Nederlander (1814)

Titelbeschrijving
De Nederlander, behelzende Vertoogen over de Belangen der Nederlandsche Natie.

Periodiciteit
In de Opregte Haarlemsche Courant van 1 januari 1814 wordt aangekondigd dat de nrs. 1 en 2 van dit maandags weekblad vanaf 3 januari 1814 zullen worden uitgegeven. De titelpagina meldt 1814 als jaar van uitgave; de afleveringen zijn niet gedateerd. In de decemberaflevering van Saakes’ Naamlijst (1814, p. 92) wordt als titel gegeven: ‘De Nederlander, of XX Vertogen over zeer gewigtige belangen der Nederlandsche Natie’. In het register op de Naamlijst staat daarbij aangetekend ‘No. 1-20. Cpl’.

Bibliografische beschrijving
De bundel met 20 afleveringen telt IV ongenummerde pagina’s (titelpagina en voorrede) en 160 genummerde pagina’s in octavo. Iedere aflevering telt 8 pagina’s, begint met short title en volgnummer.

Boekhistorische gegevens
Titelpagina: ‘Te Amsterdam, bij P. den Hengst en Zoon’. Volgens Saakes’ Naamlijst 1814-2 kostte iedere aflevering 2 stuivers.
Saakes meldt in zijn Naamlijst van februari 1814 (p. 13) dat er is verschenen een Aanspraak aan het herstelde Volk van Nederland. Eendragt maakt magt, die gezien kan worden als ‘Voorrede of Inleiding’ van de Nederlander (zie ook de hierboven genoemde advertentie). Prijs: ƒ 0:5:8.

Medewerkers
De auteur was de patriotsgezinde jurist en oud-lid van de Raad van de Marine op de Maze, Gerhard Johan JACOBSON (1757-1816), telg van een Deventer familie. In de Bataafs-Franse tijd bekleedde hij enkele belangrijke functies. Zo was hij van 30 november 1813 van 1 augustus 1814 lid van de provisionele Rekenkamer der Verenigde Nederlanden, en daarna, tot zijn overlijden, lid van de Algemene Rekenkamer. Van zijn hand was onder meer het tijdschrift Bydragen tot de Algemene Zaken van de Marine (1799).
Schertsend schrijft Jacobson in de voorrede – duidelijk na afronding van het blad geschreven – dat hij

vertrouwde op de belofte van eenige zijner vrienden, die hem, eer hij het werk aanving, hulp hadden toegezegd: geen van deze heeft een pen op het papier gezet.

Dat laatste blijkt hoe dan ook geen terecht verwijt, getuige het ingezonden vertoog in nr. 14 van ene J.G. (=Joost Goossens, p. 128). Niettemin komt Jacobson er in nr. 16 op terug: ‘Toen ik begon te schrijven, had ik een kameraad die, zoo ik dacht, ten minsten de helft van den Nederlander zou op zich nemen […] maar de man heeft, tot nog toe geen vinger, ik laat staan een pen uitgestoken’. Jacobson zit dringend verlegen om meer medewerkers en weet niet hoe hij een jaargang moet volkrijgen.

Inhoud
Naber (1918) noemt de Nederlander ‘het enig staatkundige blad dat in die jaren verscheen’; Van Sas (2005) noemt dit het eerste politieke tijdschrift na de vrijwording.
Jacobson onderzoekt in de Nederlander talrijke actuele bestuurlijke kwesties. Hij opent met de vraag hoe de grondwet eruit ziet met een soeverein vorst aan het hoofd en tegelijkertijd voldoende waarborgen van de burgerlijke vrijheid. ‘Wij Hollanders zijn waarlijk met de regte beteekenis van de woorden Souverein en Souvereiniteit niet bekend’ (p. 3). In zijn antwoord brengt de schrijver diverse Nederlandse voorbeelden van machtsmisbruik over het voetlicht.
Het begin van het Koninkrijk der Nederlanden is een uitgelezen moment om met een blad als de Nederlander te komen. Immers, ‘Niets is er gevestigd, alles moet gevestigd worden’:

Bij zulke gelegenheden alleen is het, dat de staatkundigen de handen ruim hebben; in zulke tijden alleen is het dat zij van alle zijde geholpen en ondersteund worden in groote, te voren ongekende maatregelen. (p. 12)

Jacobson wil met de Nederlander die ondersteuning bieden. Onderwerpen die zich daartoe uitstekend lenen, zijn de constitutie en de koophandel, ‘die de eenige zuil is, op welke de glorie van den Souverein, met het welvaren der Natie, wederom kunnen worden opgebouwd’. Bij de behandeling van deze thema’s, waaronder de ‘convoijen en licenten’, maakt de schrijver gebruik van staatsstukken en plakkaten die in het verleden zijn geproduceerd. Hij refereert daarbij aan Hollandsch Rijkdom (1780-1783) van Elie Luzac (‘de wijze Luzac’). Er is veel aandacht voor het vrijhandelsbeginsel (Porto Franco), de ‘heerlijke regten’ en de voor- en nadelen van de ‘staande landmilitie’.
Ook de positie van de Oostenrijkse Nederlanden, die na het Congres van Wenen (1814-1815) met de Noordelijke Nederlanden verenigd zouden worden, komt ter sprake. Wordt de Nederlander er gelukkiger van als ‘onze grenzen worden uitgebreid?’ (p. 81). Belangrijk in de nieuwe natie is volgens Jacobson ook de ‘Public Spirit’, een nationaal gevoel, ‘de geneigdheid van een Volk, om zijne Liefde voor Vaderland en Vrijheid, bij elke belangrijke gelegenheid, ten koste zelfs van bijzonder belang, door daden te toonen’ (p. 138).

De vertogen bevatten essays, afgewisseld met (fictieve?) ingezonden brieven, die waar mogelijk door Jacobson worden beantwoord. Hij gaat inderdaad in zijn blad de dialoog aan met zijn lezers. In nr. 7 en 8 spreekt hij hen aan, naar aanleiding van een opmerking van zijn uitgever ‘dat onze schrijftrant te droog en voor het publiek niet geschikt is’. Hij neemt zich voor ‘met wat meer luim, wat vrolijker te schrijven’ (p. 50). Hij wordt in diezelfde afleveringen in ieder geval wel persoonlijker door wat zijn curriculum vitae betreft een tipje van de sluier op te lichten. Nr. 15 heeft de vorm van een samenspraak: ‘tusschen den Opper-Stuurman van het bovengenoemde Schip [het oorlogsschip Willem de Eerste] en den Bootsman van de Hulk’. In nr. 16 kletst Jacobson maar wat voort om de aflevering vol te krijgen

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: 1196 E 4
Full text

Literatuur
¶ J. van Zanten, Schielijk, Winzucht, Zwaarhoofd en Bedaard. Politieke discussie en oppositievorming 1813-1840 (Wereldbibliotheek 2004), p. 41 e.v.
¶ N.C.F. van Sas, De metamorfose van Nederland. Van oude orde naar moderniteit 1750-1900 (Amsterdam 2005), p. 461-462
¶ Johanna W.A. Naber, Het leven en werken van Jeltje de Bosch Kemper (Culemborg 1918), p. 144
¶ Website Parlement & Politiek (geraadpleegd 18-3-2018).

Rietje van Vliet