Joodsche Wandelaar (1792-1793)

Titelbeschrijving
De Joodsche Wandelaar. Een weekblad tot Nut van ’t Algemeen.

Periodiciteit
Maandags weekblad, waarvan in totaal 25 afleveringen zijn verschenen tussen 3 december 1792 en 21 mei 1793. Het blad eindigt (p. 100) met de mededeling dat de ik, als ‘uitgever’, zal stoppen met het blad ‘omdat mijne Drukkers hunne kosten niet kunnen goedmaken’.

Bibliografische beschrijving
Elke aflevering omvat vier pagina’s in kwart. Het geheel is doorgepagineerd 1-100. Er is geen voorwerk of apart titelblad. Elke aflevering begint met de algemene titel, waarna nummeraanduiding, datum en tekst volgen.

Boekhistorische gegevens
De colofon aan het einde van de eerste aflevering meldt:

Te Leyden bij Herdingh en du Mortier. En is ook te bekomen te Amsterdam bij J. ten Brink G.Z. en verders alöm; daar dit eerste No. VOOR NIET en de volgende Nos. alle Maandagen voor VIER DUITEN, en die het zelve op best schrijfpapier gedrukt begeeren, à één Stuiver, wordt uitgegeeven.

Vanaf de colofon in nr. 2 wordt van Ten Brink geen melding meer gemaakt.

Inhoud
De motivatie om dit blad te beginnen vindt men op p. 3: in kringen van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen heerste het verlangen een nuttig weekblad te hebben voor de geringere standen, tot bevordering van deugd en waarheid.
De opzet wordt beschreven in de eerste aflevering. De ‘ik’ legt uit dat het in de troebele tijden van 1792 onopgemerkt is gebleven dat de Joodse wandelaar weer verschenen is, en wel in de Republiek. De geschiedenis van deze inmiddels christen geworden Wandelaar wordt beschreven. Nu heet hij: Jozef de schoenlapper. Hij is een waar mensenvriend. De schrijver zal zijn ontmoetingen beschrijven met mensen, in het dagelijkse leven.
Zo verschijnt vanaf nr. 2 Jozef in verschillende omstandigheden. Allereerst treffen we hem in een herberg, waar hij gesprekken voert met Pieter de wever, Gijs de kleermaker, Jurrien de timmerman, Teeuwis de boer. Zij hebben verschillende beroepen en behoren bij andere kerken, maar zij behoren alle tot de volksklasse en zijn min of meer analfabeten. Jozef aanhoort hun problemen, legt uit, geeft advies. Bijvoorbeeld over hoe Sinterklaasavond te vieren zonder kinderen te verschrikken, over het nut van eenvoudige ondogmatische godsdienst, over hulp aan arme joden, over hoe zonder angstig te worden om te gaan met dromen.
In latere afleveringen wordt Jozef in andere milieus geplaatst, zoals in een trekschuit, in een naburig dorp. Steeds is hij de wijze adviseur. In de laatste afleveringen vindt men slechts brieven van Jozef, waarin deze schrijft over wat oproer is, en wat de gewone man moet doen en laten met betrekking tot het politieke.

Heeft dit blad aldus veel weg van een spectator-voor-de-gewone-man, op de laatste bladzijde van elke aflevering vindt men desondanks nog een rubriek ‘Nieuwstijdingen en bijzonderheden’: mogelijk om zo tegelijkertijd aan te sluiten bij de nieuwsbehoefte zoals men die kent uit volksmercuren. Soms is dat soort nieuws anekdotisch: ‘Annegje Berens uit Hogezand is nu al 26 jaar lang drie keer per week adergelaten’. Soms is het echt nieuws: ‘Den 14. is het Legiöen Etrangère (bestaande uit Hollandsche Emigranten) uit Vlaanderen te Antwerpen binnen gekomen’.
De schrijver hanteert een heel eenvoudige stijl; maar heeft geen echt gevoel voor didactiek. Het is begrijpelijk dat het blad niet is aangeslagen.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 478 B 24
Full text

André Hanou