Hollandsche Aesopus (1743-1744)

Titelbeschrijving
De Hollandsche Aesopus.

Periodiciteit
Het woensdagse weekblad verscheen van 11 december 1743 t/m 1 juli 1744. Reeds in nr. 1 neemt de schrijver zich voor 30 afleveringen te schrijven, maar ‘zo wy by ondervinding zien, dat het een Vervolg verdient, zal men ‘er een twede deel by voegen’ (p. 3). Vermoedelijk viel het debiet tegen; er is althans geen tweede deel teruggevonden.

Bibliografische beschrijving
Het geheel bevat 235 doorgenummerde pagina’s in octavo, exclusief het voorwerk. De titelpagina van de gebundelde afleveringen bevat slechts de titel, een vignet en het impressum. Er is tevens een Voorbericht toegevoegd. Het titelblok van de afzonderlijke afleveringen bestaat uit het volgnummer, de datum en de titel. Aan het eind is een register van de fabels.

Boekhistorische gegevens
Het blad is gedrukt en werd uitgegeven door Jacob Verlouw, gevestigd op de Dam in Amsterdam, bij de Beursstraat (Leydse Courant 18 december 1743). Hij adverteerde vrijwel uitsluitend voor de loten die bij hem te koop waren. Zijn fonds is beperkt.
Blijkens de advertentie en de colofon van nr. 1 is het blad verkrijgbaar:

te Amsterdam by Jacob Verlouw; Dordrecht, F. Outman; Haarlem, J. Bosch; Delft, Wed. A. Voorstad; Rotterdam, P. Losel; Leiden, van Kerchem; ’s Hage, O. en P. van Thol; Utrecht, H. Bessling; Hoorn, J. Duin, enz.

Inhoud
In het Voorbericht legt de schrijver uit wat een fabel is: ‘een Zinnebeeld, dat my, schoon onder Dierlyke t’samenspreekingen, echter myne, en myner Landgenooten gebreeken doet zien […]’. Het is dus geen leugentaal, zoals men wel zegt van fabels. Er worden geen ‘byzondere Luiden’ beledigd. ‘Gebruik deze Fabelen als eene vermaakelyke uitspanning, en myne moeite zal genoeg betaald weezen, zo dat vermeekelyke, in U iets nuttigs voortbrengen mach’.
Een voorbeeld voor de schrijver is de Hollandsche Spectator (1731-1735), een van de ‘Verbeteraars of wel Berispers der verdorvene Zeden’ die hem voor zijn gegaan. Ook spiegelt hij zich aan zijn ‘Letter-Helden’ Addison, Steele en Swift (p. 2).
De opbouw van de afleveringen is steeds dezelfde: eerst de uitleg van de fabel van de vorige aflevering, dan een nieuwe fabel. Bijvoorbeeld de fabel van de bastaardnachtegaal en een zwaluw, die in nr. 25 een uitleg krijgt over het profijt dat de Republiek kan hebben van immigranten als hugenoten en Westfalers. De bedoeling van deze opzet is, ‘op dat zy [de lezers] zo wel, als ik, eenige vruchten van hun Lees- en Weet-lust mogen rapen, en alzo hun zelven voldoen’. Sommige fabels of fabeluitleggingen bestrijken meerdere afleveringen. De uitleggingen zijn zeer algemeen.
Het blad heeft door deze zedekundige vertogen een spectatoriaal karakter. Ook andere kenmerken wijzen in die richting. Zo roept de schrijver in nr. 1 zijn lezers op hem ‘over nuttige zaken Briefsgewyze te onderhouden’. Nr. 28 bevat inderdaad een ingezonden brief naar aanleiding van de fabel van een ongelukkige landmuis (veldmuis), met daarbij een grafschrift ‘Op eenen Trouwlozen Vrind’, ondertekend door ‘Finis Coronat Opus’. Verder is er enige variatie in literaire vormen. Nr. 14 opent namelijk met een fabeluitleg in dichtvorm; nr. 19 heeft een fabel op rijm. Een enkele keer komen er kleine versjes in voor.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 847 B 32
Full text

Rietje van Vliet