Nassausche en Pruissische Couriers (1785-1788)

Titelbeschrijving
De Nassausche en Pruissische Couriers in Compagnie.

Periodiciteit
Verscheen aanvankelijk tweemaal per week, vanaf nr. 3 eenmaal per week, op maandag. De aankondiging van nr. 1 verscheen in de Rotterdamse Courant van 26 juli 1785. De 156 nrs. verschenen tussen 1 augustus 1785 en 25 april 1788, en zijn gebundeld in 3 delen. De afleveringen zijn niet gedateerd.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen 8 doorgenummerde pagina’s in groot octavo. In het titelblok staat alleen een jaartal, het volgnummer en de titel.

Boekhistorische gegevens
Het blad werd uitgegeven ‘Te Rotterdam, bij Johannes Bal, en alöm bij zijne Correspondenten’. Andere verkoopadressen zijn ‘te Amsterdam by Arends en Coertse; Leiden Perk en de Rhee; ’s Hage d’Agé; Delft Poelman en Zoon; Utrecht van Rossem; Middelburg van Osch, en voorts alom’ (Rotterdamse Courant 23 augustus 1785).
In de ‘s Gravenhaegse Courant van 7 augustus 1786 meldt de uitgever dat ‘door het herdrukken van zommige Nos. eenige Compleete Exemplaren te bekomen zijn’.
Prijs per aflevering: 1½ stuiver (5 duiten).

Medewerkers
Het blad wordt toegeschreven aan de voormalige Delftse boekverkoper maar inmiddels uit Holland verbannen Henrik STERCK (†1793), die ook zelf over een vaardige pen beschikte. Nr. 156 (±25 april 1788) is door hem ondertekend.
Er staan ook bijdragen van andere schrijvers in. Jongenelen (2008) noemt in dit verband Johannes OLIVIER en zijn vrouw Maria Elisabeth SCHILPEROORT. Dit echtpaar behoorde tot de familiekring van Sterck en was zelf betrokken bij de Geldersche Historische Courant.
In de Rotterdamse Courant van 2 augustus verklaart de uitgever in een uitgebreide advertentie dat de orangistische broodschrijver Philippus Verbrugge geen medewerker was van de Nassausche en Pruissische Couriers.

Inhoud
Orangistisch nieuwsblad. Het wordt in de Rotterdamse Courant van 26 juli 1785 als volgt aangekondigd:

Dit periodicq Werk, waarby de geheele Natie belang heeft, en hetwelk geen opgeschikte aanpryzingen behoeft en zyne eigen verdiensten met zich brengen zal, zal wekelyks tweemaalmet een Nommer vervolgd, en om allen schyn van Eigenbelang weg te nemen, en het zelve voor de geringste Lieden, zelfs op den duur, verkrygbaar te maken, voor den zeer lagen Prys van 5 duiten per Nommer verkogt worden.

De schrijver schept er genoegen in om patriotse standpunten zo negatief mogelijk te becommentariëren. Bijvoorbeeld in nr. 137, dat volgens de Rotterdamse Courant van 4 december 1787 ‘eene Aanmoediging’ bevat van de ‘voortvlugtigen Delftschen Geconstitueerde Gerrit Paape, aan zyne Mede-Vaderlanders, met noodige Aanmerkingen door de Schryvers van dit Weekblad voorzien’.
Ook andere patriotse journalisten worden stevig bekritiseerd, zoals Pieter ’t Hoen, aan wie in nr. 57 gericht is ‘Aan zijne Stichtsche Majesteit Pieter ’t Hoen, verleider en verdrukker van Neerlands Volk, mitsgaders Schrijver van den Nederrhijnschen Post’.
De nieuwsberichten worden afgewisseld met samenspraken, dichtstukjes en ingezonden brieven. 

Relatie tot andere periodieken
Er staan vertalingen in van teksten uit de Courier du Bas-Rhin (1776-1809) en de Courier de l’Europe (1776-1792).

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 595 K 24-26
¶ Full text nr. 31 (1786)

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, ‘O so mooy! O so fraay! O so curieus! De Lanterne magique (1782-1783)’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 31 (2008), p. 124-134, aldaar p. 130-131.

Rietje van Vliet