Nagtstudie van Justus Bickerstaff (1747-1748)

Titelbeschrijving
De Nagtstudie van Justus Bickerstaff. Of Twintig Vertoogen Over zaaken van Staat, Godsdienste, Zede-Leere, Poëzye, enz. In Digt en Ondigt Op een vryen trant beschreeven.

Periodiciteit
Op 4 november 1747 wordt in de Oprechte Haerlemsche Courant geadverteerd voor de reeds verschenen afleveringen 1 t/m 4. De frequentie is niet duidelijk. In de inleiding (nr. 1) verklaart de schrijver dat zijn ‘Werkje om de week, twee, drie of vier zal uitkomen, naar het zich het best schikke; want ik ben een Vyand van bepaling’. Op 10 juni 1748 wordt in de ’s Gravenhaegsche Courant aangekondigd dat het blad voortaan op maandag, om de twee of drie weken, zal uitkomen.
Op 16 november 1748 wordt in de Oprechte Haerlemsche Courant nr. 20 van de Nagtstudie te koop aangeboden, met titelpagina en opdracht. Daarmee is het eerste deel compleet, zo had de schrijver reeds in nr. 19 aangekondigd; blijkbaar was hij van plan geweest een begin te maken met een tweede deel.

Bibliografische beschrijving
De gebundelde afleveringen bevatten VIII (titelpagina, ‘Opdragt aan de Ingebeelde Vryheid: schynsel van de waare’ en ‘Register der Vertoogen’) + VIII (nr. 1) + 260 (nrs. 2-20) pagina’s in octavo.
De afleveringen tellen elk 8 of 16 pagina’s. Het titelblok bestaat uit de verkorte titel, het volgnummer en een citaat. De pagina’s van nr. 1 zijn romeins genummerd; in de overige afleveringen zijn ze zijn arabisch doorgenummerd.

Boekhistorische gegevens
De Nagtstudie is gedrukt en uitgegeven door de verder onbekend gebleven boekverkoper A. Bormeier uit Franeker. Dit blijkt uit een opmerking hierover in het werk zelf (p. 178) en uit diens eerste positie in de lijst van verkoopadressen op de titelpagina:

Te Franeker by A. Bormeier, Harlingen vander Plaats, Utrecht W. Mulder, Leeuwarden Noordbeek, Leiden vander Eyk, Groningen Febens, Rotterda, Smithof, Dordrecht Wittich, Amsterdam Tongerloo en Houttuin, Haarlem Bosch en van Lee, ’s Hage Gaillard en Scheers, Hoorn Kloek, Middelburg Kallenfeldts; enz.

Prijs voor afleveringen ter grootte van een half vel of een heel vel: 1½ stuiver respectievelijk 3 stuivers (Oprechte Haerlemsche Courant 4 november 1747). Nr. 20 kostte inclusief titelpagina en opdracht: 6 stuivers. Voor alle nrs. bijeen moest men ƒ 2:7 betalen.
In de ’s Gravenhaegsche Courant van 10 juni 1748 wordt de lezer gewezen op twee valse vertogen die in omloop zijn: ‘te weeten No. 11, met ’t opschrift: Wat is de Vrouwen Liefde sterk, enz. En No. 12 met de Latynsche regel uyt Ovidius’ (cf. reactie op een eerdere advertentie van Bormeier, aan het einde van het valse nr. 12). Kennelijk hebben de parafen van Justus Bickerstaff aan het einde van de nrs. 2, 3 (en later ook nr. 20) een criticus uitgenodigd tot een plaagstoot. In nr. 2 had de auteur er nog bij vermeld:

DIEVEN WACHT U VOOR VOETANGELS!
Niemand ondersta zich dit myn Vers, of de Vertoogen, die in rym en onrym staan te volgen, na te drukken, op myne en myner geheele families ongenade. Ten merke van egtheid geeve ik voor deeze reize dit geschreeven teiken. [paraaf]

De gewraakte nrs. 11 en 12 zijn in het gedigitaliseerde exemplaar opgenomen en eindigen eveneens met een ‘Merk van Echtheid’.

Medewerkers
De STCN schrijft de Nagtstudie op gezag van De Kempenaer (1928) toe aan Herman Venema (1697-1787), hoogleraar theologie in Franeker. Deze toeschrijving is onjuist. Het blad is geschreven door de lutherse predikant Philippus Ludovicus STATIUS MULLER (1725-1776). Vanuit zijn eerste standplaats Amersfoort begon hij met zijn eerste tijdschrift, de Nagtstudie van Justus Bickerstaff. Muller hekelde behoudend dogmatisme en de verwaandheid van dominees. Hij noemde zich voorzitter van het Genootschap der Raisonnable Bibliaanen, waaraan hij in de Nagtstudie twee afleveringen wijdde.

Inhoud
De titel van dit spectatoriale tijdschrift is ontleend aan de ondertitel van de Tatler (1709-1711) van Richard Steele: Lucubrations of Isaac Bickerstaff. De naam Justus is een verwijzing naar de Nederlandse spectatorschrijver Justus van Effen. Zelf beschrijft Justus Bickerstaff zijn voorbeelden als volgt:

dat ik myn naam en redelyke geboorte verschuldigd ben aan den Schildknaap Izaak Bikkerstaff en Justus van Effen, die zich beiden, de een in het nabuurig Engeland, de ander in Holland, door de voortbrengzelen hunnes vernufts, eenen eeuwigen naame gemaakt hebben […]. (p. V)

Nr. 1 fungeert als inleiding op de Nagtstudie en begint met een nachtelijk bezoek van een spook die Justus Bickerstaff overhaalt zijn talenten ten dienste te stellen van de samenleving. Deze neemt zich voor te spreken ‘in de taal der dichteren’ omdat een ‘publiek Schryver’ zich moet schikken naar de smaak van zijn lezers en omdat zijn ‘aart zelf voornaamlyk tot de Dichtkunst overhelt’. Toch realiseert hij zich dat veel lezers de poëzie eeuwige haat gezworen hebben. Hij zal zijn lier daarom nu en dan aan de kant zetten en de lezers in een vrije stijl onderhouden. Bovendien krijgt hij gezelschap van zijn ‘halve broeder’ Jozeph Spectator: ‘een slegt Poëet: maar een fyn en zeer gestreng Criticus […]: ook is hy een zeer goed Philosooph’.
Statius Muller maakt gebruik van verschillende literaire vormen: dichtwerken, brieven en essays. Er is ook plaats voor humor, zo blijkt uit een met ironische anekdoten doorspekte beschrijving van een reis langs Leiden, Haarlem en Amsterdam; gevolgd door een drietal satirische bekendmakingen.
Justus Bickerstaff toont zich in de Nagtstudie overtuigd prinsgezind en keert zich tegen de ‘Staatzugt van Bourbon’. Andere onderwerpen zijn het erfstadhouderschap, vaderlandsliefde, corruptie, steekpenningen, Justus’ literaire voorkeuren, toneel, bidstonden, ’s lands vrijheid, ’s lands beroerten (waaronder pachtersoproer), ongelukkige vrouwen in het huwelijk.
In nr. 6 komt de met voetiaanse dogma’s doordrenkte opvoeding van halfbroer Jozef ter sprake. Die dogma’s worden geplaatst tegenover coccejaanse standpunten, hetgeen leidt tot een lange uiteenzetting over de Raisonnable Biblianen. De verstandige bijbelkenners van dit gefingeerde genootschap zijn

geen Lutheraanen, geen Calvinisten, geen Arminianen, geen Mennonyten, geen Coccejaanen, geen Voetiaanen, geen Lampiaanen, noch iets diergelyks […]. [Het zijn] Protestanten, die zulk een afkeer hebben van een Onfeilbaar menschelyk gezach, het Canoniseeren, de Oorbiegt, de Kloosterregels, en het blind geloof der Leeken, dat zy het Pausdom niet alleen in zyn weezen in Romen, maar in zyn schaduwe in de gezuiverde kerken vervolgen. (p. 64-65)

Nr. 11 bevat een proefpreek van Jozef Spectator in het genootschap der Raisonnable Biblianen. De valse nrs. 11 en 12 zijn een pastiche op de Nagtstudie, waarin de anonieme schrijver kritiek uit op de proefpreek van Jozef, op Justus’ beschrijving van het genootschap en op de standpunten die Justus elders in het blad heeft uitgevent. Ook worden Jozef en Justus aan de vrouw geholpen.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: KW 196 F 9
Full text

Literatuur
¶ J. van Sluis, ‘Muller (Müller), Philippus Ludovicus Statius’ (lemma), in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 5 (Kampen, 2001), p. 380-382
¶ A. de Kempenaer, Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers (Amsterdam, 1928), p. 670.

Rietje van Vliet