Iets over het Tooneel (1798)

Titelbeschrijving
Iets over het Tooneel.

Periodiciteit
Voor nr. 2 wordt geadverteerd in de Groninger Courant van 23 februari 1798 en de Ommelander Courant van 27 februari 1798. Er zijn niet meer afleveringen verschenen.
Hoewel de uitgever door expliciet te adverteren voor ‘No. 2’ de indruk wekt dat het een periodiek betreft – vandaar opname in de ENT – is die status twijfelachtig: de schrijver spreekt nergens zijn intentie uit om met een vervolg uit te komen, laat staan daarbij een vaste frequentie te hanteren. Ook de sterk uiteenlopende winkelprijzen, die duiden op een verschil in omvang, wijzen erop dat het om twee pamfletten gaat die door de uitgever zonder bijbedoelingen zijn genummerd.

Bibliografische beschrijving
Volgens de catalogus van de Universiteitsbibliotheek Vrije Universiteit: 4 pagina’s in octavo.

Boekhistorische gegevens
Volgens genoemde advertentie in de Groninger Courant is het blad ‘te bekomen by Th. Spoormaker en alom voor 1 stuiver’. Het bedrijf van Theodorus Spoormaker was gevestigd in de Oude Kijk in ’t Jatstraat in Groningen.
Voor nr. 2 moest men 2 stuivers neertellen.

Inhoud
De twee afleveringen maken deel uit van een lokaal Gronings debat over de vraag of christenen toneelvoorstellingen mochten bijwonen. De schrijver van de Brief van een beminnaar van het toneel noemt in dit verband het levensecht nabootsen van mensen. De Engelse acteur David Garrick (1717-1779) had hiermee furore gemaakt, bijvoorbeeld door de methodistische predikant George Whitefield (1714-1770) na te doen.
Nr. 1 bracht nogal wat gemoederen in beweging. Als eerste verscheen bij Spoormaker een ‘Dankoffer aan den Schryver van het blaadje getyteld: Iets over het Tooneel’ (advertentie Groninger Courant 13 februari 1798; geen exemplaar bekend), dat getuige een volgende advertentie van de uitgever gretig aftrek vond (16 februari 1798). Over dit Dankoffer verscheen op 20 februari 1798 in dezelfde krant de volgende advertentie:

NB! Geen Predikant is Schryver of Uitgever van dat Iets over het Toneel! De Spotschryver van het Dank-addres derhalven niet minder een Leugenstoffeerder, dan een Lasteraar der Predikinge van het Euangelie der Verzoening, als of er hier daarby geene zedelyke verbetering van hart en wandel mede wierd verkondigd. Welk ene proeve der Zedekunde van dezen Voorstander van de zo velen, in den tegenwoordigen tyd, billyk bedroevende Groninger Komedie! Men zie, in onzen Heidelbergschen Catechismus, de 64, 86, en 112 Vragen beantwoord.

Hierop verscheen op 23 februari 1798 een uitgebreide, sarcastische reactie:

NB NB NB
Ook zonder de diepzinnige Advertentie in de Gron. Courant van den 20 Febr. l.l., heeft de Schryver van het Dank-Offer wél begrepen, dat de hersenen van den Steller van het Iets over het Toneel in enen zeer zonderlingen toestand zyn. Hy heeft het Blaadjen geprezen: om dat het altyd gevaarlyk is, menschen, die aan diergelyke ziekten onderhevig zyn, tegentespreken. Het is hem onbewust, of gem. Schryver, Prediker, Ouderling of Voorzanger is; maar zó veel weet hy zeker, dat zyn Hoofd volstrekt rust nodig heeft. Indien Hy niet nalaat, zyn Brein te vermoeijen met Metaphysische Berichten, afgetrokkene Advertentiën en Heidelbergsche Waarheden, vreest de Schryver van het Dankadres voor schromelyke gevolgen.

De advertentie wordt na een regel wit onmiddellijk gevolgd door een tweede advertentie, waarin een onbekend gebleven schrijver een duit in het zakje doet:

Een begunstiger van het Tooneel vindt zich verpligt hem, die zich in der voorige Courant door zyne manier van stellen zelven verried, (zonder zich evenwel met dien verwaanden Godgeleerden in eenen zoodanen pennestryd, waarin zyn Eerw. voorheen was ingewikkeld, te willen inlaaten) openlyk onder het oog te brengen, dat de leer der voorstanderen van den Schouwburg geene zorgelooze en godlooze menschen maakt, noch dat dezelve Schouwburg hier en elders voor minnaars van waare Zedekunde eene bedroevende Groninger KOMEDIE is; alleen echter voor hun, die uit verregaande dweepzucht en geestelyke trotschheid zich overal, maar zeer dikwyls te onpas, van den Catechismus bedienen, benevens voor dezulken, wier verniste deugd, schynheiligheid en behaagenslust, huns ondanks, niet toelaaten, dat zy hunne lichaamelykheid in den Schouwburg vertoonen; konden zy echter onzichbaar [sic] alles dààr zien, hooren en gevoelen, men zou die verouderde vooroordeelen schielyk zien vervallen, en zeggen hooren: ook daar kan men, indien men wil, zyn geest met waare en onvervalschte zielenspyse vervullen. Men zien inmiddels Phaedrus 2de Fabel van het 4de boek.

In de Ommelander Courant van 27 februari 1798 wordt nr. 2 als volgt aangekondigd:

IETS OP IETS; of een tweede IETS over het TONEEL, door een HOOGACHTER van den KRISTELYKEN GODSDIENST en tevens van het TONEEL onder de Zinspreuk: de Liefde denkt geen kwaad.

De Groninger Courant van 6 maart 1798 geeft iets meer van de inhoud van nr. 2 prijs: ‘Betogende, dat de Beoeffening van het Toneel met het Gelove aan het Euangelie der Verzoening kan gepaart gaan’.
Op 16 maart wordt in diezelfde krant geadverteerd voor een volgende reactie: Brief van een beminnaar van het toneel.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek Vrije Universiteit: XW.07330.-

Bronnen
Brief van een beminnaar van het toneel aan den schrijver van twee blaadjes getijteld: Iets over het Toneel (z.p. z.n. z.d.)

Rietje van Vliet