Maandags Schuit-Praatje (1719)

Titelbeschrijving
Maandags Schuit-Praatje, ernstig en boertig.

Periodiciteit
Blijkens de bewaard gebleven exemplaren zijn er van dit maandags weekblad minstens 9 afleveringen verschenen, van 7 augustus 1719 t/m 2 oktober 1719.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen 8 pagina’s in klein octavo. Het titelblok bevat de datum, het volgnummer en de titel. De gebundelde afleveringen bevatten 64 doorgenummerde pagina’s, exclusief het voorwerk: de titelpagina, de opdracht ‘Aan de volmaakste juffer van onzen tyd’, en het voorwoord ‘Aan de lezers’.

Boekhistorische gegevens
De afleveringen zijn ‘Gedrukt voor den Autheur, en worden uitgegeven by Johannes van Leeuwen Boekverkoper, in de Huidestraat’.
In de colofon van nr. 7 worden als verkoopadressen bovendien nog genoemd: ‘Haarlem M. van Lée, Leiden Knotter, Rotterdam N. Korte, Hage van den Burg, Delft Boitet, Alkmaar van Beyeren, Hoorn J. Duin, Uytrecht Charlois, Purmerent Hogendorp. &c.’. In de nrs. 8-9 staat ook ‘Alkmaar van Beyeren’ in het rijtje.

Medewerkers
De schrijver zegt in zijn voorwoord over zichzelf dat hij is een ‘Schappetouwer, alias kalen Oostindiësvaarder, met de laatste Vloot van 29 scheepen, geluk, of ongelukkig, zo als men het gelieft te nemen, overgekomen’. Jan Sjappetouw figureert herhaaldelijk in dit Schuit-Praatje. Behalve deze vermoedelijk fictionele zelfrepresentatie noemt de auteur zich een poëet en een broodschrijver (‘ik schryf om Gelt’) die de lezer verzoekt om mildheid ‘om de arme Halzen, ik meen schryver, en drukker voort te helpen’.

Inhoud
Door het Schuit-Praatje,zegt de schrijver in zijn opdracht aan de volmaakste juffer, heeft hij gelegenheid ‘om over verscheidene oude en hedendaagsche, ernstige en boertige zaken te kunnen handelen’. In trekschuiten immers wordt alles wat in de wereld gebeurt, besproken. Bovendien leggen daar ‘veele loshoofden, ongevergt, hun geheimste zaken bloot’. De toon in dit stuk is galant, mede dankzij de uitspraken in het Italiaans, Frans en zelfs Latijn.
Het blad is geschreven als een samenspraak, met wisselende personages met ‘speaking names’ die aangeven welk karakter zij uitbeelden. Sommige delen van dialogen zijn berijmd.
Zo spreken in nr. 2 Roosje en Vrolykaart over de aardse genoegens in het arcadische landschap tussen Bloemendaal en Beverwijk. Een derde personage, Zedelust, wijst hen op de ongemakken van het aardse leven, zelfs in de besproken idyllen. In nr. 3 is de dialoog wat minder verheven van toon. Losbol probeert Grietje Waanwys te versieren en kibbelen erop los. Ook hier is een derde personage dat de discussie op een hoger plan tracht te brengen. Deze Ernst wijst de twee op de ‘kwade Driften’ die ze niet kunnen bedwingen. ‘De Zedekunst is den grondslag van ’t Oordeel, en het middelpunt van de Reden’.
In nr. 4 zijn het Kees Droogkeel en Ary Schynschoon die over dronkenschap en alcoholisme spreken. In nr. 5 voert de koppelaarster Tryn Zielverkoopster de boventoon in een dialoog over Oost-Indiëvaarders die bij thuiskomst snakken naar drank en vrouwen. In nr. 6 bespreken de reizigers de oorzaak ‘dat juist uw Gemeenebest zo schielyk in macht gereezen is boven Venetien en Genua […]’. Nr. 7 gaat over de Oost-Indische reis van Jan Sjappetouw, waar hij onder meer kennismaakte met de Chinese geneeskunde. De nrs. 8 en 9 zijn nogal antipapistisch van toon, zo blijkt uit de korte beschrijvingen van papen en pausen.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: KW 652 H 22 (nrs. 2-9)
Full text

Rietje van Vliet