Merg der Akademische Verhandelingen (1736-1741)

Titelbeschrijving
¶ Merg der Akademische Verhandelingen, Getrokken uit de beste Godgeleerde, Philologische, Historische, enz. Dissertatien en Disputen, welke door Geleerde Mannen, op de Hooge Schoolen van Duytschlandt zyn verdeedigt, en van tyd tot tydt in ’t ligt gegeeven; Dienende, Tot verklaaringe en Ophelderinge van verscheyde Schriftuur plaatsen, de Wysbegeerte, Historien, Outheeden, Taalen, en andere Beschaafde Wetenschappen. Eerste deels, eerste stuk [enz.]. Voor de Maandt January [enz.] 1736.
¶ Afgezien van enkele spellingsvarianten in de hoofdtitel, luidt de ondertitel van deel 6: […] en van tydt tot tydt in ’t Ligt gegeven: mitsgaders eenige Aanmerkingen van verscheidene Geleerden van Nederland. Dienende Tot Verklaaringe en Ophelderinge van Verscheyde Schriftuur-plaatsen, de Wysbegeerte, Historien, Oudtheden, Taalen, en andere Beschaafde Wetenschappen.
¶ Vanaf deel 7: Merg der Akademische en andere Verhandelingen, inhoudende veele Aanmerkenswaardige zaken zo over verscheidene plaatzen der H. Schrift, als taalkunde, historien, philosophie, enz. Opgesteld door verscheidene geleerde mannen, professoren, predikanten enz. voornamel. in Duitschland en Nederland. Waar in ook verscheidene agtereenvolgende stoffen van den Bybel, nooit voor dezen in ’t ligt gegeven, gevonden worden.

Periodiciteit
Maandblad dat, met register, gebundeld werd in 12 halfjaarlijkse delen (72 ‘stukjes’).
Afnemende interesse of wellicht overlijden van Nederlandse auteurs kan voor de uitgever de reden geweest zijn om na 1741 met het tijdschrift te stoppen. De motivering wordt echter niet meegedeeld.

Bibliografische beschrijving
In octavo.
De titelpagina van de delen zijn in rood en zwart, en hebben aanvankelijk een vignet een gevleugeld hoofdje. Later is dit vignet vervangen door een barok omlijst arcadisch landschap (L.C. Philips fecit 1733) met daaronder een lint met de spreuk ‘Musis aurora benigna’ (vert. De dageraad is bij de Muzen geliefd).

Elk deel kent bladwijzers van bijbelteksten, Hebreeuwse en Griekse woorden en een zakenregister. Aan deel 12 is een slotregister over het gehele tijdschrift toegevoegd (190 pp.), met verwijzingen.
Overzicht van de 12 delen:

¶ Deel 1 (729 pp. tekst): 50 bijdragen waarvan 44 disputaties; geen Nederlandse auteurs.
¶ Deel 2 (753 pp. tekst): 51 bijdragen waarvan 38 disputaties; geen Nederlandse auteurs.
¶ Deel 3 (733 pp. tekst): 28 bijdragen waarvan 19 disputaties; 8 Nederlandse auteurs onder aparte nummering; 6 Nederlandse auteurs met een naam en 2 anonieme bijdragen. Opmerkelijk: de Nederlanders zijn langer van stof!
¶ Deel 4 (756 pp. tekst): 38 bijdragen waarvan 17 disputaties; 14 Nederlandse auteurs onder aparte nummering; 6 met een naam of initialen en 8 anonieme bijdragen.
¶ Deel 5 (701 pp. tekst): 38 bijdragen waarvan 6 disputaties; 17 Nederlandse auteurs met naam of initialen onder een aparte nummering, en 12 anonieme bijdragen.
¶ Deel 6 (735 pp. tekst): 32 bijdragen waarvan 2 disputaties; 23 Nederlandse auteurs met naam of initialen (8) onder een aparte nummering en 15 anonieme bijdragen.
¶ Deel 7 (741 pp. tekst): 21 bijdragen waarbij 1 disputatie;  20 Nederlandse auteurs met naam of initialen onder een aparte nummering (13) en 7 anonieme bijdragen.
¶ Deel 8 (744 pp. tekst): 23 bijdragen waarvan 5 disputaties; 11 Nederlandse auteurs met naam of initialen onder aparte nummering (2) en 9 anonieme bijdragen.
¶ Deel 9 (747 pp. tekst): 29 bijdragen waarvan 3 disputaties; 14 Nederlandse auteurs waarvan 14 anoniem. Geen aparte nummering.
¶ Deel 10 (726 pp. tekst): 35 bijdragen waarvan 9 disputaties; 14 Nederlandse auteurs waarvan 8 met naam of initialen en 5 anonieme bijdragen. Geen aparte nummering.
¶ Deel 11 (729 pp. tekst): 33 bijdragen waarvan 10 disputaties; 9 Nederlandse auteurs waarvan 4 met naam of initialen en 5 anonieme bijdragen. Geen aparte nummering.
¶ Deel 12 (660 pp. tekst): 23 bijdragen waarvan 11 disputaties; 5 Nederlandse auteurs waarvan 1 met initialen en 4 anonieme bijdragen. Geen aparte nummering.

Boekhistorische gegevens
Titelpagina: ‘Te Amsterdam, by Hendrik Vieroot Boekverkoper op de Dam’.
Prijs per aflevering: 6 stuivers (Leydse Courant 11 juli 1736). Op 7 februari 1742 adverteert de uitgever voor de 12 delen compleet, die tijdelijk zijn afgeprijsd van ƒ 21:12 naar ƒ 16.
Als losse uitgave verscheen in 1741 een Algemeen register zo der tractaten en plaatsen der H. Schrift, als der woorden en zaken, welke in het geheele werk genaamt, Merg der akademische en andere verhandelingen, gevonden, verklaart en aangehaalt worden: strekkende het zelve tot een gemakkelyke handleiding om het verhandelde, in alle de XII. deelen met een opslag te konnen vinden.
Vieroot was uitgever in een overgangstijd tussen orthodoxie en Verlichting. Zijn fonds bestaat voornamelijk uit theologische essays en preken(bundels), al of niet vertaald. Theologisch behoorde het merendeel van zijn Nederlandse auteurs tot de coccejaanse traditie. Vieroot gaf bijvoorbeeld het werk uit van Bernard Sebastiaan Cremer (1683-1750), de Harderwijkse hoogleraar oosterse talen. Ook bracht hij de uit het Engels vertaalde spectatoriale tijdschriften van Richard Steele (1672-1729) op de markt. Een belangrijk auteur voor Vieroot was Isaac Le Long (1683-1762), die tot 1744 in Amsterdam werkte als vertaler, onder anderen voor Vieroot. Van Le Long is bekend dat hij, net als sommige Duitse auteurs van Merg der Akademische Verhandelingen, over hernhutters schreef.
Vieroot gaf in het tijdschrift informatie over wat bij hem zou verschijnen. In deel 4 lezen we bijvoorbeeld de aankondiging van Aegidius Stokmans’ herdenkingsrede bij het honderdjarig bestaan van de Statenvertaling (1637) en van twee Latijnse werken van de predikant van De Beemster, Adriaan Wolff. De meerderheid van zijn binnen- en buitenlandse auteurs behoorde tot de irenisch-orthodoxe richting.

Medewerkers
De vertaler van de Duitse disputaties in Merg der Akademische Verhandelingen dekte zich in een ‘Bericht van den Vertaalder’ (deel 1-1) tegen mogelijke kritiek in door nadrukkelijk anoniem te willen blijven ‘om zich voor het misnoegen der geenen te dekken, welken qualyk ooyt iets van pas gemaakt kan worden’. Hij wijst zijn lezers, gereformeerde predikanten, op de buitenlandse bijdragen waarvan ‘de meeste door Lutheranen zijn opgestelt’.
De vertaalde disputaties zijn geschreven door een groot aantal Duitse hoogleraren. De aanduiding ‘hoogleraar’ kon betrekking hebben op een post aan de universiteit, maar ook aan een Illustre School of gymnasium. Soms was het alleen een lokaal toegekende eretitel. Bekende namen als Ernst Friederich Neubauer (1705-1748), Jean Alphonse Turretin (1691-1737), Johann Jacob Ramsbach (1693-1735) en de filosoof Sigmund Johann Baumgarten (1706-1757) treffen wij een enkele maal aan. Hieronder staan de namen van hen die 4 of meer disputaties bijdroegen:

¶ Petrus ZORNIUS (1682-1746), met de pseudoniemen Theophilus Amelius en Theophilus Aletheus (23x). Studiereis door Nederland. Door zijn polemisch werk was hij een omstreden figuur onder lutheranen. Hij was hoogleraar te Hamburg en Berlijn, en werd in 1739 rector te Thorn. Publiceerde 12 delen exegetisch werk.
¶ Johann Gustav REINBECK (1683-1741) (13x). Hij was medewerker filologie van Johann Heinrich Michaëlis. Stond bekend als irenicus. Begin van een Aufklärungstheologie o.a. door vernieuwing van de homiletiek met Regelen van verstandig en stichtelijk preken (1762). Hoogleraar Berlijn.
¶ Johann Georg WALCH (1693-1775) (8x). Hij was de schoonzoon van de lutherse theoloog en anti-Spinozist Johann Franz Buddeus (1667-1723). Hoogleraar Jena filologie en geschiedenis. Polemiek tegen hernhutters. Gaf het verzameld werk van Luther uit.
¶ Christian HEUMANN (1681-1764) (6x). Van hem is bekend dat hij een studiereis door Nederland maakte. Hoogleraar Göttingen. Als lutheraan pleitte hij voor leervrijheid en voor een Evangelische Union met de gereformeerden.
¶ Johann Lorenz (von) MOSHEIM (1694-1755) (6x). Hoogleraar theologie en kerkgeschiedenis, geleerde autoriteit tussen orthodoxie, piëtisme en Verlichting.
¶ Johann Heinrich MICHAËLIS (1668-1738) (3x). Hoogleraar oosterse talen in Halle en medewerker aan het Collegium Orientale Theologicum van de piëtist August Herman Francke (1663-1727).
¶ Christian Benedict MICHAËLIS (1681-1764) (5x). Neef van de vorige. Hij was evangelisch theoloog, hoogleraar filologie en oosterse talen in Halle. Hij leverde bijdragen aan de exegese van het bijbelboek Jeremia.
¶ Johann Georg ABICHT (1672-1740) (4x). Hij studeerde in Jena en Leipzig; luthers theoloog. Vanaf 1730 hoogleraar oosterse talen in Wittenberg.
¶ Johann Friedrich HOFFMANN (1660-1742) (4x). Hoogleraar theologie en fysica in Halle.
¶ Christian Eberhard WEISSMANN (1677-1747) (4x). Evangelisch theoloog, hoogleraar in Tübingen. Piëtist en wegbereider in de kerkgeschiedenis van J.L. von Mosheim.
¶ Christian Gottlieb JÖCHER (1694-1758) (4x). Hij studeerde samen met J.G. Abicht oosterse talen en werd hoogleraar te Leipzig. Uitgave van
Allgemeines Gelehrten Lexicon (1750/51).
¶ Johann Christian STOCK (1672-1731) (4x). Hoogleraar oosterse talen te Jena.
¶ Samuël Christian HOLLMANN (1696-1787) (4x). Hoogleraar theologie en filosofie in Göttingen.
¶ Salomon DEYLING (1677-1755) (4x). Hoogleraar theologie en fysica. Bekend geworden door een publicatie over de barometer in 1741.
¶ Wilhelm Ernst EWALD (1704-1741) (4x). Hij was predikant in Lehe a/d Weser en Altona. Band met de Republiek. Publiceerde
De heerlykheid van het nieuw Jeruzalem (1739).
¶ Joachim LANGENS (1670-1764) (4x). Evangelisch theoloog, hoogleraar te Halle, piëtist. Bekend door zijn polemiek tegen de verlichte filosoof Christiaan Wolff (1679-1754).

Vanaf deel 3 zijn er ruim 80 anonieme (Nederlandse) bijdragen en 14 verhandelingen die al of niet volledig gesigneerd zijn door Nederlandse schrijvers. Anonimiteit werd in de achttiende eeuw gezien als onpartijdigheid. Hier speelde echter ook een terughoudendheid mee, die wordt verklaard door spanningen in de Republiek en binnen de publieke kerk tussen coccejanen en voetianen. De eersten waren volgers van de Leidse hoogleraar Johannes Coccejus (1603-1669) die een exegetisch georiënteerde theologie bepleitte waarin het ‘heilshandelen’ van God met de mens centraal stond. Hij was de plooibare tegenvoeter van de Utrechtse hoogleraar Gisbertus Voetius (1589-1675), wiens theologie meer dogmatisch van aard was en dichterbij de traditionele calvinistische leer bleef. Voetianen stonden vijandig tegenover een filosoof als Descartes. Menig coccejaans auteur in een classis met een meerderheid aan voetianen gaf zich waarschijnlijk niet gaarne bloot, laat staan dat hij die classis om kerkelijke goedkeuring (approbatie) voor zijn verhandeling wilde vragen.
Hieronder worden de Nederlandse contribuanten met hun aantal verhandelingen vermeld, die overigens over meerdere afleveringen verspreid kunnen zijn. Zes van hen zouden later ook publiceren in het vervolg op Merg, in de Bundel van Godgeleerde, Outheid, Geschied en Letterkundige Oeffeningen (1757-1763):

¶ Johan Carolus (Karel) VAN HEIMENBERG, predikant op het eiland Ens (het zuidelijk deel van Schokland) en te Emmeloord (11x). Oudere broer van de volgende uit een predikantengeslacht. Overlijden vermeld bij deel 10 nr. 6. Signeert ook met J.C.V.H.  V.D.M.E.E. V(erbi).D(ivini).M(inister).E(ns).E(mmeloort).
¶ Caspar Hendricus VAN HEIMENBERG (1694-1764) (9x), predikant te Middelie, daarna Wormerveer.
¶ Herman BRUYNINGS (1708-1777) (8x). Predikant te Ooij/Persingen, Hasselt, later Drachten. Hij signeert met H.B. V(erbi) D(ivini) M(inister) H(asselt); ook als H.B. D(rachten) F(riesland) en H.B. E(x) H(asselt).
¶ Thomas VIEROOT (1698-1780) (5x). Predikant te Diemen en Wormer. Signeert met T.V. D(ei).V(erborum) L(eeraar) T(e) W(ormer).
¶ F.W. (4x). Mogelijk is dit F.W. STROMEIJER, die bij Christian August Heumann studeerde.
¶ Johannes CREYGTHON (1660-1738) (3x). Veldprediker, predikant te Leeuwarden, Haarlem, dan hoogleraar te Utrecht. Schrijft voorwoord bij Salomon van Til’s
Korte Verklaring Eerste Korinthenbrief, Tractaat tegen Leenhof en Allegorische Verklaringen van de Heilige Schrift.
¶ Aegidius STOKMANS (1703-1765) (2x). Predikant te Knollendam, Marken en Goes.
¶ C.D.W. Bedoeld is Cornelis DE WITT (1695-1771) (3x). In 1741-1758 predikant en hoogleraar te Den Bosch.

Verder staan er bijdragen in van de niet geïdentificeerde E.W. (2x); N.N. (2x); C.C.W. (1x) F.H. (1x); N.G.T.W.J.P. (1x); en M.J.M.S (1x).

Inhoud
Het Merg bevat verhandelingen over theologische, filologische, filosofische en geschiedkundige onderwerpen. Aanvankelijk bevat het tijdschrift uitsluitend vertalingen van academische disputaties uit Duitse universiteiten en gymnasia. Hierin brengt een met naam en herkomst genoemde student onder leiding van zijn hoogleraar de stof te berde, waarin hij door deze was onderwezen. Deze disputaties dragen de naam van de hoogleraar en diens universiteit. In de loop der jaren (vanaf deel 3) probeerde de uitgever meer auteurs onder de vaderlandse theologen te werven. Tegen het einde van de 12 jaargangen neemt het aantal buitenlandse bijdragen, dat drastisch was gedaald, weer toe.
In de ‘Voorreden van den Hoogduytschen uytgever aan den geneegenen Leser’ in deel 1-1 wordt uitgelegd wat het doel van het blad is:

Wy begeeren ons hier ook niet wydtloopig te verdeedigen, waarom wy dit soort van Boeken poogen te vermeerderen. Indien men desen arbeyt onder de onrype vruchten en onnoodige Beesigheden reekent, daar toe eenige leedige uuren besteet worden, dan sal deselve weinig aftrek hebben, schoonse ook nog soo wel doorwrocht was: Maar staat ‘er eenige nuttigheyt uyt dit Geschrift te verwachten, daaraan wy niet en twyffelen; dan vertrouwen wy tot het scherp-siende ooge van den Leser, dat hy de goedheit daarvan wel haast sal merken, en denselven na verdienste achten.

Verder stelt Vieroot zelf dat hij met het blad niet aan kerkelijke twisten zal deelnemen. Maar ondanks deze irenische instelling gaven zijn auteurs duidelijk de grenzen van hun orthodoxie aan en bepaalden daarmee het karakter van Merg der Akademische Verhandelingen.
De bronnen waaruit Vieroot voor de Duitse disputaties putte, vermeldt hij niet. Hij gebruikte waarschijnlijk Duitse geleerde tijdschriften en bulletins van universiteiten om zijn eigen tijdschrift in te richten. Hoewel op de bres, soms polemisch, voor een orthodoxe uitleg van de Heilige Schrift, waren enkele Duitse auteurs betrokken bij pogingen tot toenadering tussen calvinisten en lutheranen. Vele waren door het piëtisme beïnvloed. Hun opvatting over de bijbel stond recht overeind als een huis.
In deel 12 schrijft Johann Heinrich Zorn:

De Heilige Schrift beweert haaren Goddelyken Oorspronk uit zig zelve, door haare Goddelyke en daar van daan krachtige roeringen en overtuigingen aan de zielen der geener die dezelve regt gebruiken. (p. 176)

Immers, zo betoogt Johann Christian Hebenstreit in deel 10, er is geen tegenstrijdigheid in de Heilige Schrift:

De Hoofd-Autheur der Schrift is de Geest der waarheid, de Schepper van de ziel, en de Leeraar der Taale, de Rigter die nog kan bedrogen worden, nog bedriegen kan, die geen dobbelzinnigheid en bedrog in den Mensch verdraagt. (p. 273-274)

Bij deze opvatting over de Heilige Schrift sloot een interpretatie van de geschiedenis naadloos aan. Zo tekent Christian August Heumann op in deel 1:

De Geschiedenissen strekken ons tot een Spiegel, daarin wy, niet alleen de Dwaasheit en ’t Verstandt des Menschen; maar ook de Wysheit, Voorsienigheit en Gerechtigheit van de Almachtigen Schepper op eene overtuygende wyse konnen leeren kennen. (p. 75)

Soms preluderen auteurs als Johann Lorenz von Mosheim op thema´s van de Verlichting, maar doorgaans verzet men zich hiertegen. Het wekt geen verwondering dat er in de filosofische bijdragen anti-spinozistische geluiden te horen zijn.
Enkele auteurs fulmineren tegen socinianen en arminianen. Johann G. Walch noemt in deel 1 de als deïst gebrandmerkte Thomas Woolston (1668-1733) een ‘verstoorden snapper’. Overigens net als later Christian Gottlieb Jöchern. Walch wijst de sociniaan Johann Ludwig Wolzogen (1633-1690) terecht omdat die als Waals predikant in Middelburg de verdenking met Spinoza te sympathiseren had wakker geroepen. Een anonieme auteur schrijft in deel 3 over de ‘Characters van Laelius en Faustus Socinus, de twee Stichters der Sociniaanse Secte’ (p. 659 ev.) en Christiaan Eberhard Weiszmann noteert in een van zijn verhandelingen (deel 10) dat ‘het gevoelen van Le Clerc in ’t geheel niet geduldet [kan] worden’ (p. 152). Bedoeld is Jean le Clerc, van 1684-1731 hoogleraar aan het seminarium der remonstranten te Amsterdam, die eveneens van sociniaanse sympathieën werd beschuldigd.
In deel 10 bespreekt Johann Cornelis Burgman de Engelse filosoof John Locke (1632-1704). Locke wordt hier bestempeld als sociniaan én arminiaan: ‘Hy verd[ed]igt een Godsdienst, die voor alle Secte[n] goed is!’ (p. 316). Wat kan men beter doen dan zijn boek over verdraagzaamheid te willen weerleggen? Opmerkelijk is ook de kritiek van Christian Wolle uit Leipzig (deel 1, p. 581-599) en van Emmanuël Hahn uit Wittenberg (deel 2, p. 336-349) op het platonisme, dat de theologie (van Justinus Martyr en Clemens Alexandrinus) heeft bedorven: ‘Platonismus nihil aliud est, quam imprudens et prava errorum Platonicorum imitatio’ (vert. Het platonisme is niets anders dan een onbeschaamde en kwalijke navolging van de dwalingen van Plato) (p. 337).

De vernieuwende arbeid van de auteurs in hun uitleg van bijbelboeken kenmerkt zich door intensieve toepassing van hun kennis van de oosterse talen. Veel Duitse auteurs waren filologen die aan de universiteit doceerden. Zij citeerden meer dan eens hun Franeker collega Campegius Vitringa (1659-1725), die bij zijn uitleg van de profeten de lijn doortrok naar de geschiedenis van het christendom.
Zo kon Johann Heinrich Michaëlis (1668-1738) in zijn spoor over het boek Jesaja schrijven: ‘Onze Propheet, gelyk ook Josua, Hoseas en anderen verbeelde met hunnen Namen niet zonder de Goddelyke voorzienigheid, Jesus de ware Hoorn des Heyls’ (deel 12, p. 132). Het Oude en Nieuwe Testament vormden in de Heilige Schrift één – uit het oogpunt van Gods openbaring – betrouwbaar geheel.
De Nederlandse auteurs zetten hun voorliefde voor de oosterse talen studieus voort in hun vaak afgelegen dorpspastorieën. In deel 8 merkt de uitgever op dat de exegetische bijdragen het meest worden gewaardeerd, ja, ‘door allerlei soort van Kristenen zonder onderscheit, […], maer zelfs ook van verstandige Joden en derzelver Leraers, met vermaek en blytschap, gelezen wort’ (p. 116). Vieroot, een bevlogen uitgever, zou met een nieuwe uitgave bij voorkeur elke veertien dagen een bijbelboek bespreken ‘om dus den Eenvoudigen van tyt tot tyt tot een ware Bybel-Kennis op te leiden’ (p. 116).

Vermelding verdient de niet in de titel genoemde categorie bijdragen die aan natuur- en geneeskundige onderwerpen zijn gewijd, al of niet in relatie tot teksten uit de bijbel. Zij handelen onder meer over ‘Vampyren of Bloed-Zuygers’ (deel 1, p. 194-205), ‘Water-Uurwysers’ (deel 1, p. 611-622), het gebruik van ‘Zeezwammen, of Sponfien’ (deel 3, p. 587-601) of over ‘Pyn verwekkende Winden in ons Lichaam’ (deel 5, p. 109-125). De verhandeling over ‘Het wel en kwalyk leggen van de Sluitband der Kraamvrouwen’ (deel 4, na p. 482) heeft een aparte titelpagina en is apart gepagineerd. Ook de verhandeling ‘over de Voeding Van ’s Menschen Lichaam’ (deel 4, na p. 688) is apart gepagineerd.
Met dit soort bijdragen konden de lezers het nodige te weten komen, wanneer de artikelen met exegese van bijbelteksten hun ging vervelen. Dat geldt ook voor de kerkhistorische bijdragen. Zo zullen predikanten geïnteresseerd het verslag gelezen hebben van rector Joachim Heinrich Stusz over de ‘hedendaagschen Staat der Griekschen Kerke in het Turksche Ryk’ (deel 2, p. 248-255). Als een noodkreet springt de volgende observatie:

Wanneer de Priesters naar een sieken gingen, dan droegen zij het broodt, dat in de kerk geconsacreert, en in den kelk gedoopt was, in een doos bij haar; ’t geene zy onder een kleedt derwaarts bragten, om van de Turken niet bespot te worden. (p. 254-255)

Relatie tot andere periodieken
In de Secretary van Apollo en Minerva van maart 1740 (p. 346 e.v.) staat een reactie op het Merg der Akademische Verhandelingen.
Vieroot beschouwt zijn Bundel van Godgeleerde, Outheid, Geschied en Letterkundige Oeffeningen (1757-1764) als opvolger van het Merg der Akademische Verhandelingen. De Bundel bevat uitsluitend bijdragen van Nederlandse theologen; de Duitse disputaties zijn afwezig.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek Vrije Universiteit: XP.06165 en XP.06165:12:2 (index)
¶ Full text deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel 8, deel 9, deel 10, deel 11, deel 12

Literatuur
¶ G.H. Leurdijk, In het voetspoor van Lampe. Gereformeerde piëtisten tussen Bremen en de Republiek in de eerste helft van de achttiende eeuw (2019), passim (o.a. p. 45)
¶ Jonathan Israël, Verlichting onder vuur. Filosofie, moderniteit en emancipatie 1670-1752 (Franeker 2010)
¶ Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (Hilversum 2006)
¶ W.J. van Asselt, lemma ‘Johannes Coccejus’, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 4 (1998), p. 92-98
¶ Jelle Bosma, Woorden van een gezond verstand. De invloed van de Verlichting op de in het Nederlands uitgegeven preken van 1750 tot 1800 (Nieuwkoop 1997)
¶ G.P. van Itterzon, lemma ‘Friedrich Adolf Lampe’, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 3 (1988), p. 238-242
¶ D. Nauta, lemma ‘Gisbertus Voetius’, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 2 (1983), p. 443-449.

Simon Vuyk