Lachebek (1780-1781)

Titelbeschrijving
De Lachebek, in agttien vroolyke en schertsende Vertoogen; handelende over het Schouwtooneel; de Dichtkunde; hedendaagsche Auteurs; tegenwoordig heerschende Zeden en Gewoontens enz. Doormengd met geestige Fabelen, vrolyke Vertellingen, aangenaame Dichtstukjes, en snaaksche Invallen.
In het titelblok van de afleveringen zelf staat alleen de short title.

Periodiciteit
Voor nr. 1 van dit woensdags weekblad wordt geadverteerd in de Noordhollandsche Courant van 27 december 1780. Tot en met 1 mei 1781 verschenen er 18 afleveringen. Van Meerkerk (2014) vermoedt dat de lauwe ontvangst voor de auteur de reden was om er de brui aan te geven.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in octavo. De paginering begint in iedere aflevering opnieuw.

Boekhistorische gegevens
De uitgever is niet bekend. ‘Is allomme te bekomen’ staat er in het impressum. Genoemde advertentie meldt waar het blad te koop was: ‘te AMSTERDAM, by de Boekverkoopers Bom, Borchers, Schalekamp, Elwe, Verlem, Immink, Egmond, Wynands, en van Laar’. Bij ‘Open Water’ wordt het blad ook naar de ‘Buitensteden’ verzonden. Later komen daar als verkoopadressen bij: ‘’s Hage H.H. van Drecht en Vermeulen; Leyden F. de Does; Rotterdam D. Vis; Utrecht S. de Waal en Emenes; Gouda J. v.d. Klos en W. Verblauw’ (advertentie Noordhollandsche Courant 12 januari 1781).
De prijs was 1½ stuiver per aflevering.

Medewerkers
De anonieme auteur noemt zichzelf ‘Lachebek’. Van Meerkerk identificeert hem als Willem VAN OLLEFEN CASPERSZ (1747-1829), broer van de bekendere schrijver Lieve van Ollefen. Willem van Ollefen was schoolmeester in Amsterdam en schreef enkele blijspelen en kluchten. Een bekend werk van hem is Aanhangzel op de historie van den heer Willem Leevend (1786) waarin hij op scherpe parodiërende toon Wolff en Deken de maat nam.

Inhoud
De Lachebek is een satirisch tijdschrift vol kritiek op theater en poëzie. Toneelschrijvers als Petrus Johannes Kasteleyn worden van hun voetstuk gehaald, bijgeloof wordt aangepakt, actrices worden uitgemaakt als promiscue lustobjecten, en fabels worden gedegradeerd tot aperte leugens. Bovendien worden broodschrijvers/recensenten aan de schandpaal genageld. In het bijzonder moet de schrijfstijl van Hieronymus van Alphen, Betje Wolff en Jan Nomsz het ontgelden. Sterne is het grote voorbeeld van de Lachebek. Van Nicolaas Hoefnagel moest de auteur niets hebben.
Typerend is de manier waarop Van Ollefen zichzelf lachend (ha! ha! ha! ha! ha!) positioneert:

Verwonderen is het werk der zotten: – ook goed; want daar door wordt het algemeene zeggen, men kent de gekken aan het lachen, bevestigd, en tevens de zekerste waarheid beweezen, naamelyk deeze, dat ik Lachebek ene gek ben. (nr. 1, p. 4-5)

De literaire vormen variëren. Zo bevat de tekst beschouwingen, commentaren, samenspraken, vertellingen, gedichtjes, spreuken, dromen en pseudo-advertenties. Een enkele keer is sprake van een ingezonden brief. De humor is bij tijd en wijle rabelaisiaans, bijvoorbeeld daar waar het gaat om de maag- en darmproblemen van een van de personages. Om een aantal plaatsen gaat de vrolijke spot over in ordinaire verwensingen. Het doel van de Lachebek is immers dat slechte auteurs hun pen gaan neerleggen.

Relatie tot andere periodieken
Het blad staat in de traditie van de Hollandsche Toneel-Beschouwer (1763) en het Schouwburg Nieuws (1762-1765), waarin eveneens commentaar wordt geleverd op het toneel van de Amsterdamse Schouwburg.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1157 C 28
Full text

Literatuur
¶ Edwin van Meerkerk, ‘Ha! Ha! Ha! Ha! Ha! Het ongrijpbare tijdschrift De Lachebek (1780-1781) van Willem van Ollefen’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 37 (2014), nr. 2, p. 217-226,

Rietje van Vliet