Haagsche en Utrechtsche Correspondent (1795)

Titelbeschrijving
De Haagsche en Utrechtsche Correspondent.

Periodiciteit
In Saakes’ Naamlijst van juni 1795 wordt de eerste aflevering vermeld (p. 151). Er zijn blijkens de Naamlijst van december 1795 (p. 208) slechts acht afleveringen verschenen.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen bevatten acht pagina’s in groot octavo. Het als enige bewaard gebleven nr. 4 is gepagineerd 25-32. Het titelblok bevat alleen de titel en het volgnummer.

Boekhistorische gegevens
In het colofon staat: ‘Te Utrecht, bij J. van der Schroeff, Gz. En verder bij de meeste Boekverkopers in Nederland, wordt dit Blad à 1½ Stuiver ’s Wekelijks uitgegeven’.
De prijs per aflevering bedroeg volgens Saakes ƒ 0:1:8; de acht afleveringen samen kostten 12 stuivers.

Medewerkers
De anonieme schrijver roept in het bijzonder Haagse correspondenten op om stukjes te leveren, ‘welke bijdraagen kunnen zijn tot den opbouw van ons vervallen Nederland’.

Inhoud
Nr. 4 begint met de volgende verklaring:

Te vooren moest men zwijgen, waarde Leezers! maar nu, na de openlijke afkondiging van de Rechten van den Mensch en Burger, heeft elk het recht om zijne stem te verheffen, om daar door ook aanspraak te hebben op de regelingen der Vertegenwoordigers, niets kan ons hier in tegenwerken dan de meerderheid onzer Medeburgeren; deze Rechten leeren ons ook alles te moogen doen, wat een ander niet schaaden kan; maar dit vooronderstelt niet, dat men iemands kwaade daaden aan ’t publiek niet mag ten toon leggen […].

Vervolgens wordt een aantal voorbeelden genoemd die wel degelijk aan de kaak gesteld mogen worden, zoals het ronselen van handtekeningen door een lid van de Volksvergadering te Utrecht. Nadrukkelijk wordt gesteld dat de burger recht heeft op informatie over de financiële situatie van het land, om daarmee kennis te nemen van het slechte bestuur van vorige bewindvoerders. Om deze reden wordt hier voor het ‘Volk van Utrecht’ afgedrukt een ‘Memorie van het geen de Honderste Penning, gearresteerd den 1ste May 1793. na aftrek van alle onkosten, in deeze Provincie heeft gerendeerd’.
De bestudeerde aflevering bevat tevens een ingezonden brief met een dichtstukje (de fabel ‘De Boer en de Vos’) en een toelichting hierop. Ook hier komt de Rechten van de Mens en Burger ter sprake.

Exemplaren
¶ Utrecht, Universiteitsbibliotheek: PFL. 1795-9 (nr. 4).

Rietje van Vliet