Hardloper van Staat (1784)

Titelbeschrijving
De Hartloper van Staat.
Vanaf aflevering 2: De Hardloper van Staat.

Periodiciteit
Wekelijks op een niet bekende dag verschenen in totaal 10 (ongedateerde) afleveringen tussen juli 1784 en september 1784. De verschijningsperiode is vastgesteld op basis van aankondigingen in de krant en de data die in de ingezonden brieven worden genoemd. Het eerste nummer van De Hardloper van Staat werd in de ’s Gravenhaagsche Courant van 19 juli 1784 aangekondigd.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen elk 8 bladzijden in kwarto, behalve nr. 8, een dubbelnummer van 16 pagina’s. De afleveringen zijn doorgepagineerd van 1 t/m 88.

Boekhistorische gegevens
De Hardloper van Staat is blijkens de stoklijst aan het einde van iedere aflevering gedrukt en uitgegeven door Jan Hendriksen (1761-1828) in de Hoogstraat te Rotterdam. De afleveringen zijn ‘alom’ verkrijgbaar.
De schrijver geeft in nr. 7 een groot aantal ‘druk-feilen’ weer en voegt eraan toe:

Wij schamen ons, dat wij onzen Lezeren met zulk ene lijst van druk-feilen moeten onder de ogen komen. – Wij verzoeken er néderig verschoning voor; en hopen, dat men de zelve aan onze absentie van de Pers gunstiglijk zal gelieven toe te schrijven. (p. 56)

Ook in zijn andere bladen geeft hij er blijk van te hechten aan goed drukwerk.
De prijs per aflevering bedroeg 1½ stuiver.

Medewerkers
De auteur is Philippus VERBRUGGE (1750-1806). Hij werd na zijn studie theologie te Leiden in 1778 als predikant beroepen in het Noord-Hollandse Koedijk. Hij kreeg al snel ruzie met zijn diakenen over de herplaatsing van een lichamelijk gehandicapte weesjongen in een rooms-katholiek gezin. Het was één conflict uit vele, die ten slotte zouden leiden tot zijn schorsing en ontzetting uit zijn ambt. Hij is slechts twee jaar predikant geweest. Daarna solliciteerde Verbrugge onder meer naar een gouverneursplaats, maar vond geen ouders die opvoeding en onderwijs aan hem wilden toevertrouwen.
Na verschillende pamfletten en andere publicaties (sommige onder pseudoniem) te hebben gepubliceerd begon Verbrugge in 1782 zijn meest succesvolle onderneming: De Post naar de Neder-Rhyn (1782-1783). Na een jaar kreeg dat blad een verder verschijningsverbod opgelegd en belandde Verbrugge in de gevangenis. Toen hij in juli 1784 het slotnummer van De Post uitgaf, verscheen nog dezelfde maand het eerste nummer van De Hardloper van Staat.
Verbrugge heeft gedurende zijn leven periodieken geschreven, meestal eenmansacties, die hem alle korte of langere tijd celstraf opleverden.

Inhoud
Het openingsnummer van De Hardloper wordt voorafgegaan door een bericht waarin uitgever Hendriksen bekendmaakt dat hij vanwege een resolutie van de Rotterdamse magistraat moest stoppen met De Post naar de Neder-Rhyn.
Het is niet duidelijk of Verbrugge financiële steun van de stadhouder kreeg voor De Hardloper, zoals hij die ontving voor De Post naar den Neder-Rhyn. Wel is duidelijk dat hij in De Hardloper het stadhouderlijk stelsel en de institutionele positie van de stadhouder fel verdedigt tegen anti-stadhouderlijke uitingen.
Hij geeft over dit onderwerp tevens toelichting ten behoeve van de eigen achterban: de stadhouder is geen dienaar van de staat (een nieuwerwetse maar onheldere benaming, meende Verbrugge), maar Eminent Hoofd van de Republiek, die het snoer van eensgezindheid in alle bestuursvergaderingen vormt. Daaruit volgt dat de stadhouder het recht heeft ‘onrustige Leden’ (lees: patriotten) in de vergaderingen te vervangen door mensen met meer ‘rust- en eendragt-lievender gevoelens’.
Bij zijn orangistische stellingname past natuurlijk ook een verjaarsgedicht voor prinses Frederika, ter gelegenheid van haar 33ste verjaardag (7 augustus 1784). Een achterhoedegevecht vormt Verbrugges tirade tegen het wegsturen van de hertog van Brunswijk uit de Republiek, die drie afleveringen omspant. Andere onderwerpen zijn onder meer: vrijkorps versus schutterij, reacties op schandschriften, zoals het anonieme Gevoelens van een Nederlander (Amsterdam 1783).
Verbrugge hekelt de patriotse beweging even ijverig als hij de stadhouder verdedigt. De zogenoemde affaire Kloppenburg zou uiteindelijk tot een verschijningsverbod van De Hardloper leiden. De Rotterdammer Harmannus Kloppenburg zou door twee patriotten bedreigd zijn, zo berichtte De Hardloper. Het bericht werd ook in een ander blad van Hendriksen geplaatst, namelijk De Politieke Praatmoer. Echter, zowel het slachtoffer als de patriotten ontkenden de bedreiging.
Bovendien vochten Verbrugge en zijn uitgever Hendriksen over deze affaire in de couranten een annexe kwestie uit: Hendriksen verweet Verbrugge dat deze de afspraak om niemand in het blad te beledigen, had geschonden. Verbrugge daarentegen wierp Hendriksen voor de voeten dat hij het bericht over de bedreiging van de uitgever had gekregen. Deze zaak was wekenlang in het nieuws. De familie Kloppenburg vroeg de magistraat van Rotterdam met succes om een resolutie, waarin De Hardloper een verder verschijningsverbod werd opgelegd.

De enige rubriek die regelmatig terugkeert, is die van de ingezonden brieven. De meeste ondertekenaars maken gebruik van speaking names: Zorghardus Vredelief, Delvenaar, Goossen Eenvoudig, Een Dorpeling, Een Leijdenaar en Een Patriot. Niet alle brieven zijn overigens ondertekend. Sommige briefschrijvers betreuren het beëindigen van De Post naar den Neder-Rhijn, wat voor Verbrugge aanleiding is te benadrukken dat zijn opinies niet zijn veranderd.
Verbrugge laat zich over zijn lezers niet uit. Zijn leespubliek zal vooral uit oranjegezinden hebben bestaan, maar via koffiehuizen en sociëteiten konden ook patriotten van de Hardloper kennisnemen.
Zoals meer tijdschriften van Verbrugge riep ook De Hardloper vinnige reacties op. Zo typeerde de schrijver van De Batavier (1784-1787), François Bernard, De Hardloper als ‘de Post naar den Nederrhijn, de galg ontsnapt en te Delft onder borgtocht uit de gevangenis ontslagen’, een verwijzing naar de gevangenschap van Verbrugge, te Delft, wegens tendentieuze berichtgeving in De Post naar den Neder-Rhijn.

Relatie tot andere periodieken
De Hardloper van Staat is wat de naamgeving betreft geïnspireerd op De Post van den Neder-Rhyn (zie aldaar) van Pieter ’t Hoen. Inhoudelijk vaart Verbrugge zijn eigen politieke koers, maar ’t Hoen is regelmatig mik- en richtpunt in zijn blad.
De Hollandsche Historische Courant van 11 december 1784 bericht over de afleveringen 9 en 10 die zouden worden nagedrukt.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 591 K 40
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1192 D 29:1
Full text
Van de nadrukken van de afleveringen 9 en 10 zijn geen exemplaren aangetroffen.  

Bronnen
[Isaac Hubert en Michiel Baelde], Bundel van eenige stukken, rakende zekere passage in den Hardloper van Staat, no. 9, geschreven door Philippus Verbruggen, gewezen predikant te Koedyk, en gedrukt by Jan Hendriksen, boekverkoper te Rotterdam, wegens eene voorgewende belediging en aanval, welke op de 6de augustus 1784 zoude zyn ondergaan door Hermanus Kloppenburg, comptoirbedienden te Rotterdam […] (Rotterdam 1785)

Literatuur
¶ Pieter van Wissing, In louche gezelschap. Leven en werk van de broodschrijver Philippus Verbrugge (1750-1806) (Hilversum 2018)
¶ Pieter van Wissing, ‘De post naar den Neder-Rhijn: een ‘mission impossible’?’, in: P. van Wissing (red.), Stookschriften. Pers en politiek tussen 1780 en 1800 (Nijmegen 2008), p. 37-58
¶ Pieter van Wissing, ‘De kwaadaardige bedrijven van Philippus Verbrugge (1750-1806)’, in: C. van Heertum, T. Jongenelen & F. van Lamoen (red.), De andere achttiende eeuw. Opstellen voor André Hanou (Nijmegen 2006), p. 147-165
¶ Pieter van Wissing, Stokebrand Janus 1787. Opkomst en ondergang van een satirisch politiek-literair weekblad (Nijmegen 2003), p. 83, 87, 340
¶ H.C. Hazewinkel, ‘Rotterdamse boekverkopers in de patriottentijd’, in: Opstellen, door vrienden en collega’s aangeboden aan dr. F.K.H. Kossmann ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag en van zijn afscheid als bibliothecaris der gemeente Rotterdam (Den Haag 1958), p. 35-58
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘Post naar den Neder-Rhijn’, in: De Nederlandsche Spectator (1876), p. 230-233, 239-240, 247-249 en 257-259.

Pieter van Wissing