Gezellige (1770-1774)

Titelbeschrijving
De Gezellige, beschouwende in aangenaame Spectatoriaale Vertoogen Zo op eene ernstige als schertsende wijze de Gebreken der Gezelligheid in de saamenleving der Menschen. Het Hoogduitsch van het Genoodschap der geleerden te Halle gevolgd.

Periodiciteit
In de Oprechte Haerlemsche Courant van 16 augustus 1770 meldt de uitgever dat ‘Der Gezellige [sic], Wochenschrift’ vertaald wordt en binnenkort zal verschijnen. Dat gebeurde op maandag 5 november 1770, zo blijkt uit de Oprechte Haerlemsche Courant van 3 november waarin de komst van nr. 1 ‘aanstaande Maandag en vervolgens alle Maandagen’ wordt aangekondigd. Diezelfde krant meldt op zaterdag 29 december 1770 dat nr. 9 ‘aanstaande Maandag’ zal uitkomen.
Er zijn in totaal 200 ongedateerde afleveringen verschenen, gebundeld in 4 delen die de jaren 1771, 1772, 1773 en 1774 in het impressum dragen. In de laatste aflevering staat waarom er aan De Gezellige een einde komt: ‘dat men zich moet wachten, om niemand tot last te worden’ (p. 395).

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in groot octavo. Elk deel heeft een eigen paginering; de nummering van de afleveringen (‘vertoogen’) loopt door. De verkorte titel van de afleveringen staat steeds in de koptekst.
Het voorwerk van deel 1 bevat achtereenvolgens een pagina met french title, een ‘Verklaaring der Tytelprente’, de titelprent zelf, een ‘Voorbericht’ van de vertaler, het drempeldicht ‘Op de Nederduitsche uitgave van het zedekundig tydschrift De Gezellige genaamd’ door ene A.H. en de inhoudsopgave.
Alle delen zijn voorzien van een inhoudsopgave.

Boekhistorische gegevens
De delen 1-2 zijn uitgegeven door boekverkoper Pieter Jan Entrop, die zijn boek- en papierwinkel had aan het Koningsplein te Amsterdam. Na zijn overlijden in november 1772 zette de weduwe P.J. Entrop het bedrijf voort. De delen 3-4 hebben dan ook haar naam in het impressum.
Het blad is tevens te koop, aldus de Oprechte Haerlemsche Courant van 3 november 1770,

te Haarlem by J. Bosch; Leiden de Wed. Honkoop en van Damme; ’s Hage Thierry, Wed. O. van Thol en Zoon en Bouvink; Delft E. van der Smout; Rotterdam de Wed. Vis, D. Vis en Bothal; Dord Blussé en Zoon, en Utr. by de Wed. van Poolsum en G. van der Veer.

In de advertentie van de Leydse Courant van 5 november 1770 komen daar de volgende adressen bij: Gouda de Vry; Hoorn Tjallingius en Alkmaar Verlaan. Dat het blad ook in het noorden te koop was, blijkt uit de Opregte Groninger Courant van 20 september 1771, waarin de boekverkopers A. Groenewolt uit Groningen, Udink uit Franeker en A. Chalmot uit Leeuwarden worden genoemd.
De prijs is 1½ stuiver per aflevering. Het voorwerk van deel 1, ‘bestaande uit een geheel Vel, versiert met een fraai VIGNET en Keurlyke TYTELPLAAT’ is gratis, zo meldt de Amsterdamse Courant van 12 oktober 1771, maar voor deel 1 als geheel moet ƒ 3:15 worden neergeteld (voor de trage beslissers: later zal de prijs worden verhoogd tot ƒ 5).
Het Voorbericht, geschreven toen het eerste deel compleet was, bevat een interessante beschouwing over de gewoonte van uitgever-boekverkopers om tijdschriften, zodra ze zijn beëindigd, op de markt te dumpen voor de helft van de prijs. De oplage was duidelijk veel te groot, zo luidt de analyse van de vertaler van De Gezellige. Om die reden heeft hij zijn uitgever ervan weten te overtuigen dat de oplage beperkt moest worden tot het reële aantal lezers:

Dit heeft zyn Ed. om alle vermindering van Prys voor te komen, gaarne ingewilligd, en wy kunnen een ieder verzekeren niet alleen, dat ‘er thans geen 80 compleete eerste deelen meer by hem voor handen zyn, maar dat hy ook aanneemt om dit Werk nimmer te herdrukken, noch uitverkocht zynde, het recht van Copye aan iemand te verkoopen, zodat dit Werk naar allen aanzien door den tyd stygeren en geen Leezer rede hebben zal, om zyn geld te beklaagen.

Deze mededeling laat onverlet dat uitgeefster weduwe Entrop aan het einde van nr. 132 aankondigt dat een aantal afleveringen is herdrukt zodat er weer complete exemplaren van De Gezellige verkrijgbaar zijn.

Medewerkers
De Gezellige is een vertaling van Der Gesellige, eine moralische Wochenschrift (Halle 1745–1746), geschreven door Samuel Gotthold LANGE (1711-1781) en Georg Friedrich MEIER (1718-1777). De piëtist Lange studeerde theologie in Halle, was luthers predikant en is vooral bekend geworden als dichter. Meier was hoogleraar filosofie in Halle en maakte naam met zijn beschouwingen over esthetica. In zijn werk zijn de invloeden van Alexander Gottlieb Baumgarten en diens leermeester Christian Wolff duidelijk merkbaar.
De vertaler was George Michael NEBE (†1809). Vermoedelijk is hij te identificeren als de zoon van de Arnhemse boekverkoper Johan Christoffel Nebe en was hij na het overlijden van zijn vader, van 1753 tot 1758 als boekverkoper-uitgever werkzaam.
Het genootschap dat blijkens de titelpagina tekende voor het tijdschrift, is een spectatoriale fictie. De schrijvers noemen het ‘HET GEZELSCHAP DER GEZELLIGEN’, dat niet op vaste tijden bijeenkomt, maar waarvan de leden elkaar altijd dagelijks wel een keer tegenkomen (nr. 1, p. 2; nr. 7). Belangstellenden kunnen bijdragen inzenden; vrouwen worden daartoe nadrukkelijk uitgenodigd (nr. 1, p. 7). De briefschrijvers ondertekenen hun epistels met pseudoniemen. Ene ‘Philaletes’ is een zeer trouwe inzender.

Inhoud
In het Voorbericht verklaart Nebe dat het blad is bedoeld om weerstand te bieden tegen de ‘dagelyks toeneemende laauwheid in de Godsdienst, en de daaruit voortspruitende verbastering van zeden, naturalisterei, bedriegelyke droomen, en wat dies meer zij […]’. De Gezellige houdt haar lezers alle menselijke gebreken voor om voor hen ‘tydelyk en eeuwig geluk’ mogelijk te maken. Dit geluk ligt grotendeels besloten in het gemeenschapsgevoel van de mens: ‘dat de Mensch onder alle Schepselen alleen Gezellig is’. In nr. 1 wordt het gezelligheidsbegrip verder uitgewerkt:

Door een GEZELLIGE verstaê ik een mensch, die in een’ gestadigen omgang met zyn’ evenmensch bevind, en zich daarom in alle zyne handelwyzen zó gedraagt, dat hy het zyne tot bevordering van het algemeene welzyn, zo veel mogelyk is, toebrenge, om ook zyne bezyndere nuttigheid van de algemeene welvaart te genieten. (p. 1)

De auteurs houden zich verre van ‘bespotten, smaaden en verbitteren’, een euvel waaraan veel tijdschriften mankgaan. De afleveringen staan vol met zedelijke beschouwingen over bijvoorbeeld vrolijkheid, godsdienst, ongezellige vromen, deugden, zonden en moraal, het laatste oordeel, bijgeloof, dromen, geluk, kruisdood van Jezus, de natuur, zedelijke eenvoud, zelfmoord, gastereren (slempen), verbeeldingskracht. Veel aandacht is er voor de relatie man-vrouw, het huwelijk en opvoeding van kinderen.
De manier waarop al deze thema’s worden uitgewerkt, varieert sterk. Voorbeelden zijn de ‘Gezelligheid der schoone Sexe’ (nr. 6), het ‘nadeel dat de Godsdienst-spotters aan de gezelligheid toebrengen’ (nr. 12), de ‘Gezelligheid van God’ (nr. 16), de ‘bevordering der Gezelligheid door de Boekdrukkunst, en het vóór- en nadeel dat de Boekverkoopers daar aan toebrengen’ (nr. 23), ‘Zedelyke Betrachting over de Grootte van het Geheeläl’ (nr. 55), het ‘gezellig Leven van Abraham’ (nr. 80), ‘Opmerkingen van een’ onderäardschen Reiziger [Klaas Klim] over de Duitschers’ (nr. 109), ‘Verhandeling over de weetenschappen, die de welvaart van eene Republiek bevorderen’ (nr. 130, 131), ‘Verhandeling over de eigenschappen van het Heldendicht’ (nr. 154, 156), ‘Over het ongezellig gedrag tegen de Jooden’ (nr. 196).
Geestig is de bekendmaking van een nieuw tijdschrift, als reactie op De Gezellige (nr. 56). Het blad zal dezelfde naam dragen en qua inhoud alles doen wat De Gezellige nalaat. De duizelingwekkende beschrijving van de opzet, laat zien dat het nieuwe blad het tegendeel is van ‘uw droog en brabbelig weekblad’. Volgt een satirische opsomming van ‘het geen in de volgende wintermaanden te A*** [Amsterdam?] zal te zien en te bekomen zyn’.

De auteurs maken gebruik van diverse literaire vormen. Er zijn vele ingezonden brieven, die in een enkel geval een hele aflevering of zelfs meer bestrijken. Voorbeelden zijn de ‘Brief van een’ Mops-hond’ (nr. 13, reactie nr. 30, vervolgverhaal over de hond met overlijdensadvertentie in nr. 47) en de ‘Brief over het Tabakrooken’ (nr. 13). Verder wordt het proza afgewisseld met dichtstukjes, bijvoorbeeld over Voltaire (nr. 49). Ook zijn er fabels, dromen, anekdotes en veel oosterse geschiedenissen. Een emotioneel relaas van een jongeman na de aardbeving in Lissabon heeft de vorm van een monologue intérieur (nr. 36).

In het Voorbericht van deel 1 had Nebe geschreven dat hij geen letterlijke vertaling had vervaardigd: ‘Ik heb voorgenomen om hetzelve in onze Moedertaale niet zo zeer stiptelyk over te zetten, dan wel meerendeels te volgen […]’. Zijn hand is te herkennen aan de citaten die afkomstig zijn uit het Nederlandstalig taalgebied. Sommige afleveringen zijn vermoedelijk in hun geheel geschreven door Nebe, zoals ‘Kinderproeven der oude Nederlanders’ (nr. 98) en ‘Nagedachten over het Afbranden van den Amsteldamschen Schouwburg, op den 11den May deezes Jaars’ (nr. 100).

Relatie tot andere periodieken
Gelijktijdig ging van start De Mensch in aangenaame spectatoriale vertoogen beschouwd door een genootschap van geleerde mannen te Halle (1771-1778), waarvan het Duitse origineel een voortzetting van Der Gesellige.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: KW 26 L 2-5
¶ Full text deel 1deel 2deel 3 en deel 4

Literatuur
¶ G. Stiening en F. Grunert (red.), Georg Friedrich Meier (1718-1777). Philosophie als ‘wahre Weltweisheit’ (Berlijn/Boston 2015).

Rietje van Vliet