Harlequin met de Rarekiek (1709-1710)

Titelbeschrijving

Nr. 1. Eerste Harlequin, met de Rarekiek, van Vrankryk naar Holland. Verhaalende op een boertige wyze de veldtocht in Henegouwen, in ’t jaar 1709
Nr. 2* Schar-moesje, of Voorlopertje van een Tweede Harlequin met de Rarekiek: Vertoonende op een boertige wys het openen der veldtogt, van ’t jaar 1710. Met het inneemen der Fransche linien
Nr. 2** Kortezaantje, of Voorlopertje van een Tweede Harlequin, met de Rarekiek; Vertoonende op een boertige wyze de verrigtinge van het Fransse leger, in may 1710
Nr. 2. Tweede Harlequin, met syn Rarekiek; Vader van Scharmoesje, en Kortezaantje; Vertoonende op een boertige wyze de verrigtinge van het Fransse leger, wegens de belegering en het overgaan der stad Douay, den 26 juny 1710
Nr. 3. Derde Harlequin, met de Rarekiek; Vertoonende op een boertige wyse, de verrigting des hertog van Tursis, op ’t eyland van Serdanje
Nr. 4. Vierde Harlequin, sonder Rarekiek. Klagende op een boertige wyze, over de komst van drie nieuwe, en hem naar aapende Harlequins
Nr. 5. Vyfde Harlequin, met zyn Rarekiek; Vertoonende op een boertige wyze, het afbreeken der vreedehandel tot Geertruydenberg, en verd’re toestand der Franssen, met het begin van july, 1710
Nr. 6. Sesde Harlequin, met zyn Rarekiek; Verhaalende op een boertige wyze, het komen der Franschen buyten hun linien by Arras
Nr. 7. Sevende Harlequin; met zyn Rarekiek. Vertoonende op een boertige wyze het verslaan van het Spaansche leger in Catalonien; benevens het vergiftigen der gaalderyen voor Bethune
Nr. 8. Agste en laatste Harlequin, met zyn Rarekiek; Vertoonende op een boertige wyze, de gadeloose neêrlaag der Fransen en Spanjaarden, by Saragossa, met het verdelg van hun leger, en den ondergang van den hertog van Anjou, den 20. augusty 1710

Periodiciteit
Het blaadje verscheen onregelmatig. Nr. 2 heeft twee ‘voorlopertjes’: de nrs. 2* en 2**.
Nr. 1 is waarschijnlijk van oktober 1709, nr. 2* van april of mei 1710, nr. 8 van eind augustus, begin september 1710. 

Bibliografische beschrijving
Van het eerste nummer bestaat blijkens de STCN een los exemplaar van 4 pagina’s in kwarto, met een in spelling en interpunctie licht afwijkende titel, en zonder het woord ‘Eerste’. Colofon: ‘t’Amsterdam by Cornelis van Hoogenhuyzen, op de Egelantiersgragt by de tweede brug’. 
Ook van de Vierde Harlequin bestaat een los exemplaar van 4 pagina’s in kwarto, getiteld ‘Jan van Gysen’s Vierde Harlequin…’, zonder colofon.
In beide gevallen begint de tekst, gezet in twee kolommen, direct na het titelblok.

Boekhistorische gegevens
Voor zover bekend zijn van deze eerste reeks Harlequins slechts twee losse exemplaren overgeleverd. Het ene (nr. 1) is aan het eind ondertekend: J. v. Gysen, het andere (nr. 4) is aan het eind ondertekend: J. van Gysen. In het losse exemplaar van nr. 4 staan boven de titel twee houtsneden: links een mannetje met een lantaarn, rechts een met een bril in de hand.

Deze plus alle andere nummers zijn opgenomen in Jan van Gysen, De werken, deel 3 (Amsterdam, Jacobus van Egmont, 1711). Het is meer dan waarschijnlijk dat Cornelis van Hoogenhuyzen (1663/64-1741/42), in die jaren Van Gijsens drukker, alle nummers heeft gedrukt. Mogelijk is het colofonloze losse exemplaar van de Vierde Harlequin een roofdruk. 
De titel van nr. 8, de Agste en Laatste Harlequin, verschenen augustus/september 1710, geeft aan dat de auteur niet van plan was de reeks voort te zetten. Omstreeks die tijd was Van Gijsen namelijk overgestapt naar een nieuwe uitgever, Jacobus van Egmont (1686-1725), bij wie hij toen begon aan zijn weekblad, de Amsterdamsche Merkurius. Naar zich laat aanzien heeft Van Egmont tegelijkertijd de uitgave van Van Gijsens Werken, deel 3 overgenomen (delen 1 en 2 verschenen bij Van Hoogenhuyzen). Dat deel is weliswaar op 1711 gedateerd, maar verscheen al in november 1710 (zie de advertenties van Van Egmont in de Amsterdamse Courant, 24 november en 2 december 1710).

Medewerkers
Auteur was Jan VAN GIJSEN (1668-1722). Van Gijsen, geboren in Haarlem, verhuisde in 1699 naar Amsterdam, waar hij vanaf dat jaar tot zijn dood in de Jordaan woonde. Van beroep was hij wever en dat was zijn broodwinning tot waarschijnlijk halverwege 1709. In 1706-1707 schreef hij echter al versjes voor de Antwerpsche Post-tydinge, meestal aangeduid als de Antwerpse Courant. Van sommige reeksen versjes bestaan nog losse verzameluitgaven, gedrukt door Van Hoogenhuyzen. Deze was van 1706 tot zomer 1710 Van Gijsens reguliere drukker-uitgever.
In 1710 schreef van Van Gijsen nog een reeks versjes voor de Antwerpse Courant, maar in september van dat jaar stopte hij daar definitief mee en begon bij Van Egmont aan de Amsterdamsche Merkurius. Vanaf 1710 profileerde Van Gijsen zich uitdrukkelijk als ‘broodpoëet’. Hij schreef gelegenheidsgedichten op bestelling, stelde liedjesbundels samen, schreef afzonderlijke pamfletachtige gedichten over de actualiteit en nog diverse Harlequins (1714-1720). Op 28 januari 1722 verscheen nr. 23 van de tiende Merkurius-jaargang. De volgende dag overleed Jan van Gijsen. Op 3 februari 1722 werd hij begraven op het Karthuizer Kerkhof.

Inhoud 
Zoals de ondertitel aangeeft, zijn toon en stijl van de Harlequins‘boertig’. Elk nummer bestaat uit een berijmde dialoog tussen Harlequin, van Franse herkomst, en Kees, een boer uit Zwammerdam. In de twee ‘voorlopertjes’ is Harlequin vervangen door zijn zoons, respectievelijk Schar-moesje (Scharmoessie in de tekst) en Kortezaantje (Cortisaantje in de tekst). Scharmoes ofwel Scaramouche/Scaramuccia is, net als Harlequin, oorspronkelijk afkomstig uit de commedia dell’ arte. Een ‘kortezaan’ is een courtisaan: een hoveling. Onderwerp van de gesprekken zijn de recente ontwikkelingen in de Spaanse Successieoorlog.
In het eerste nummer wordt het rarekiek-principe geïntroduceerd:

Kees. Wat duvel hayt [heeft] die halve gek
Daar in dat houte ding te kyken?
Harleq. De roem der Franse Loodewyken
Die toond hier hum kevreesde krakt [kracht].

Harlequin spreekt Nederlands met een zwaar Frans accent, terwijl het Nederlands van Kees vermoedelijk moet doorgaan voor de taal van de straat, van het ‘volk’. Harlequin vertelt wat er in zijn rarekiek (‘dat houte ding’) te zien is aan prachtige Franse militaire prestaties en listen. Kees lacht hem uit, spreekt hem tegen, maakt hem belachelijk. Het is de standaardformule voor alle harlequins.

Relatie tot andere periodieken
Niet te verwarren met Van Gijsens tweede reeks harlequins, de Harlequin met de Rarekiek (1714-1720).
Al in nr. 1 uit de eerste reeks klaagt Harlequin dat hij ‘had vernoomen/ Dat alkeduuriklyk hum spul/ Wierd nakemaake, van een prul’. Op welke ‘namaak’ hij doelt, is onduidelijk, maar met ‘hum spul’ zinspeelt hij vermoedelijk op de drie Harlequins van Jan Pook (1675-1714) uit 1708. In ieder geval laat Van Gijsen hem tegen Kees zeggen:

Jou heb ’t voorgaande Jaar kelakt [gelachen],
Om al het geene dat jouw zaage,
En daar om moetse jouw eerst vraage,
Ofze ook van Nieuwersluyse kwam?

Het ‘voorgaande Jaar’ was 1708 en Nieuwersluis was het dorp waar Jaap, Harlequins gespreksgenoot bij Pook, vandaan kwam. Kees antwoordt: ‘neen, ik ben van Swammerdam’. Pleit Van Gijsen zich aldus vrij van een eventuele beschuldiging van ‘namaak’?
In nr. 4 heeft Harlequin het over vier concurrenten, waarvan de eerste gelukkig slechts ‘in proos’ was, dus daar maakte hij zich niet druk om. De tweede voerde ‘Harlequin, Fop, en zyn Faar’ als sprekers op. Eerst kon Harlequin ze ‘niet ferstane’, want ze spraken ‘niette Duyts, nok Wals’, maar ‘hum rym,/ En dikt’ (ze rijmen en dichten): dat was wel degelijk concurrentie. De derde had een en ander uit ‘d’eerste brafe Harlequien,/ Die hier myn Frind had laten zien’ overgepend en er ‘fan zyn praktyke/ Wat bykesoekt’. Mogelijk betreft dit iemand die ofwel Van Gijsens eerste Harlequin uit 1709 geplunderd had of die van Pook uit 1708. De laatste concurrent, een ‘vierde Harlequien’, die op punt van verschijnen staat, is wellicht een ironische verwijzing naar Van Gijsens eigen Vierde Harlequin
Aan het eind van de losse aflevering van de Vierde Harlequin staat nog een aankondiging. Die lijkt op het eerste oog afkomstig van de drukker, maar kan evengoed een grap zijn in aansluiting op de inhoud van het nummer: ‘Nota! Men sal de Liefhebbers de toekomende reys ’er een van een ander Auteur opdissen, die ’k geloof dat wel soo smakelijk sullen vallen’.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: Pamfletten 1708-1709 (los ex. eerste Harlequin, 1709)
¶ Amsterdam, Rijksmuseum, bibliotheek Koninklijk Oudheidkundig Genootschap: meegebonden in Van Gijsen, Amsterdamsche Merkurius, deel 4, tussen nrs. 30 en 31 (Vierde Harlequin)
¶ Full text los exemplaar nr. 1 (STCN, zie illustraties)
¶ Full text Jan van Gysen, De werken, deel 3 (Amsterdam, Jacobus van Egmont, 1711), p. 30-41 (nr. 1), 48-51 (nr. 2), 54-58 (nr. 3), 63-83 (nrs. 4-6), 87-111 (nrs. 7-10).

Literatuur
¶ Ivo Nieuwenhuis, ‘Politiek op de kermis. Het genre van de gefingeerde rarekiekvertoning’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 39 (2017), p. 1-16.

Anna de Haas