Mensch Ontmaskert (1718)

Titelbeschrijving
De Mensch Ontmaskert.

Periodiciteit
Maandags weekblad, in 40 afleveringen (41 afleveringen indien het begin met beginselverklaring wordt meegerekend). Het eerste nummer verscheen op 15 februari 1718, het laatste op 14 november 1718.

Bibliografische beschrijving
Elke aflevering bevat acht bladzijden in octavo. Het titelblok geeft titel en datumaanduiding. Het geheel is gepagineerd 1-8, 1-320. De titelpagina heeft een vignet (vader Tijd tussen twee godinnen), gegraveerd door François van Bleyswyk.

Boekhistorische gegevens
Impressum: ‘In ’s Gravenhaage, Gedrukt, en te bekoomen by H. Scheurleer, en de Weduwe van G. Gasinet; te Amsterdam by D. Rank, G. Onder de Linden, en H. van de Gaete […]; te Leiden by D. Haak, en J. de Knotter […]’.
Van De Mensch Ontmaskertis nog een tweede editie, uit 1720: De Mensch Ontmaskert. Oversien en van veel drukfouten verbetert (Te Leyden, By Dirk Haak, Boekverkoper in de Kloksteeg). In een bericht van de drukker aan de lezer, zegt deze dat hij ruim een jaar geleden, wegens het overlijden van de voornaamste schrijver, en omdat twee andere heren iets gewichtigers te doen kregen, genoodzaakt was geweest het drukken af te breken; zonder ordentelijk afscheid te kunnen nemen. Vandaar dat de teksten tot nu niet als ‘bondel’ waren uitgegeven. Dat gebeurt nu wel.
Deze opmerkingen lijken te impliceren dat we bij exemplaren met een impressum zoals hierboven beschreven, te maken hebben met een eigen Haagse ‘lokale’ bundeling.

Medewerkers
De schrijver licht zijn eigen doopceel (p. 11 vv): hij is in 1688 in Holland geboren enzovoorts. Mede op basis hiervan is hij geïdentificeerd als mr. John DUNCAN (1690-1753), schout van Weesp, functionaris in dienst bij de Oranjes. Men vermoedt dat ook aan het blad hebben meegewerkt: Duncans vrienden Pieter Anthony DE HUYBERT (1693-1780), drost van Muiden, en Joan Jacob MAURICIUS (1692-1768).
De auteur krijgt voorts medewerking in zeer vele brieven; onder anderen van P.V.***.
Overigens wordt op p. 39 inzenders verzocht hun bijdragen te sturen aan de boekverkopers H. Scheurleer (Den Haag) of D. Rank (Leiden).

Inhoud
In de eerste aflevering stelt men geïnspireerd te zijn door de Londense Spectator, en de Haagse (Franse) Misanthrope. Naar hun voorbeeld zal dwaas en verfoeilijk gedrag beschreven worden. ‘Misschien ook, dat onze Nederduitsche Taal zo bequaam niet zal zyn, dan de Engelsche en de Franse, tot die natuurlyke verbeeldingen, en leevendige uitdrukkingen, die het grootste sieraad van die twee Geschriften uitmaaken’ (p. 5).
Dit leidt tot een soort spectatoriaal tijdschrift, mogelijk het eerste in onze taal. Lezers die opmerken dat zij liever een tijdschrift zien dat geschreven is in de trant van Doedijns, worden weggezet (p. 35-38):

Ik beken, dat de Merkuriussen van Doudyns, en sommige van die van zynen Navolger, wel geschreeven zyn; maar het is myn oogmerk niet om op denzelven trant te behaagen, en by de Waereld eer in te leggen. (p. 38)

De vertogen hebben de vorm van bijvoorbeeld een brief door een Turk, over de zeden in onze Republiek; brieven uit een vrouwengezelschap; uiteenzettingen over de gewoonten van paskwilmakers, saletjonkers.

Relatie tot andere periodieken
Buijnsters (1991) meldt dat er van het blad volgens Van Effen in de gehele Republiek nog geen vierhonderd exemplaren werden verkocht (p. 18). Overigens meende Van Effen dat de schrijver was ‘een man van oordeel en geleertheid’ (Hollandsche Spectator, 20 augustus 1731). Voor enkele andere contemporaine reacties, zie Groenenboom (1994).

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: OK 67-16 (Haagse editie uit 1718); 1187 B 39 (Leidse editie uit 1720)
Full text

Literatuur
P.J. Buijnsters, ‘Voorlopers van Justus van Effen’, in Nieuwe Taalgids 59 (1966), p. 145-157
¶ A.J. Hanou, ‘Dutch periodicals from 1697-1721; in imitation of the English?’, in: Studies on Voltaire and the 18th century 199 (1981), p. 187-204, 193-194
¶ P.J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991), p. 16, 18, 46, 92, 97
¶ E. Groenenboom-Draai, De Rotterdamse woelreus. De Rotterdamsche Hermes (1720-’21) van Jacob Campo Weyerman: cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuws periodiek (Amsterdam 1994), p. 162.

André Hanou