘vrolyk, en vermakelyk’ te zijn.
In het politieke is de schrijver overduidelijk orangist en ‘48’er’. Zo beschrijft hij, wegens de acceptatie van Willem IV als stadhouder, de vreugde in Haarlem, Edam en de Beemster (daarbij het geïllumineerde gedicht in het venster van ds. Wolff).

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: THYSPF 14434.

André Hanou