Harlequin met de Rarekiek (1708)

Titelbeschrijving
¶ Nr. 1 – Harlequin, met de Rarekiek van Wynendael en Ryssel na de Amsterdamsche kermis. Voorgevallen op den 28. September 1708
¶ Nr. 2 – Harlequin. Met de Rarekiek, van de Amsterdamse kermis; vertoonende de gezigten in Vlaand’ren van den 15 October tot den 15 November, 1708 
¶ Nr. 3 – Derde Harlequin. Met de Rarekiek op de grensen van Vrankryk, van den 15. Novemb. tot den 24 Decemb. 1708

Periodiciteit
De drie Harlequins moeten verschenen zijn in resp. oktober, november en december 1708. Mogelijk verscheen nr. 3 pas begin januari 1709.

Bibliografische beschrijving
De nummers tellen 4 ongepagineerde pagina’s in kwarto. Elke aflevering heeft een titelblok, waarna direct de berijmde tekst, in twee kolommen, volgt.  

Boekhistorische gegevens
De drukker staat vermeld aan het eind van de tekst, zonder jaartal: ‘t’Amsterdam by C.A.’ (nr. 1), ‘t’Amsterdam gedrukt, by C.A.’ (nr. 2), ‘t’Amsterdam, by Cornelis van Hoogenhuizen, op de Egelantiersgraft’ (nr. 3). Mogelijk moeten we voor ‘C.A.’ ook ‘Cornelis van Hoogenhuizen’ lezen, in welk geval C.A. zou staan voor Cornelis Andrieszoon.
De afleveringen zijn herdrukt in Jan Pook, Rommel-zoodjen, met een prent bij elk nummer en de tekst doorgepagineerd. Impressum bundel: ‘Tot Amsterdam, Timotheus ten Hoorn, boekverkoper, in de Nes, 1709’. De titels wijken enigszins af van het origineel:

¶ Nr. 1 – Eerste Harlequin, reyzende met zyn rarekiek, van Wynendaal en Ryssel, na de Amsterdamsche kermis; en vertoonende de voorvallen des oorlogs in Vlaanderen van den 28 september 1708. &c. (p. 19-36)
¶ Nr. 2 – Tweede Harlequin, met de rarekiek, vertoonende de oorlogs gevallen in Vlaanderen van den 15 october, tot den 15 november 1708 (p. 37-56)
¶ Nr. 3 – Derde Harlequin, met de rarekiek, op de grenzen van Vrankryk, vertoonende ’t voorgevallene in Vlaanderen van den 15 october [sic], tot den 24 december 1708 (p. 57-76)

Er zijn ten minste twee nadrukken bekend. 
De eerste nadruk is in losse afleveringen verschenen in 1708, zonder naam van de auteur. Impressa: Rotterdam, Pieter de Vries, z.j. (nr. 1). Daarna hield De Vries zich schuil achter een fictief drukkersadres: ‘Tot Keulen, By d’Erfgenamen van Pieter Hamer. Anno 1708’ (nrs. 2, 3). Elk nummer omvat een titelpagina gevolgd door 15 pagina’s tekst, gezet in 1 kolom. De titels wijken af van het origineel:

¶ Nr. 1 – Harlequin, met de rarekiek van Wynendaal en Rijssel. Eerste deel
¶ Nr. 2 – Harlequin, met de rarekiek, vertoonende de gezigten in Vlaanderen. Tweede deel
¶ Nr. 3 – Harlequin, met de rarekiek, op de grenzen van Vrankryk. Derde deel

De tweede nadruk is verschenen in 1709, zonder naam van de auteur, in de bundel Harlequin, reysende met zyn rarekiek van Wynendaal en Ryssel naar de Amsteldamse kermis. Impressum bundel: ‘t’Amsteldam, by Andries Rempelaar, in de Haringpakkery. En werden uytgegeeven by Andries van Damme, boekverkooper, bezyden de Beurs, 1709’. Elk nummer is voorzien van een prent. Het gaat bij deze nadruk om de volgende titels:

¶ Nr. 1 – Harlequin, reyzende met zyn rarekiek. Van Wynendael en Ryssel na de Amsterdamse kermis, en vertoonende voorvallen van den 28. september 1708. &c. (p. 7-24)
¶ Nr. 2 – Harlequin, met de rarekiek. Vertoonende, gevallen in Vlaend’ren van den 15 october, tot den 15 november 1708, &c. (p. 27-46)
¶ Nr. 3 – Harlequin, met de rarekiek. Op de grensen van Vrankryk, vertoonende ’t voorgevallene van den 15 november, tot den 24 december 1708. &c. (p. 49-67)

Uit zijn ‘Voorreden’ bij Rommel-zoodjen blijkt dat Pook met deze uitgave had gewacht tot de Harlequin-bundel van Rempelaar en Van Damme uitverkocht was. Voor een goed begrip van zijn tekst moet men weten dat Pook met ‘rommelzoodje’ een schotel met verschillende soorten vis aanduidt en daar in de hele voorrede op voortborduurt. ‘Ik beklaag my niet’, schrijft hij, ‘dat ik er tot nu toe mede gewacht heb: dewyl ik gezien heb, dat myn […] Harlequinen […] in een moddersloot achter den Dam gevangen, en met al zyn vuile spel fautige schubben […] gants Rimpelig gekookt, de Lievhebberen noch redelykerwyze gesmaakt hebben’. 
Die stand van zaken verklaart, ten eerste, waarom de genoemde nadrukken zonder auteursnaam verschenen (de oorspronkelijke uitgave vermeldt die immers ook niet) en ten tweede, de opmerkingen in het voorwoord bij de Rempelaar en Van Damme-bundel:

Toen ons Harlequin […] in zyn geestig habyt en Wale pakje op straat quam t’ontmoeten, beviel ons dat koddige Bootsje soo wonder wel, dat het weynig scheelde; of wy hadden het snaakje uyt Compassie opgenoomen […]: Want uyt de Contenantie dien hy hield, geloofden wy dat hy van een Vader toe gesteld was, die iets meer verdiende dan dat zyn kind’ren by de straat, of langs de huyzen hun kost souden gaan soeken. (‘Den Drukker tot de Beschouwers’)

Kortom, Harlequin zwierf zonder vadersnaam rond. Uiteindelijk werd besloten ‘den Bloed van straat’ te halen, ‘hem een ordentlyk Casjakje aan te schieten, [en] plaatjes in zyn sak te geeven’, zodat hij zich in ‘fatsoenelyke geselschappen’ kon vertonen. Al had Pook er een en ander op aan te merken, hij lijkt deze nadruk zonder protest te hebben laten passeren. 
Zelfs lijkt het erop dat de Harlequin-prenten in zijn Rommel-zoodjen gekopieerd zijn naar die in de nadruk van Rempelaar en Van Damme. De grootste verschillen zijn dat ze in de nadruk een Latijnse en bij Pook een Nederlandse titel hebben en dat de Franse lelies en teksten op de rarekiek van de nadruk bij Pook vervangen zijn door een haan (Frankrijk) die zijn veren aan het verliezen is.

Tot slot: onbegrijpelijk is de toeschrijving aan Pook van Harlequin Reizende met zyn Fraai Curieus, van het Soissonse congres naar de Nederlanden, latende […] zien, al het gene zo daar als in Spanjen, in den jaren 1727, 1728 en in den beginne van 1729 voorgevallen is (Universiteitsbibliotheek Leiden). De auteur was toen al vijftien jaar dood.

Medewerkers
Hoewel de Harlequins oorspronkelijk anoniem verschenen, is het auteurschap vast te stellen middels vergelijking van de tekst van de anonieme exemplaren met die als later opgenomen in de bundel Rommel-zoodjen van Jan POOK (1675-1714).
Pook was de zoon van een koekbakker en geboren en getogen Amsterdammer. Van beroep was hij vermoedelijk schilder – al zijn daar geen tastbare bewijzen meer van – en kunsthandelaar. Zijn dichterlijk oeuvre dateert uit de jaren 1708-1712 en omvat, behalve de Harlequins, twee zinnespelen, een klucht en een kamerspel. Dat laatste, Hollebollige lagchende dokter of den bereisden Hans Zingzang (1709), moet populair zijn geweest: er zijn ten minste acht herdrukken bekend. In 1712 publiceerde hij ook nog een Eerste hekel-dicht aan Reinhart, toegepast op de vergenoegsaamheit
Pook overleed op 25 oktober 1714 en werd zes dagen later begraven op het Heiligewegs en Leidse Kerkhof. 

Inhoud
De nummers bestaan uit dialogen tussen Harlequin en Jaap over gebeurtenissen in de Spaanse Successieoorlog. Harlequin is Fransman van origine en spreekt Nederlands met een zwaar Frans accent. Jaap is een boer uit Nieuwersluis, wiens Nederlands bedoeld zal zijn als hetzij boers hetzij volks. Harlequin introduceert zijn kijkkast (rarekiek) als ‘nuwe invention’, waarin de kijker, anders dan in een gewone kijkkast, kan ‘kyk de franse mannen,/ Hoe dat hum segt […]/ As mensch die leef’. Ofwel: je ziet ze niet alleen, maar kunt ze ook horen spreken.
In alle Harlequins uit de tijd van de Successieoorlog zijn de Fransen steevast de kop van Jut. Pook volgt in zijn Harlequinsdaartoe een min of meer vast procedé: Harlequin vertelt wat er volgens hem in zijn rarekiek te zien is, Jaap ziet het tegendeel en Harlequin geeft dan een of andere vergoelijkende verklaring. 
Wanneer bijvoorbeeld in de slag bij Oudenaarde de Fransen de stad binnentrekken, wordt er volgens Harlequin flink gevochten: ‘Kyk nou; nou fecht ze in de Stat./ Zie jy hum wel?’ Jaap is verbaasd: ‘Maar wet [wat] is dat,/ De Franse lopen [vluchten]’. Harlequin denkt daar wat anders over: ‘Niet men Heere;/ ’t Is maar ien beekje retirere’. Jaap: ‘Hiet jy dat retirere, Vent?’. Uiteindelijk concludeert Harlequin nijdig: ‘Ze dokte wel, jou was niet Frans:/ Om datte jou, om zo te zegge,/ Al wat jou zien verkeerde uit legge’. Jaap riposteert: ‘Jy, doet niet as van wondren kallen;/ Maar, die zeer haast in duigen vallen’. 
Dat was in Harlequin nr. 1. In nr. 2 moppert Harlequin nog na over die boer, ‘Die as de duv’le was zo dom;/ Al wat hum zak, hum keek ferkeerte’. 
Het verloop van de oorlog pakt steeds slechter uit voor de Fransen en Harlequin heeft steeds meer te goed te praten. Nadat hij in nr. 3 nog eens flink voor de gek gehouden is door Jaap, die zich aanvankelijk voordoet als Vlaming in Franse dienst, vertrekt hij definitief naar Frankrijk. Overigens is het Vlaams van Jaap nog lastiger te lezen dan Harlequins koeterwaals.

Relatie tot andere periodieken
In het voorwoord van de Rempelaar en Van Damme-nadruk wordt gewag gemaakt van ‘twee Bastaard zeuntjes, onder de naam van derde en vierde Harlequin’, die verkocht werden als zijnde van ‘een en zelve Vader met de voorige’.
Het ‘verschynen van den opregten Harlequinus de derde’ logenstrafte deze bewering echter al snel. Een van die ‘Bastaard zeuntjes’ was wellicht de anonieme Harlequin met de Rarekiek, van de Amsterdamse kermis; vertonende de gezigten in Vlaend’ren en Brabant, van den 15 november tot den 15 december 1708. Net als bij Pook is Harlequins gespreksgenoot hier Jaap uit Nieuwersluis. Het andere mogelijke ‘Bastaard zeuntje’ komt hierna ter sprake.
Zelf laat Pook Harlequin klagen over ‘zulke domme en lompe Vente’, die ‘al myn Spulle Kopiëre’. In dezelfde derde Harlequin plaatst hij een ‘Nodig naberigt’, waarin hij meedeelt dat hij dat derde nummer niet geschreven had als niet iemand ‘Al twee maal, op myn Tytel heeft geschreven’. Het ergste aan die naäper was dat hij ‘gans ontstigt,/ Ja ’t Heilig Woord […]/ En Godheit, zelv schynt in ’t gesicht te spuuwen’. Kandidaat-slachtoffer van deze uitval is de anonieme Harlequin, met de Rarekiek, Vertoonende de gesigten in Vlaend’ren en Brabant, van den 15 december tot den 25 dito, 1708, die zeker niet van Pook is en zeker wel in weinig verheffende taal over kerk en geloof schrijft. Tegen dit kandidaatschap kan pleiten dat Harlequins gespreksgenoot niet Jaap, maar Gerrit heet en uit Roelofarendsveen (‘Roele-vaartjes Veen’) komt.
Wat er ook van het vaderschap van althans deze ‘zeuntjes’ zij, overduidelijk is dat beide hun titel geënt hadden op die van Pooks tweede Harlequin. Dat lijkt in overeenstemming met het gegeven dat kennelijk, zoals hierboven bleek, de ‘zeuntjes’ verschenen waren vóór Pooks derde Harlequin.
In 1722 verscheen een Samenspraak gehouden in de and’re waereld waarin Pook en de zojuist overleden Jan van Gijsen (1668-1722) elkaar tegenkomen in het hiernamaals. Van Gijsen zelf had ook flink wat harlequins geschreven, maar, zo complimenteert hij Pook: ‘U Harlequienen zyn van niemant nog verbeeterd’. Pook beaamt dat:

Gy hebt me daar nogtans meê na den broek geveeterd,
En meenig
 Harlequien geschreven na myn dood,
Dog ’t scheelden al zo veel dan klatergoud by loot,
Gy hebt van ’t
 Waals myn Vrind geen oude Kaas gegeeten.
Het Waals, dat heerlyk
 Waals, is nimmer door Poeëten
Zo uytgeblaazen, als doen Pook dat werk begon. (p. 14)

Dit lijkt niet zozeer verwaandheid van Pook als wel het oordeel van de schrijver van de Samenspraak, Jacobus Rosseau (1694-1738).

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek (Bijzondere Collecties): Pfl N g 18-20 (losse ex.)
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1264 G 14: 1-3 (nadruk 1708)
¶ Full text nadruk 1708
¶ Full text herdruk 1709 in: Jan Pook, Rommel-zoodjen bestaande in verscheiden ernstige en boertige helden-zangen […]. Nevens deszelvs drie Harlequinen met de rarekiek; vertonende op een boertige wyze de gevallen des oorlogs in Vlaanderen, van den 28. september, tot den 24. december des jaars 1708. Door den autheur overgezien, en van alle leez en drukfauten in de voorige drukken, gezuiverd (Amsterdam, Timotheus ten Hoorn, 1709) 
¶ Full text nadruk 1709 in: Harlequin, reysende met zyn rarekiek van Wynendaal en Ryssel naar de Amsteldamse kermis, en van daar te rug naar de grensen van Vrankryk. Laatende op een geestige wys, in drie vertooningen zien, het voorgevallene van den 28 September, tot het eynde van ’t jaar 1708. Agter aan zyn gevoegt, eenige vreugdeliederen en zegesangen, over de gelukkige veldtocht van ’t selve jaar. Door verscheyde liefhebbers saam gesteld (Amsterdam, Andries Rempelaar en Andries van Damme, 1709).

Bronnen
¶ Harlequin met de Rarekiek, van de Amsterdamse kermis; vertonende de gezigten in Vlaend’ren en Brabant, van den 15 november tot den 15 december 1708 (t’Amsterdam gedrukt, by P.K.) (UBL: ThysPf 13403)
¶ Harlequin met de Rarekiek; Vertonende de gesigten in Vlaend’ren en Brabant, van den 15 december tot den 25 dito, 1708 (z.p., z.n., z.j.) (UvA/BC: Pfl N g 21)
¶  [Jacobus Rosseau], Samenspraak gehouden in de and’re waereld, tusschen Jan van Gyzen, en eene and’re versturve poeëten (Amsterdam, Jacobus van Egmont, 1722).

Literatuur
¶ Anna de Haas, ‘Wie was Jan Pook?’, op de website van de Stichting Jacob Campo Weyerman (14 september 2017)
¶ Ivo Nieuwenhuis, ‘Politiek op de kermis. Het genre van de gefingeerde rarekiekvertoning’, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 39 (2017), p. 1-16
¶ R. Zuidema, lemma ‘Jan Pook’, in: Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel 9 (Leiden 1933).

Anna de Haas