Hollandsche Toneel-Beschouwer (1762-1763)

Titelbeschrijving
De Hollandsche Toneel-Beschouwer. Vervattende eenige Aanmerkingen, op het Vertoonen der Treur- Bly- en Klucht-speelen, geduurende het afgeloopen Saisoen van 1762 en 1763. Op den Schouwburg Te Amsterdam.
In het titelblok van de afleveringen staat alleen de verkorte titel.

Periodiciteit
Eénmaal per 14 dagen, vanaf 30 augustus 1762 t/m 24 mei 1763. In totaal verschenen er 20 nummers die in één deel verzameld werden.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen zijn wisselend van omvang: 14, 16 of 24 bladzijden in octavo. Met doorlopende paginering en katernsignaturen; vanaf nr. 15 is de paginering corrupt.
Het titelblok bevat de titel, de datum en het volgnummer. De titel wordt steeds gevolgd door één of meer citaten, ontleend aan werk van klassieke of moderne schrijvers (Horatius, A. Pels, N. Boileau, Molière, R. Steele, A. Pope en anderen).
Het geheel wordt voorafgegaan door een ‘Opdracht aan den schranderen toneelspeeler Antony Spatzier, Te Amsterdam’, gesigneerd ‘Ridendo dicere vero, quis vetat’ (2 blz.) en een ongesigneerde ‘Inleiding’ (4 blz.). Na de laatste aflevering volgt nog een ‘Register der Spellen in ’t Voorgaande Werkje’ (6 blz.).

Boekhistorische gegevens
De nrs. 1-6 hebben als colofon: ‘Te Amsterdam, By Adrianus Hupkes, Boekverkoper over de trappen van de Beurs’. Latere afleveringen hebben geen colofon.
Het impressum op de titelpagina van de bundeling afleveringen vermeldt: ‘Te bekomen, Te Rotterdam, By Gerrit van Rooyen, En by andere Boekverkopers in de Hollandsche Steeden 1763’.

Medewerkers
De afzonderlijke afleveringen zijn niet gesigneerd. In nr. 19 spreekt de schrijver over ‘onze voorgangers’. Dit meervoud, zowel als de verandering van toon, scherpte, levendigheid en inhoud vanaf nr. 15, lijkt erop te duiden dat er sprake is van meerdere schrijvers. Mogelijk behoorden ze tot het kunstgenootschap Ridendo Dicere Vero, Quis Vetat (RDVQV), dat de opdracht aan Spatzier heeft ondertekend.

Inhoud
De Hollandsche Toneel-Beschouwer behoort tot de eerste Nederlandstalige tijdschriften die geheel aan het toneel waren gewijd. Het stak kwalitatief ver uit boven het Schouwburg-Nieuws (1762-1764). De titel van de Toneel-Beschouwer is programmatisch. De vertogen moesten volgens de auteur strekken tot verbetering van het Nederlandse toneel. In de Inleiding schrijft hij het ‘belachelyk’ te vinden

dat onze Hollandsche Natie hedendaags zo sterk met het Fransche Tooneel is ingenomen, dat veelen onder ons zich nauwlyks verwaardigen van den Hollandschen Schouwburg te spreeken, dan met verachting.

Bij herhaling memoreert de schrijver hoe weinig oorspronkelijk Nederlandse toneelstukken er geschreven werden (p. 121, 184), terwijl de stukken van Franse bodem lang niet altijd boven alle kritiek verheven waren. Molières blijspel Scapyn wordt afgewezen vanwege de ‘platte landspraak’ (p. 21) en de vertaling van Voltaires Dood van Cesar door Jacob Voordaagh wordt rampzalig genoemd (p. 34). Wanneer tijdens de viering van het 125-jarig bestaan van de schouwburg het treurspel Polieukte van Corneille wordt opgevoerd, reageert de schrijver met verontwaardiging: ‘wy oordeelen dat de Gabinia van den Hr. S. Feitama, veel beter geschikt is om op de gemoederen der aanschouwers, eenige werking te doen, dan dit Stuk’ (p. 173).
Ook de oorspronkelijk Nederlandse stukken moeten het vaak ontgelden wegens hun schandelijke taal, bedorven smaak, vertoonde gruwelijkheden, ongerijmdheden, of gebrek aan samenhang (p. 25, 42, 47-48, 49, 66-68). Bij de vertoning van het kluchtspel Duifje en snaphaan bijvoorbeeld luidt het commentaar kortweg: ‘Ik word moe over diergelyke vodden te schryven’ (p. 53).
De nieuwe burgerlijke drama’s – zoals De vriendschap van Van der Winden (p. 96), De minderjarige van Fagan (p. 100) en De getrouwde philosooph van Destouches (nr. 18, p. 289-296) – worden steeds met welwillendheid besproken. De vertaler van La Chaussées  Melanide, Nicolaas Willem op den Hooff, wordt aangeraden zich ‘niet te kreunen’ aan alle kritiek die men over dit blijspel uitstortte (p. 97). Vol lof is de schrijver over Voltaires Wedergevonden zoon (p. 161-175).

De Hollandsche Toneel-Beschouwer besteedt veel aandacht aan de kunst van het toneelspelen. Hier merkt men hoezeer de geest van de Verlichting ook in het theater begon door te dringen. Tegen de traditie van de gestileerde, door regels gedicteerde toneelspelkunst van het classicisme in, ontstond een verlangen naar een natuurlijker en dichter bij de werkelijkheid staande voordrachtskunst. Dit kwam tot uitdrukking in de wijze van karakterverbeelding, declamatie, mimiek en kostumering.
Op tal van plaatsen kunnen we in de Toneel-Beschouwer lezen dat een acteur zijn rol niet goed begrepen heeft, of beter moet bestuderen om dichter bij zijn karakter te komen. Bij een uitvoering van Pieter Langendijks blijspel Xantippe roept de schrijver vertwijfeld uit ‘dat, behalven Mr. Starrenberg, die de Rol van Socrates speeld, geen mensch iets van zyn karakter begrypt’ (p. 50-51). Uit ditzelfde onvermogen vloeit voort, aldus de Toneel-Beschouwer, dat spelers de aanwijzingen van de dichter negeren en in plaats daarvan zich verkeerd gedragen. Met als gevolg dat het publiek emotioneel op het verkeerde been wordt gezet (p. 23-24, 55-56).
De acteur Jan Punt wordt verschillende malen gekapitteld om zijn declamatie. Nu eens omdat hij ‘tegen recht en reden’ [curs. TM] verschrikkelijk schreeuwde bij het verlaten van het toneel (p. 77, 123), dan weer wegens zijn gewoonte bij het reciteren de alexandrijnen in vieren te hakken (p. 130). Punt krijgt het advies de Verhandeling van de uitspraak en gebaarmaaking van eenen redenaar (1701) van Michel le Faucheur te gaan lezen.
In deze context citeert de schrijver ook ruimhartig uit de inleiding op Hamlet, waarin Shakespeare de toneelspelers een aantal grove fouten voor ogen stelt (p. 132-134). Ook de mimiek was volgens de auteur ‘rechtdraads strydig met de gezonde reden’ (nr. 15, p. 296). Ter toelichting wordt een complete brief overgenomen uit de Observateur des Spectacles van François-Antoine de Chevrier: het aantal bewegingen dat een acteur met zijn ledematen kan maken, is beperkt en volgt elkaar steeds in dezelfde volgorde op. Dit leidt ertoe ‘dat naauwelyks een enkele dier gebaarden, overeenkwam met den zin der woorden, die uitgesproken, of met de gevoelens, waar mede die moesten aangedaan worden’ (nr. 15, p. 300-301). Deze voorspelbare, mechanisch uitgevoerde gebarentaal, die los staat van de hartstochten, druist natuurlijk in tegen het gezond verstand.

De kostuums moeten overeenkomstig de natuur zijn, dat wil zeggen overeenstemmen met de historische werkelijkheid (p. 8-9). De schrijver van de Toneel-Beschouwer ziet het als een hele vooruitgang dat het treurspel Arminius in ‘’t harnas’ in plaats van de gebruikelijke ‘moderne kleeding’ werd vertoond (p. 40-41). Daarentegen vindt hij het ‘belachelyk, de Weduwe van Pompeius, met Juweelen opgepronkt ten Tooneele te zien verschynen, daar zy ten eenen maalen in den Rouw behoorde te zyn’ (p. 46). Bij de uitvoering van het treurspel Wenseslaus kwamen ook al enkele storende anachronismen voor. De kostuums van Punt en Duim waren

inzonderheid zeer dol. Monsr. Punt zag ’er uit als een fatzoenlyke Lichtmis, en Monsr. Duim vertoonde een Koning als een Amsterdamsch koopman, met een Brigardiers Pruik op; naar welk eenen Vorst hy dit hoofdçieraad geimiteerd heeft, is my onbekend; doch ik denke dat het naar een Koning van de Amsterdamsche beurs zal zyn. (p. 142-143)

Repetities werden er niet of nauwelijks gehouden. Nieuwe stukken werden slechts enkele dagen voor de première ingestudeerd (p. 122), met alle gevolgen van dien. Maar ook voor andere stukken geldt, zo oordeelt de Toneel-Beschouwer, dat de acteurs zich tijdens hun spel alles behalve rolvast toonden. Op dit punt regent het in het tijdschrift van de klachten (p. 16, 19, 135, 141, 173, 201, 213). De acteur Gerrit Brinkman, die eens een hoofdrol in De getrouwde philosooph speelde, krijgt te horen dat hij nog geen vier regels van buiten kende (nr. 18, p. 289).

Bij het bundelen van de afleveringen werd de Toneel-Beschouwer door het genootschap RDVQV opgedragen aan de Amsterdamse acteur Antony Spatzier. De bedoeling was duidelijk: de leden vragen Spatzier of hij

eenige ledige uuren hierin wilt besteeden, om eens te zien of de berispingen zo wel die U in ’t byzonder, als uwe Kunstgenooten betreffen, voor het meerder gedeelte niet na Waarheid zyn ter nedergesteld; en zulks bevindende die te verbeteren.

Een advies dat voorwaar niet misplaatst was.

Het tijdschrift was nog geen twee maanden oud of de eerste reacties kwamen al los, allemaal anoniem. Men was duidelijk nog niet gewend aan toneelkritiek. Anders dan het Schouwburg-Nieuws nam de Toneel-Beschouwer geen blad voor de mond.
Allereerst verschenen de Vrymoedige aenmerkingen op de Hollandsche Toneelbeschouwer, ongesigneerd en ongedateerd. Dit lokte weer twee nieuwe reacties uit. De Brief aan den Hollandschen Tooneel-Beschouwer verscheen eveneens ongesigneerd maar aan het slot is het gedateerd ‘Amsterdam, 30 october 1762. Vervolgens verscheen Brief aan den schryver der Vrymoedige aanmerkingen, op de Hollandsche Tooneelbeschouwer (Te Amsteldam, By Pieter Hayman [z.j.]), aan het slot gedateerd ‘30 october 1762’.

Relatie tot andere periodieken
Concurrerend was het Schouwburg-Nieuws (1762-1764), dat vrijwel gelijktijdig van start ging.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: OK 63-3137 (1)
Full text

Literatuur
¶ Edwin van Meerkerk, ‘“Het dochtertje van monsr. Smit”. De ontwikkeling van een kritisch vocabulaire in toneelrecensies, 1762-1765’, in: Helleke van de Braber en Inger Leemans (red.), Explosieve debatten. Kritische tradities in Nederlandse en Engelse tijdschriften 1750-1940 (Zutphen 2012), p. 26-43
¶ Ben Albach, ‘De groote rivaal’, in: Ben Albach, Jan Punt en Marten Corver. Nederlandsch tooneelleven in de 18eeeuw(Amsterdam 1946), p. 110-132
¶ J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland, deel 2 (Groningen, 1908), p. 280-281.

Thomas Mattheij