Jaarboeken der Genees- Heel- en Natuurkunde (1812-1818)

Titelbeschrijving
Jaarboeken der Genees- Heel- en Natuurkunde, uitgegeven door het genootschap; Arti Salutiferae, te Amsterdam […] Eerste [enz.] deel.

Periodiciteit
De Jaarboeken waren bedoeld om als afleveringen (‘stukken’) drie keer per jaar te verschijnen. Dat gebeurde inderdaad in het eerste jaar (1812), maar de afleveringen van de overige delen laten zien dat het genootschap zijn belofte niet waar kon maken. De afleveringen van deel 2 dateren uit 1813 (nrs. 1-2) en 1814 (nr. 3); deel 3 uit 1814 (nr. 1) en 1815 (nrs. 2-3); deel 4 uit 1816 (nr. 1), 1817 (nr. 2) en 1818 (nr. 3). De 4 delen zijn blijkens hun titelpagina’s echter gedateerd op 1812, 1814, 1815 en 1818.
Het beëindigen van de Jaarboeken was het gevolg van het besluit van Arti Salutiferae in 1818 om te gaan samenwerken met het gezelschap In Horto Salubria uit Hoorn; een nieuw medisch vakblad was het resultaat.
In verband met de tijdsspanne van dit naslagwerk zijn alleen de eerste twee delen bestudeerd.

Bibliografische beschrijving
In groot octavo.
Door de wijze van inbinden is de inhoud van de afleveringen slechts te reconstrueren aan de hand van de inhoudsopgaven. Daar staat achter alle titels vermeld uit welke aflevering ze afkomstig zijn.

Boekhistorische gegevens
‘Te Amsterdam, bij Lodewijk van Es.’ Het blad werd gedrukt bij ‘J. Breeman, in de Enge Kapelsteeg, by ’t Rockkin, No. 7 te Amsterdam’.
De eerste aflevering wordt bij Saakes in diens Naamlijst van 1812 aangekondigd voor ƒ 2:4 (p. 325). Met ingang van deel 2, nr. 1 (1813) was de prijs verhoogd tot ƒ 2:8 (p. 354). In 1815 ging de prijs opnieuw omhoog: deel 3, nr. 2 kostte ƒ 2:12 (p. 124). Ook daarna werden blijkens opgaven bij Saakes prijsverhogingen doorgevoerd.

Medewerkers
Het tijdschrift was een uitgave van het Amsterdamse genootschap Arti Salutifera. Op de titelpagina van de Jaarboek-delen staan de redactieleden vermeld: de Amsterdamse artsen Hartog de Hartog LÉMON (1755-1823), Christiaan Johannes NIEUWENHUYS (1773-1837), Frederik Hendrik HARTOG (1776-1813), Frans VAN DER BREGGEN CORNSZ. (1784-1843) Cornz., Wilhelmus Henricus BLOEMRöDER (geboren 1787) en de heel-, oog- en stadsbreukmeester Frederik BUCHNER.
Diverse personele veranderingen waren de oorzaak van de vertragingen die het blad telkens opliep. Hartog Lémon werd in 1813 tijdelijk door de Fransen verbannen. Zijn collega-redacteur Hartog was door zijn overlijden slechts kort bij het blad betrokken (korte necrologie in deel 2, Voorbericht). Hartog werd opgevolgd door zijn vakbroeder Johannes Wilhelmus KIRCHNER (ca. 1774-1882). Bloemröder verhuisde in 1814 naar elders. Van der Breggen werd in 1817 benoemd tot hoogleraar pathologie en gerechtelijke geneeskunde aan het Athenaeum Illustre. Ook speelde mee dat er in 1814/1815 binnen de redactie mogelijk enige wrevel was ontstaan nadat Nieuwenhuys een uitzonderlijk lange bijdrage had geleverd aan Hippocrates (1813-1836). Diens naam komt in de loop van 1815 niet meer voor op de titelpagina van de Jaarboeken.
In het ‘Berigt’ voorin deel 1 verzoekt de redactie haar lezers om oorspronkelijke of vertaalde bijdragen toe te zenden. De spontane aanvoer van oorspronkelijk werk moet zijn tegengevallen, want reeds in nr. 3 werd het honorarium van 2 Hollandse ducaten voor ieder vel druks in het vooruitzicht gesteld aan ieder die een goedgekeurd en dus plaatsbaar artikel inzond (Delprat p. 120).
De Jaarboeken bevatten in de eerste twee delen bijdragen van de Amsterdamse stadsvroedmeester Simon Petrus MARINKELLE, apotheker en vroedmeester Adrianus HALDER HZ. uit Zaandam, Jan VAN DER HORST, heel- en breukmeester te Amsterdam, Johan Carl KRAUS, hoogleraar geneeskunde te Leiden, J. JANSZEN JANSZ., heel- en breukmeester te Amsterdam, P.A. KRABACHER, genees-, heel- en vroedmeester in IJsselstein, F.S. ALEXANDER, arts aan het militair hospitaal te Utrecht, de Nijmeegse arts Cornelis VAN ELDIK, en Roelof LANDSKROON, arts in Purmerend.

Inhoud
Naar eigen zeggen wilde de redactie veel overnemen uit de Annalen der Heilkunde und der Heilkunst, het blad dat onder redactie was van de Berlijnse hoogleraar August Friedrich Hecker. Deze hoogleraar werd reeds in het vorige periodiek van Arti Salutiferae, de Bijdragen tot Theoretische en Practische Geneeskunde, veelvuldig aangehaald.
De Jaarboeken bevatten allereerst een ‘Theoretische Afdeeling’ met wetenschappelijke mededelingen (uittreksels of oorspronkelijk werk op het gebied van genees- en natuurkunde), letterkundige opgaven (signaleringen van artikelen in binnen- en buitenlandse vakbladen) en ‘Letterkundige merkwaardigheden voor de Geneeskunde van belang’.
De tweede rubriek is de ‘Praktische Afdeeling’ met daarin casuïstiek (ziektegevallen en geneesmiddelen), nieuwe behandelmethoden (‘Voorslagen ter verbetering in de uitoefening der Kunst’) en ‘Practische Mengelingen’ (over oefenscholen, ziekenhuizen, genootschappen en vakgenoten). Deze opzet, waarbij wetenschappelijke artikelen werden afgewisseld door korte mededelingen moest de Jaarboeken maken tot een aantrekkelijk blad om te lezen. In de praktijk bleek echter dat de redactie deze gevarieerde opzet niet kon volhouden (met name in deel 4).
Het Tijdschrift van Kunsten en Wetenschappen voor het Departement der Zuiderzee (de alias van de Vaderlandsche Letteroefeningen) was in 1813 (p. 14-22) uitermate kritisch over de opdeling in een theoretisch en praktisch deel:

Wij zien ook in dit geheele plan die duidelijkheid, orde en overeenstemming niet, welke wij zoo gaarne in elke onderneming van eenig aanbelang aantreffen. Vooreerst, vinden wij het vreemd, dat de Natuurkunde bij de Genees- en Heelkunde gevoegd wordt, daar de twee laatsten uit de eerste ontspringen, of althans er op gegrond zijn. – Ten tweede, is de verdeeling der Geneeskunde in theoretische en praktische niet juist. Wat behoort tot de eerste?’ Later blijkt waarom de recensent er zo veel moeite mee had: ‘De Geneeskunst is geene wetenschap; zij is geheel empirisch en praktisch.

Er volgen nog meer kritische kanttekeningen, onder andere over het sterke leunen op de Duitse Annalen. Zelfs de schrijfstijl van de redacteuren moest het ontgelden:

Hoe kunnen wij haar nu naar waarde beoordeelen, daar zij zich in een haveloos gewaad vertoont, hetwelk uit lappen is zamengevoegd, die zeer verwonderd zijn elkander te ontmoeten?

De recensie over de nrs. 2 en 3 van deel 1 verscheen in de Vaderlandsche Letteroefeningen, eveneens in 1813 (p. 570-574). Een kritisch geluid is hier niet meer te horen; de recensent beveelt niet alleen artsen maar zelfs alle ‘menschenvrienden’ aan het artikel over de koepokinenting te bestuderen.
Anders dan de recensent in de Vaderlandsche Letteroefeningen waren de redacteurs van de Jaarboeken voorstanders van de speculatieve theoretische geneeskunde, zoals die in Duitsland werd beoefend. De magnetische behandelmethode was rond 1810 in West-Europa een wetenschappelijke hype waarin de leden van Arti Salutiferae, wat Nederland betreft, vooropliepen. Niet voor niets publiceerde de redactie van de Jaarboeken een vertaling van de invloedrijke verhandeling Ueber Sympathie (1811) van Friedrich Hufeland.
Desondanks lijkt er aan enthousiasme voor de Duitse natuurfilosofische geneeskunde in 1815 een einde te zijn gekomen: het laatste deel van de Jaarboeken bevat voornamelijk vertalingen van Engelse auteurs.

Relatie tot andere periodieken
De Jaarboeken zijn een voortzetting van de Bijdragen tot Theoretische en Practische Geneeskunde (1810-1813). De samenwerking tussen Arti Salutiferae en In Horto Salubria betekende het einde van de Jaarboeken en de oprichting van een nieuw blad: Geneeskundige Mengelingen (1818-1824).

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 610 B 22-25
¶ Full text deel 1-1deel 1-2deel 1-3 en deel 2-1deel 2-2deel 2-3

Literatuur
¶ J. Vijselaar, De magnetische geest. Het dierlijk magnetisme, 1770-1830 (Nijmegen 2001), p. 377-380
¶ C.C. Delprat, Geschiedenis van de Nederlandsche geneeskundige tijdschriften van 1680 tot 1857 (Amsterdam 1927), p. 117-122, 124.

Rietje van Vliet