Hollandsche Babbelaar (1795-1796)

Titelbeschrijving
De Hollandsche Babbelaar, of Zotskap.

Periodiciteit
De afleveringen zijn niet gedateerd. Een gefingeerde ingezonden brief (nr. 9) is echter gedateerd 4 augustus 1795. Omdat de colofons melden dat het blad ‘alle Weeken des Dingsdags en Donderdags alöm’ wordt uitgegeven, moet de Babbelaar ongeveer begin juli 1795 van start zijn gegaan. Er moeten minimaal 49 afleveringen zijn verschenen. Het protest in de Amsterdamse Courant van 16 januari 1796 laat zien dat het blad op dat moment nog verscheen.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen 4 pagina’s in kwarto. In het titelblok prijkt een wapenschild met daarin een nar afgebeeld: zoals ook gebruikt in andere Babbelaars van uitgever Van Kolm. Onder deze houtsnede staan de titel en het volgnummer vermeld.

Boekhistorische gegevens
Het blad is blijkens de colofon gedrukt en uitgegeven door Martinus van Kolm, gevestigd in de Tuinstraat te Amsterdam en sinds 1786 drukker-uitgever van revolutionaire volksblaadjes. Prijs: 3 duiten.

Inhoud
Levendig geschreven volksblaadje over politieke gebeurtenissen binnen Amsterdam. Vele Amsterdamse burgers worden met naam en toenaam genoemd. Bijnamen moeten voor betrokkenen zeer herkenbaar zijn geweest. Invectieven als ‘vuile stinkende Oranjeklant’ en ‘zwaar geele oranje Moffrikaner’ worden niet geschuwd. Er wordt dusdanig op de man gespeeld, dat verscheidene gedupeerden de aantijgingen in de krant met kracht ontkenden. Wat dat betreft kan deze Hollandsche Babbelaar zich meten met de Domoor of Nieuwe Domoor (1795) en de Bataafsche Babbelaar of Zotskap (1795-1796), die ook veel reacties teweegbrachten.

Zo verklaarde de Amsterdamse boekverkoper Jan Verlem, nota bene in de jaren tachtig uitgever van diverse patriotse bladen, in de Nationaale Courant van 4 september 1795 dat hij niets van doen heeft met de Babbelaar en de Domoor. Dikwijls worden heimelijk op zijn toonbank briefjes gelegd, of in huis gegooid, die voor de schrijvers van deze bladen bestemd zijn. Hij verbrandt die briefjes allemaal, verklaart Verlem, ‘wyl hy de verborgen SCHRYVERS en de DRUKKERS van bovengemelden PAPIERTJES niet ken, en althans niet met hunnen Correspondentie zig inlaat’.
Ene J. van Bronkhorst ergerde zich vooral aan de anonimiteit van bladen als de Domoor en de Babbelaar. In zijn openbare brief aan de schrijvers van deze en ‘verdere (nuttige) dagbladen’, geplaatst in de Nationaale Courant van 30 september 1795, roept hij hun op te stoppen met schelden en voortaan hun naam te plaatsen onder de bladen. ‘Zo gy dat niet doen durft zwygt dan’.
In de Amsterdamse Courant van 3 oktober 1795 protesteert ene Mattheus Evers tegen nr. 25 van het ‘Schendblad’ de Babbelaar. Hij noemt de schrijver ervan een ‘Eerdief en Schurk’ als deze zijn woorden niet terugneemt en eindigt met de politieke verklaring ‘blyvende intusschen denzelven die hy in ’t jaar 1787 geweest en nog is’.
Jan de Munnik komt in de Amsterdamse Courant van 13 oktober 1795 in het geweer tegen de aan hem gerichte beschuldigingen. Deze ‘sterke geele snaak’ uit de Middelstraat zou zich volgens nr. 27 van de Babbelaar in 1787 misdragen hebben als ordeverstoorder in de stad en looft een premie uit van ƒ 50 (bestemd voor de armen) voor degene die dit kan bewijzen.
In de Amsterdamse Courant van 28 november 1795 verdedigt ene Jan Scholtes zijn (vermoedelijke) schoonzus, de Wed. Scholtes, tegen de lasterlijke uitspraken in nr. 39 van de Babbelaar. Ook haar zoon, dochter en ‘een Jongeling’ waren in dit blad in kwaad daglicht geplaatst.
Op 16 januari 1796 is het Dirk van Eeusom die in de Amsterdamse Courant een nijdige verklaring aflegt tegen de Babbelaar. Hij was in nr. 49 van dit blad, samen met Gerrit Romeyn, genoemd als ondertekenaar van een brief, die kennelijk gericht was tegen het revolutionaire bewind. Van Eeusom loofde een premie uit van 100 zilveren ducatons aan degene die kan bewijzen dat hij inderdaad de bewuste briefschrijver is geweest en een premie van ƒ 50 aan degene die kan aantonen wie de brief zou hebben gefabriceerd.

Relatie tot andere periodieken
Aan het einde van de achttiende eeuw verschenen diverse babbelaars, die hun titel ontlenen aan de Tatler. Voorbeelden zijn de Nieuwe Babbelaar of Oude Bataaf (1795) en de Oude Hollandsche Babbelaar, of Zotskap (1795), de Bataafsche Babbelaar of Zotskap (1795-1796) en de Incroyable Babbelaar (1797-1799). Ze zijn vaak uitgegeven door Van Kolm.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 925 C 57 (nrs. 6-9, 27)
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: O 01-2572 (nr. 22).
¶ Full text nrs. 6-9, 27

Literatuur
¶ Barbara Resink en Jort Verhoeven, ‘De stem van het volk. De Amsterdamsche wijkvergaderingen in de eerste jaren der Bataafsche revolutie’, in: Maandblad Amstelodamum 83 (1995), p. 33-43
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘De Reizende Nieuwsbode’, in: De Nederlandsche Spectator 1877, p. 276-278, 281-282, 293, 306-307, 313-316.

Rietje van Vliet