Hollandszen Praat-Vaar (1742-1743)

Titelbeschrijving
Den Hollandszen Praat-Vaar, of Weeklykszen Land- en Zeetyding: Verhaalende de voornaamste Militaire, Civiele, Critique en Politique zaaken: Benevens de Mallen en Gekken Concepten en Intervallen van den Praat-Vaar: Als mede verscheiden Correctien, aan de Oud-Bier en Jenever-Broederen, Praaters en Praatsters en meer anderen, die ’t verdienden onder den Neus gewreven: Strekkende tot Leering en Tydverdryf van den gemeenen Man, beschreven door H. Overal, Heer van Betaalwijk, zonder Geld en Geen-Vrind. In plaats van in den goeden Nederduitszen, in den slegten Hollandszen Taal op ’t Papier gezet.
Vanaf deel 2 (nr. 36) wordt de titel soms veranderd, bijvoorbeeld in:
De Hollandszen Praat-Vaar in ’t geallieerden Leeger, of Weeklyksze Land- en Zee-Tyding
Den Hollandszen Praat-Vaar in de Pragmatique Armée
Den Hollandszen Praat-Vaar in de Armée der Batavieren.
Deze titelwijzigingen zullen samenhangen met het beroep van de schrijver.

Periodiciteit
Weekblad. Vanaf begin januari tot en met 26 december 1742 verschenen 50 afleveringen; van 2 januari t/m 25 december 1743 zagen 52 afleveringen het licht.
In deel 2 wordt de opdracht van deel 3 aangekondigd (p. 416). Tijdens de oorlogsomstandigheden zal de auteur geen mogelijkheid hebben gehad dit derde deel te vervaardigen.

Bibliografische beschrijving
Elke aflevering telt 8 bladzijden in kwarto.
Deel 1 heeft X + 400 pagina’s. Het voorwerk heeft een Franse titel, uitlegging van de titelplaat, titelplaat, titelpagina, en lofdichten door C.S. en J.v.E. De plaat toont het studeervertrek van de Praat-Vaar, waaromheen zuilen en guirlanden. Aan de zuilen medaillons, met afbeeldingen van een schip, Praag (als toneel van de oorlog), Babbelstad (Utrecht?) en Amsterdam (waarmee de herkomst van de berichten op de terreinen van nieuws van diverse aard wordt aangeduid). Op de achtergrond bevindt zich een bed. De schrijver leest en schrijft aan een ton. Hij wordt bezocht door twee landlieden. Op de voorgrond een menigte rollen en boeken, met de opschriften: Beneeden Rhyn, Ystroom, Aan de Praatvaar, Scheveningen, Haagsche Ligtmis, Boven Rhyn, Esopus, Jonker v.d. Moesel (volgens de uitleg zijn dit de bronnen ‘waar hy zyn Schryf-vrugt maaid’).
Nr. 1 begint met een Franse titel en daarna, op p. 2-4, een ‘Opdragt aan Johan van Langenberg, Voornaamste Biervlieg en Klodder-Broer’: een onverstandig iemand die slechts onzin leest en pseudogeleerdheid uitkraamt. Het titelblok in nr. 2 heeft, na de nummeraanduiding: ‘Den Hollandsze [t/m] zee-tyding’ gevolgd door ‘Beginnende met den Jaare 1742’ (in deel 2 is dit: 1743). Daarna volgt de datum. Dit systeem blijft in de rest van het tijdschrift gehandhaafd.
Deel 2 heeft XII + 416 bladzijden. Het voorwerk bevat de Franse titel (waarop deel 2 en ‘1743’ worden genoemd), en een ‘Voor-reden aan de leezeren en wel voornamenlyk aan de broeders der natte gemeente’.

Boekhistorische beschrijving
Impressa: ‘t’Amsterdam, By de Wed: Jacobus van Egmont, op de Reguliers Breestraat’. In de uitlegging van de titelplaat (deel 1) wordt gezegd dat de Praat-Vaar aanvankelijk tevoorschijn kwam in Amsterdam, maar zich nu te Utrecht ophoudt. In deel 2 vindt men een colofon na de voorrede:

De Praat-vaars zyn ook te bekomen by de Boekverkopers Broedelet, tot Utregt. De Haan ’s Hage. Van der Vinne, Haarlem. Bellard, Gouda. Ketel, Zardam. Maronier, tot Rotterdam. D’Wed: Voorstad, Delf. Callenbach,  Enkhuizen. Duin, Hoorn. Heymans, Arnhem. En by de meeste Boekverkopers in andere Steden.

In deel 1, p. 120 wordt medegedeeld dat het formaat vanaf nr. 16 iets wordt vergroot (d.i. het wit wordt meer gemarginaliseerd, waardoor er meer tekst kan worden opgenomen); de prijs wordt dan 1½ stuiver. In nr. 49 van deel 1 wordt gezegd dat de plaat bij deel 1 nog niet klaar is (p. 392). In deel 2 wordt op 13 februari 1743 aangekondigd dat genoemde plaat plus titel aanstaande woensdag te koop zullen zijn voor 4 stuivers (p. 56). Op p. 64 wordt gezegd dat de prijs van het gehele deel 1 compleet is: ƒ 3:11:8.
In de allerlaatste aflevering zegt de schrijver te hebben willen stoppen. Hij had eerst nog gedacht aan een titel als de Zwijger, maar de drukker had gezegd dat het niet goed was een goedlopende titel te wijzigen, ‘zo lang als men Weekelyks 14 a 15 maal honderd duizend Exemplaren van een Nieuws-papier debiteerden’ (p. 416).

Medewerkers
De enige herkenbare medewerker is Z.J.E. v. J., met een gedicht (dl. 2, p. 264). Is hij dezelfde als de J.v.E. van wie in deel 1 een lofdicht is opgenomen? De auteur zelf laat zich niet kennen. Desondanks moet hij dezelfde zijn als de maker van een liedboek waarvoor de Praat-Vaar medewerking en inzendingen verzoekt (deel 1, 392): vermoedelijk het op p. 120 van deel 2 geadverteerde Praat-Vaars nieuwjaars-gift, aan het bevallige Stichtsze Jufferschap.
Het laat zich vermoeden dat hij een militair is; vanaf ongeveer deel 2, p. 250 begint hij verslagen te geven van reizen in de Duitse landen. Die reizen blijken gaandeweg van doen te hebben met de versterking van de Nederlandse troepen in die gebieden, in het kader van de oorlog. Vandaar ook de soms gewijzigde titel van het blad.
Volgens zijn brief aan de drukker 2 november 1743 (opgenomen in de aflevering van 6 november 143) zal Praat-Vaar echter binnenkort weer in Utrecht terug zijn. Mogelijk hangt dit samen met een winterstop van de oorlogshandelingen. Weldra (p. 416) moet hij weer met de troepen te velde; men kan binnenkort de opdracht van deel 3, aan de baron van Bernclau, verwachten. Dat laatste zal ironisch bedoeld zijn: Bernclau was bevelhebber aan de kant van de geallieerden.

Inhoud
In de eerste aflevering zegt de schrijver ‘alle week een Olipodrigo’ te willen geven, waarbij hij het nieuws zelf uit kranten wil halen. Hij wil daarbij ‘in myn Besjes taal’ schrijven. Hij bedoelt, mede gezien de titel, in rond Hollands te willen schrijven, en niet te formeel.
In de praktijk ontwikkelt het blad zich enigermate van een blad dat vooral nieuws over de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) geeft, naar een blad dat erg veel aandacht heeft voor nieuwtjes uit de ‘scene’ in de belangrijkste Hollandse en Utrechtse steden.
Dat laatste wordt in het begin tot op zekere hoogte versterkt door de uitgave van een soort parallelbladen: Den Hollandszen Leidszen Praat-Moer (juni-juli 1742) en Den Rotterdamsze Hollandszen Praat-Moer (februari 1742), omdat hij op dat moment wegens het vele echte nieuws te weinig ruimte heeft voor ‘gossip’. Maar ook later wordt het echte nieuws absoluut niet uit het oog verloren.
De taal van de schrijver mag dan rond-Hollands zijn, zij is absoluut niet volks of vulgair. Stijl, humor, erotische inslag, en opbouw van het blad tonen eerder verwantschap met de bladen van Doedijns en Weyerman (welke laatste zelfs tweemaal wordt genoemd); waarin eruditie verondersteld is.
Onder koppen als ‘Duitschland’, Muscovien’ en dergelijke, krijgt men altijd eerst het nieuws uit die gebieden. Daarna volgt het nieuws uit Nederland, onder kopjes als ‘Klappyenborg’, ‘Babbelstad’; soms aangevuld met briefjes van kroegtijgers. De schrijver doet het soms voorkomen of al dat laatste nieuws afkomstig is uit een gezelschap van bonvivants en drinkebroers waarvan hijzelf een lid is.
Nieuws van anderen is altijd welkom, wordt herhaaldelijk in het blad gezegd.

Relatie tot andere periodieken
De Hollandszen Praat-Vaar en de Hollandszen Leidszen Praat-Moer (1742) zijn tweelingbladen.
In deel 2 is op p. 80 en 96 sprake van enige misverstanden met de schrijver van de Post-Courant. Vermoedelijk is hier sprake van de Nieuwe Hollandsche Logenagtige Post-Courant.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 592 K 1
Full text

André Hanou