Godgeleerde, Historische, Philosophische, Natuur- Genees- en Aerdryks-kundige, Poëtische en Regtsgeleerde Vermakelykheden (1732-1743)

Titelbeschrijving
Godgeleerde, Historische, Philosophische, Natuur- Genees- en Aerdryks-kundige, Poëtische en Regtsgeleerde Vermakelykheden; of Uitgeleze Keurstoffen Over Allerlei Onderwerpen. Uit de Beste dagelyks in ’t licht komende Uitlandsche Schryvers, enz. Ten Algemenen Nutte byeengebragt.
Vanaf januari 1740 verscheen een tweede reeks onder een licht gewijzigde titel: Godgeleerde, Historische, Natuur-Genees- en Aerdryks-kundige; Poëtische en Regtsgeleerde Vermaaklykheden; of Uitgelezen Keurstoffen Over Allerlei Onderwerpen: Uit de Beste dagelyks in ’t licht komende Uitlandsche Schryvers, enz. Ten Algemenen Nutte byeengebragt.

Periodiciteit
Dit driemaandelijks blad verscheen in twintig ‘stukken’ van juli 1732 tot en met december 1736. De redacteur meldt dan te moeten stoppen wegens drukke ambtsbezigheden. Het werd in 1740 bij andere uitgevers in een nieuwe reeks vervolgd: gebundeld in vier delen die elk vier afleveringen tellen.
In dit lemma wordt voornamelijk de reeks 1732-1736 behandeld.

Bibliografische beschrijving
In octavo.
Elke aflevering (‘stukje’) bevat steeds tien artikelen en varieert in omvang van 184 tot 224 pagina’s. Deze worden voorafgegaan door het voorwerk, bestaande uit de titelpagina, opdracht en inhoudsopgave. De stukjes werden elk jaar gebundeld (gemiddeld 896 pagina’s) en voorzien van een titelpagina, een titelplaat en een ongepagineerd register.
De titelplaat, van de hand van J.C. Philips, toont een soort stoa, met verspreid liggende boeken, als die van Chrysostomus, Newton, Homerus. Een andere aflevering heeft als titelplaat een bibliotheek, gedomineerd door het evangelie (nr. 9).

Boekhistorische gegevens
De eerste twintig afleveringen verschenen bij Martinus Schagen. Zie hierover diens eerste biograaf Cuperus (1770) en de advertentie voor nr. 13 in de Leydse Courant van 21 oktober 1735.
De latere reeks kwam als deel 1-4 achtereenvolgens uit te Amsterdam bij Gerrit Tielenburg en Jan ’t Lam (in 1740-1741) en te Amsterdam bij Tielenburg en te Haarlem bij Jan Bosch (in 1742-1743).
In het bestudeerde exemplaar is de eerste aflevering van de eerste reeks (serie 1732-1736) een ‘Tweede druk’.

Medewerkers
De auteur/redacteur is ongetwijfeld de doopsgezinde predikant Martinus SCHAGEN (1700-1770), die ietwat later en daarna gelijktijdig ook debet was aan de redactie en uitgave van het Weekelyks Orakel (1735-1736).
Andere medewerkers/inzenders zijn te herkennen aan initialen als C.S.J.A. Ene E.V.C.A. vertaalt Samuel Clarke. De Amsterdamse apotheker Jeronimo DE BOSCH (1677-1767) helpt vaak. Doopsgezind predikant Adriaan LOOSJES (1689-1767) ondertekent met de initialen A.L. Postuum verscheen in de Godgeleerde Vermakelykheden de ‘Aanmerkingen op de Nederduitsche Spraakkunst van Arnold Moonen’ van de taalkundige Lambert ten Kate (1674-1731).
Het eerste stukje van deel 1 nieuwe reeks (1740) is opgedragen aan Marten Schagen, ‘door de hem wel kennende maar van hem onbekende schryvers’.

Inhoud
Elke aflevering begint met een opdracht aan een als voortrekker-verlichter gewaardeerde persoon. Die opdracht is steeds ondertekend door ‘D.G.S.D.O.A.V.M.W.V.B.I.’ of ‘M.S.D.O.A.V.M.W.V.B.I.’; hetgeen volgens Visser (2002) betekend zou moeten hebben ‘Dat God Slegts Dezen Onzen Arbeid Voorspoedig Make Wensche Verzugte Bidde Ik’, en ‘Marten Schagen Bedienaar Van Gods Woord Onder De Vriese Doopsgezinden In Amsterdam’.
De voorrede van de eerste aflevering spreekt over het doel van het blad. Nederlanders, aldus de schrijver, zijn niet minder dan anderen gesteld op geleerdheid en wetenschappen. Men zal in die behoefte gaan voorzien door fraaie teksten van buitenlandse schrijvers op te nemen. Die stukken moeten boeiend zijn. Het mag niet gaan om ‘moeijelyke en schrale geschillen’. ‘Kromtaal’ is ook niet gewenst. De artikelen mogen ook van Nederlandse herkomst zijn: ‘alles wat over eenige der Wetenschappen onder ons berust, of toegezonden mogt worden van de Geleerden en Liefhebbers’. Godsdienstwetenschap krijgt steeds de voorrang, als de koningin der wetenschappen.

Verder zal het blad een ’Daglyst’ bevatten; dat wil zeggen een rubriek (kalendarium) waarin opgegeven wordt welke befaamde geleerden op een bepaalde dag overleden zijn, iets gedaan hebben enzovoorts. Tevens komt er een rubriek voor wetenschappelijk nieuws.
Het belangrijkste in deze opzet lijkt te zijn: het verzamelen van degelijke wetenschappelijke stukken met nieuwswaarde. Die teksten moeten indicatief zijn voor een nieuwe benadering, of een demonstratie zijn van een nieuwe en grondige behandeling van een onderwerp. De hier gebrachte nieuwe natuurwetenschap bijvoorbeeld heeft een sterk fysicotheologisch gehalte: kennis van het boek der natuur leert ons veel over de Schepper. De christelijke Verlichting van Schagen behoedt dus voor materialisme.
De overgenomen teksten zijn niet als afzonderlijke uitgave te koop, hooguit de boeken of edities waaruit zij afkomstig zijn. Ze kunnen slechts het verlangen naar méér wekken. De boekverkopers behoeven er dan ook geen schade door te lijden. In dit blad gaat het dus niet om het geven van excerpten van recent verschenen werken, zoals gebruikelijk is in de meeste geleerdentijdschriften.

In de voorrede van het eerste stukje van deel 1 nieuwe reeks (1740) zeggen de opstellers – die zich onverhoeds ‘ik’ noemen (p. *3) – de oude opzet te willen handhaven. Van belang in die voorrede zijn ook opmerkingen die met de opzet en het leespubliek van een dergelijk blad te maken hebben: door belangrijke (vertaalde) teksten in de moderne talen op te nemen zal gaandeweg het Latijn niet meer nodig zijn. Zo wordt de zucht tot wetenschap bevorderd bij die landgenoten ‘die alleen hunne Moedertaal verstaan’. Mensen die een aardig kort artikel in portefeuille hebben, hoeven niet meer te gaan marchanderen met boekverkopers (voor hen doorgaans een ongebruikelijk en wat vreeswekkend fenomeen).

Relatie tot andere periodieken
De Haarlemse uitgever Jan Bosch meldt in de Leerzame Verlustiging (deel 2-2, p. 830-831) dat zijn blad zozeer lijkt op de Godgeleerde Vermakelykheden van Tielenburg, dat zij na overleg met elkaars ‘Heeren Opstelleren derzelve’ de werken samen te voegen. Zie hierover het lemma Leerzame Verlustiging (1740-1742).

Exemplaar
¶ Leiden, Universiteitsbiliotheek: 1170 F 20 (serie 1732-1736)
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: O 75-36 t/m 39 (serie 1740-1743).

Literatuur
¶ André Hanou, ‘De geleerdentijdschriften van Marten Schagen, II’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 34 (2011), p. 118-135
¶ Piet Visser, ‘“Redelijke regtzinnigheid”. Prolegomena over de betekenis van Marten Schagen (1700-1770) voor de Nederlandse Verlichting’, in: L. Brussee-van der Zee, A. Verbeek e.a., Balanceren op de smalle weg. Opstellen aangeboden aan Kees van Duin, Alle Hoekma en Sjouke Voolstra bij hun afscheid van het Doopsgezind Seminarium (Zoetermeer 2002), p. 216-284
¶ Joannes Cuperus, Marten Schagen, doopsgezind leeraar te Utrecht, en lid van de Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, plegtig gedagt in eene lykrede (Utrecht […], Gerrit van der Veer, en Amsterdam, Erven van F. Houttuyn [1770]), p. 17.

André Hanou/SdJ