Hollandsche Spectator (1731-1735)

Titelbeschrijving
De Hollandsche Spectator.

Periodiciteit
Het tijdschrift verscheen van 20 augustus 1731 t/m 8 april 1735 (360 nrs.). Aanvankelijk was het een weekblad maar reeds na vier maanden, met ingang van 4 januari 1732 (nr. 21), kwam het niet alleen op maandag maar ook op vrijdag uit. De populariteit van de Spectator was kennelijk snel gegroeid.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in octavo. Telkens werden 30 nummers gebundeld tot een afzonderlijk verkrijgbaar deeltje, met eigen titelblad.

Boekhistorische gegevens
Het blad werd gedrukt en uitgegeven door Hermanus Uytwerf, aan het Rokin te Amsterdam. Hij was de enige Amsterdamse boekverkoper waar het blad te koop was; vermoedelijk had hij omlopers in dienst die het aan huis bezorgden (nr. 264).
Zijn landelijke distributienetwerk ging aanvankelijk niet verder dan de grote steden in Holland en Utrecht. In het impressum werden met naam en toenaam genoemd: Jan Daniel Beman (Rotterdam), Adriaan Beman (Delft), Cornelis Boucquet en Isaac van der Kloot (’s-Gravenhage), Joannes van Braam (Dordrecht), Johan Arnold Langerak (Leiden), van Kessel (Haarlem) en Willem Kroon (Utrecht). Spoedig werd dit netwerk uitgebreid met Adam Meerkamp (Middelburg), Pieter de Paaynaar (Vlissingen), Hendrik Strik (Leeuwarden) en Jakobus Ennema (Franeker). Andere retailhandelaren waren Pieter van der Kloot en Reinier Boitet (Delft), weduwe Matthijs van Lee (Haarlem), Johannes van Kerckhem (Leiden), Jurriaan van Paddenburg (Utrecht).
Per aflevering moest 1½ stuiver worden neergeteld. Een deel van 30 nummers kostte echter 30 stuivers (ƒ 1:10). De complete reeks van 12 delen met toegevoegde registers was voor ƒ 15 verkrijgbaar. De prijs van een complete tweede druk bedroeg ƒ 12.
De oplage is onbekend maar moet zeker een paar duizend exemplaren zijn geweest (nr. 165). Toch lijkt het erop dat het niet onmiddellijk na verschijnen van de eerste aflevering stormliep, getuige Van Effens opmerking dat men wachtte totdat men ‘het blaadje in een koffiehuis eens kan gaan inzien’ (nr. 255).

De uitgever van de Hollandsche Spectator heeft de eerste 211 exemplaren en de voorrede integraal nagedrukt, om de verkoop van het volledige tijdschrift in deeltjes mogelijk te maken. Dit verklaart de verschillen tussen de exemplaren die bewaard zijn gebleven.
In 1756 verscheen in 6 delen: Hollandsche Spectator. Tweede druk. Vermeerderd met het leven van den schryver [door P.A. Verwer] en een nieuw breedvoerig register over het geheele werk. Met titelvignetten en portret door P. Tanjé naar M. des Angles, met onderschrift door Th. van Snakenburg, Amsterdam, K. van Tongerlo en F. Houttuin, 1756.

Medewerkers
Justus VAN EFFEN (1684-1735) wilde zijn identiteit voor iedereen geheimhouden om als Heer Spectator onafhankelijk te kunnen functioneren. Om die reden liep al het briefverkeer naar hem via de uitgever (bijvoorbeeld nr. 226).
De carrière van Van Effen kende door omstandigheden een rommelig begin. Hij diende als cadet in het Staatse leger, studeerde even aan de Utrechtse academie en begon daarna als gouverneur bij enkele aanzienlijke families in Den Haag, Leiden en Rotterdam. Dankzij deze functie trok hij langs diverse buitenlandse hoven, waardoor hij kennis kon maken met de cultuur en samenleving buiten de Republiek. In 1733, twee jaar na de start van de Hollandsche Spectator, werd Van Effen benoemd tot commies van ’s Lands Magazijnen van Oorlog te ’s-Hertogenbosch. Een slepende maagkwaal speelde hem echter parten en op 51-jarige leeftijd overleed hij. Hoewel hij tijdens zijn leven te boek stond als serieus, eerlijk en (christelijk) deugdzaam, vond men hem ook wel ijdel, gereserveerd en hooghartig.
Van Effen schreef aanvankelijk in het Frans. Bekende tijdschriften van zijn hand zijn de Misanthrope (1711-1712), de Bagatelle (1718-1719) en Le Nouveau Spectateur François (1724-1725). Van Effen werkte ook mee aan het Journal Littéraire (1713-1722) en L’Europe Savante (1718-1719). Verder staan er verschillende vertalingen op zijn naam.
Van Effen werd in het schrijven van zijn Hollandsche Spectator gevraagd en ongevraagd bijgestaan door correspondenten (deel 1, Voorrede; nrs. 84, 111). Hun bijdragen werden als ingezonden brieven geplaatst, al waren er slechts zes van wie hij ongezien de teksten zou plaatsen. Andere inzendingen moesten nog worden bijgeschaafd of waren slechts ‘bekladde blaadjes’ die goed waren voor ‘papillotten’ (nr. 165). Van het zestal op wie hij kon blindvaren is inmiddels van drie correspondenten de identiteit onthuld: de Leidse advocaat Theodoor VAN SNAKENBURG (1695-1750), diens Amsterdamse collega Jacob Elias MICHIELSZ (1698-1750) en Van Effens latere biograaf, de doopsgezinde Pieter Adriaansz VERVER (1696-1757).
Andere correspondenten waren de Haarlemse ondernemer Pieter MERKMAN DE JONGE (1699-1760), de latere hoogleraar rechten in Harderwijk Gerhard SCHRÖDER (1708-1762), de Amsterdamse makelaar Jan VAN RIJSSEN (†1774), de Amsterdamse koopman-dichter Lucas PATER (1708-1781) en de Remonstrantse predikant uit Rotterdam Willem SUDERMAN (1707-1750).

Inhoud
De literaire formule van de Hollandsche Spectator is ontleend aan The Spectator (1711-1712) van Joseph Addison en Richard Steele. Ook Van Effen presenteert zich als een fictieve ‘Heer Spectator’, die als een geëngageerd toeschouwer de gewoontes en gebreken van zijn tijd observeert en beoordeelt. Hij geeft zijn lezers wijze raad over hoe zich te gedragen, met als doel hen op te voeden tot moderne, verlichte burgers. De Nederlandse Heer Spectator is een gezelschapsmens, maar anders dan zijn Engelse voorgangers is hij geen lid van een genootschap. Evenmin debiteert hij zijn wijsheden vanuit een koffiehuis of sociëteit.
Zijn lezerspubliek bestond uit ‘luiden van een middelbare staat’ (nr. 68), volgens Buijnsters de middenstand van welopgevoede burgers, die vooral behoefte hadden aan verlichte instructie. Zij vormen de intellectuele elite van de Republiek. Sturkenboom komt tot een specifiekere beschrijving: de hoge en brede burgerij, bestaande uit kooplieden, ondernemers, officieren, ambtenaren, geneesheren, predikanten, juristen, apothekers en docenten aan Latijnse scholen. Handwerkslieden en winkeliers behoorden volgens haar duidelijk niet tot de primaire doelgroep, al zullen ze de Spectator wel in koffiehuizen gelezen hebben. Van Effen richtte zich evenmin tot de adel en het regentenpatriciaat.
De Hollandsche Spectator, gezagsgetrouw en gematigd in vele standpunten, kaart vanuit een strak moralistisch kader een breed scala aan onderwerpen aan. Het wemelt van de huiselijke tafereeltjes waarin de gebeurtenissen aantonen dat deugd alles overwint. In deze realistische schetsen wordt voortdurend de strijd gestreden tegen het zedelijke verval, waarvan losbollen en lanterfantende studenten het toonbeeld zijn. Met bijvoorbeeld zijn kritiek op Franse decadentie en de verfransing van de Nederlandse cultuur had Van Effen het zedelijk verval van de Republiek op het oog (nr. 112). Hij gaf hiermee niet alleen uiting aan het nationaal besef, maar wakkerde met zijn opvoedkundige vertogen tegelijkertijd de vaderlandslievende gevoelens nog eens extra aan.
De literaire vorm van de vertogen is weinig gevarieerd. De Hollandsche Spectator kent enkele romans-in-de-dop, zoals ‘Kobus en Agnietje’ (nrs. 146, 151, 161), ‘Nabal en Heilke’ (nrs. 150, 165, 183) en ‘Thijsbuurs Os’ (nr. 117), maar deze novellistische vertellingen zijn eerder uitzondering dan regel. Van fictioneel proza moest Van Effen weinig hebben (nr. 255). Politieke en wetenschappelijke beschouwingen zijn niet aanwezig. Wel bevat het blad recensieachtige vertogen die bedoeld zijn om de literaire smaak van de lezers bij te schaven. Vooral het Nederlandse toneel kreeg ruimschoots de aandacht, waarbij Van Effen zich misprijzend uitliet over het in zijn ogen weinig verheffende theater van Jan Vos (nrs. 24, 200). Verder was Van Effen vol lof over de ‘deftige Vaderlander’ Jacob Cats, die over zoveel meer dichterlijke kwaliteiten beschikte dan brooddichters als Hubert Poot (nrs. 11, 24). Gedichten ontbreken vrijwel geheel.

Mede dankzij de bijdragen van verschillende correspondenten is de stijl afwisselend. Zo zijn er brieven in de volkstaal geschreven, bijvoorbeeld van Grietje Kenouil (nr. 58), en er is gebruik gemaakt van het al sinds de zeventiende eeuw populaire dialooggenre (het praatje in de trekschuit, nr. 108). Ondanks de naar huidige maatstaven soms sterk prekerige toon kent de Spectator geen zware godsdienstige vertogen waarin dogmatische kwesties aan de orde worden gesteld.
De vele beschrijvingen van zeden en gewoonten en sociale verhoudingen maken de Hollandsche Spectator tot een belangrijke kennisbron voor onderzoekers van de Nederlandse samenleving in de eerste helft van de achttiende eeuw. Maar er wordt geen realistisch beeld gegeven van de handel en wandel, het denken en doen van de beschreven burgers. Deugdzaamheid en braafheid zijn de norm. Omdat de lat hoger lag dan wat er in werkelijkheid plaatsvond, geeft de Spectator alleen een beeld van de beleden normen en waarden in de jaren dertig van de achttiende eeuw.

Relatie tot andere periodieken
Van Effen wilde met zijn Hollandsche Spectator de succesvolle Britse spectators navolgen (nrs. 1, 224). Hij beschouwde De Mensch Ontmaskert van Joan Duncan als enige Nederlandstalige voorloper, al had hij wel kritiek op de stijve stijl en het gebrek aan polemische prikkels (nr. 1).
De Hollandsche Spectator was in de Republiek als zedenmeester gezaghebbend en kende tientallen navolgers. Het tijdschrift kreeg een lovende recensie in de gezaghebbende Boekzael der Geleerde Werelt (nr. 34b). Ook elders werd en passant met waardering gesproken over de Hollandsche Spectator.
Er was echter ook kritiek. Jacob Campo Weyerman, zelf meester in de satire, veegde in zijn Adelaar (nr. 9) de vloer aan met Van Effens geesteskind, dat hij maar ‘loom en dof’ geschreven vond. De kritiek kwam ook van de kant van de orthodoxie. Zo deden in 1734, op de kleine synode te Schoonhoven, enkele leden van de hervormde kerk hun beklag over Van Effen, die zich als Heer Spectator zou hebben bemoeid met de theologische leer. Zij stelden alles in het werk de Hollandsche Spectator een verbod op te leggen, maar tegen de tijd dat een officiële aanklacht kon worden ingediend, was het laatste nummer reeds verschenen.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 28 M 1-6
¶ Full text nr. 1-30 (20 augustus 1731-4 februari 1731), nr. 31-60(8 februari 1732-23 mei 1732), nr. 61-105 (26 mei 1732-27 oktober 1732), nr. 106-150 (31 oktober 1732-3 april 1733), nr. 151-195 (7 april 1733-7 september 1733), nr. 196-240 (11 september 1733-12 februari 1734), nr. 241-295, nr. 296-360.

Literatuur
¶ D. Sturkenboom, Spectators van hartstocht (Hilversum 1998)
¶ P.J. Buijnsters, Justus van Effen (Utrecht 1992)
¶ P.J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991)
¶ P.J. Buijnsters, ‘Lezersbrieven’, in: W. van den Berg (red.), Het woord aan de lezer (Groningen 1987), p. 127-141
¶ B. van Selm, ‘De 1731-1735 edities van De Hollandsche Spectator’, in: Studies voor Zaalberg (Leiden 1975), p. 187-260
¶ W. Zuydam, Justus van Effen (Gouda 1922)
Zie ook de inleidingen van diverse tekstedities, waaronder Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 31-60 (8 februari 1732 – 23 mei 1732), ed. Elly Groenenboom-Draai (Leiden 1998); idem, aflevering 61-105 (26 mei 1732 – 27 oktober 1732), ed. W.R.D. van Oostrum (Leiden 1999); idem, aflevering 106-150 (31 oktober 1732 – 3 april 1733), ed. Susanne Gabriëls (Leiden 1998); idem, aflevering 151-195 (7 april 1733 – 7 september 1733), ed. Marco de Niet (Leiden 1999); en idem, aflevering 196-240 (11 september 1733 – 12 februari 1734), ed. José de Kruif (Leuth 2001).

Rietje van Vliet