Harlequin met de Rarikiek (1711, 1716)

Titelbeschrijving
Onverwagte Vierde Harlequin, met de Rarikiek: Verhaalende op een boertige wyze alles wat ’er gepasseert is in de maant augustus en september, 1716, wegens het verlaten van de stad Corfu

Periodiciteit
Drie eerdere nummers moeten verschenen zijn in 1711. Dit vierde nummer verscheen 15 september 1716 (dag en maand genoteerd in contemporain handschrift).

Bibliografische beschrijving
Vier pagina’s in kwarto; de tekst, in twee kolommen gezet, begint direct na het titelblok. Het titelblok begint met de naam van de schrijver: Frans van Gyzens Jansz. Onverwagte enz. en bevat bovendien het ‘wapenschild’ dat zijn vader in zijn eigen harlequins en merkuren liet afdrukken.

Boekhistorische gegevens
Colofon: ‘Gedrukt, by Jacobus van Egmont, Boekdrukker en boekverkoper op de Reguliers Brestraat [sic], in de Nieuwe Drukkery, 1716’.

Medewerkers
Auteur is Frans VAN GIJSEN (1692-1725), oudste zoon van Jan van Gijsen (1668-1722) uit diens eerste huwelijk met Anna Valcken (†1709). 
Geboren in Haarlem kwam hij eind 1699 met zijn ouders mee naar Amsterdam. Van zijn leven is bekend dat hij enige jaren als matroos in de kaapvaart op de Middellandse Zee diende (1711-1713). In 1713, 1714 en 1715 schreef hij drempeldichten voor de gebundelde jaargangen van zijn vaders Amsterdamsche Merkurius. In 1717 voer hij als matroos op een VOC-schip naar de Oost. Daar belandde hij in 1718 in Galle op Ceylon (nu: Sri Lanka), eerst als VOC-boekhouder en later als schoolmeester. Hij stierf, waarschijnlijk in Galle, in oktober 1725.

Inhoud
Deze Vierde Harlequin, waarin Frans van Gijsen zelf als Harlequin optreedt, is deels autobiografisch. Hij spreekt dus het Nederlands met zwaar Frans accent dat bij Harlequin hoort. Het nummer opent met een verhaal over zijn reis van Italië, waar hij zat toen met het einde van de Spaanse Successieoorlog (1713) er ook een eind kwam aan de kaapvaart, door Frankrijk naar Nederland. Verder wordt het mislukte beleg van Corfu door het Ottomaanse leger (juli-augustus 1716) beschreven. Zijn Nederlandse gespreksgenoot heet Tewis.
Waarom dit een Onverwagte Vierde Harlequin is, vertelt Frans van Gijsen zelf:

Se ep nuw voor vyf Jaar keleede
Kevolke hun Papa hum skreeden,
En heb triemaal hum Raarekiek
Hier laate ziene in ’t publiek.

(Ik heb nu voor vijf jaar geleden/ gevolgd m’n Papa zijn schreden,/ en heb driemaal zijn rarekiek/ hier laten zien in ’t publiek)
Frans van Gijsen moet dus in 1711 al drie Harlequins geschreven hebben. Waarom het toen daarbij is gebleven, legt hij ook uit: ‘Maar laas! se kon niet kelte winte:/ Se moste toen wat aars bekinte’ (Helaas! ik kon geen geld winnen/ ik moest toen wat anders beginnen). Hij was kennelijk niet van plan geweest nog eens harlequins te gaan schrijven, vandaar het ‘onverwachte’. Waarom hij toch dit vierde nummer schreef, is onduidelijk. Had zijn vader even geen zin of tijd en sprong hij in?
Blijft de vraag welke drie HarlequinsFrans van Gijsen had geschreven in 1711. Mogelijk zijn ze niet overgeleverd.

Relatie tot andere periodieken
In deze vierde Harlequin verwijst Frans van Gijsen naar zijn vaders harlequins door Tewis te laten vertellen dat hij ‘Jaap van Swammerdam’ was tegengekomen. Deze Jaap is de gespreksgenoot in de Harlequins van Jan van Gijsen uit 1714-1720. 

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek (Bijzondere Collecties): OTM O 86-9 (ingebonden bij Jan van Gijsens Harlequins)
¶ Full text

Anna de Haas