Nederlandsche Criticus (1750-1751)

Titelbeschrijving
De Nederlandsche Criticus.

Periodiciteit
Het weekblad verscheen in 1750-1751; de eerste jaargang bevat 40 vertogen.
Het kwam in botsing met de predikanten der hervormde kerk, zo blijkt uit nr. 29, waarin de auteurs zich verweerden tegen hun berispers. Op een synode te Harlingen was besloten dat iedere classis moest onderzoeken in hoeverre de beschuldigingen van één der classes terecht waren. De schrijvers betoogden dat zij niets verkondigden wat ‘strydig is met de Grondwetten der Staat’, noch dat zij zich schuldig hadden gemaakt aan ‘ongodisterie, deisterie of vrijgeesterie’. Evenmin hadden ze ketterse stellingen gedibiteerd die ‘zouden strijden met het aangenoomen gevoelen van de Dordregtze Synode’.
Alle kritiek van de kerk ten spijt kon de uitgever het blad gewoon voortzetten. Dat het na twee jaargangen werd beëindigd, zou volgens Eekhoff (p. 438) te wijten zijn aan het geringe debiet, ‘daar de werken van Friesche uitgevers in Holland te weinig op prijs gesteld worden’. Het is niet bekend of de problemen van Statius Muller, één van de mogelijke auteurs, verband hielden met de beëindiging van de Nederlandsche Criticus in 1751.

Bibliografische beschrijving
In octavo; 8 pagina’s per aflevering.
Het titelblok bevat alleen de titel en het volgnummer. Soms zijn er een ondertitel en/of een citaat aan toegevoegd. De broodtekst opent met een begininitiaal. De afleveringen zijn niet gedateerd.
De titelprent van de heruitgave uit 1761 is identiek aan die van de Haegse Mercurius (1697-1699), van Hendrik Doedijns. Deel 1 wordt voorafgegaan door een inhoudsopgave en een opdracht aan de lezers, deel 2 eindigt met een register.

Boekhistorische gegevens
Leeuwarden, Abraham Ferwerda.
In het colofon van de meeste afleveringen staat vermeld bij wie het blad te koop was:

te Zutphen by Van Hoorn, Harderwyck Brinckinck, Dord Wittich, Haarlem Bosch, Delft Voorstad, Leiden Hasebroek en Van der Eyk, Hage Bouquet, Rotterdam Beman en Van der Laan, Amsterdam Ottens en Esveld, Utrecht Besseling en Lobedianus, Harlingen Van der Plaats, Franeker Udink, Groningen H. Spandauw en Groenwold, Zwol Rojaarts. (nr. 1)

De prijs per aflevering bedroeg 1½ stuiver (Leydse Courant 21 januari 1750); deel 1, ingenaaid, kostte 3 gulden (Opregte Groninger Courant 18 december 1750).
Onduidelijk is de ‘Bondel van Vertoogen uyt de Nederlandsche Criticus’ die door de Groningse boekverkoper Jacobus Sipkes voor ƒ 0:8 te koop werd aangeboden. (Opregte Groninger Courant 18 december 1750).
In 1761 werd het werk opnieuw, als titeluitgave, in twee delen in groot octavo, uitgebracht als De Nederlandsche Criticus, bestaande in LXXXVI zoo Critique, Satirique als Ernstige Vertoogen (Amsterdam, F. de Kruyff en A. van der Kroe). Het bevat 86 vertogen, ‘vermeerderd met de daaraan ontbreekende Vertoogen, een volledig Register en een titelplaat’ en was voor de aanbiedingsprijs van ƒ 2:10 verkrijgbaar; later moest het ƒ 6:9 opbrengen (Leydse Courant 28 december 1761).

Medewerkers
Volgens een advertissement achter in nr. 23 (p. 91 e.v.) hadden de schrijvers zich verenigd in het genootschap De Nederlandsche Sociëteit. De belangrijkste van hen hielden zich schuil achter de namen Democritus, Mercurius en Argus. Algemeen wordt aangenomen dat met het drietal worden bedoeld: Jacques-André COURTONNE, Johan Georg MULLER en wellicht ook diens broer Philippus Lodovicus STATIUS MULLER. Tegen de laatste toeschrijving weerspreekt echter de vermaning op p. 33 aan het adres van de Zeedemeester der Kerkelijken, geschreven door Statius Muller (zie ook p. 4).
Jacques-André Courtonne (±1711-1775) was predikant van de Waalse kerk te Leeuwarden. Johan Georg Muller (1729-1778) had zijn broer Statius Muller als luthers predikant in Leeuwarden opgevolgd, nadat deze in 1756 na toenemende conflicten wegens zijn heterodoxe opvattingen had besloten zijn ambt neer te leggen.

Inhoud
Spectatoriaal blad met ingezonden brieven, vertogen en dergelijke. De gebundelde uitgave (editie 1761) opent met een opdracht aan diverse lezerstypen, variërend van verstandige, gematigde en deugdzame lezers, geleerde, onwetende en bijvoorbeeld schijnheilige lezers, tot kritische lezers, beledigde lezers en beschuldigende lezers.
De eerste aflevering bevat een beginselverklaring:

Daar geschied nauwelyks iets, of ’t vind een ontzaglyke menigte gulhartige Opvolgers, en die den weg in andere Landen baanden, kittelen zig met het vergenoegen, hunne voetstappen, in ons Vaderland nagespeurt te zien.

Het blad wil kritiek leveren op de vele zotheden in de samenleving: ‘Wy menen alles wat wy zien en hooren ter toets brengen’. Niemand en niets zal aan de aandacht van de schrijvers ontsnappen.
Godloochenaars en bespotters van de overheid zullen hard aangepakt worden. Dat blijkt wel uit de scherpe aanvallen (in de nrs. 4, 6, 13 en 37) op de Nijkerkse predikant Gerardus Kuypers, wiens kerkdiensten gepaard gingen metverschijnselen van opwekking: uit zondbesef riepen kerkgangers hardop tot God, ze jammerden, schudden en beefden, of vertoonden andere emotionele uitbarstingen. Vooral het ‘Extract uit een Missive van Knipperdolling aan Jan van Leiden’ was ongemeen scherp: ‘O Rampzalige tyden! Wat zotheden, wat geveinsdheden, wat Geestdryvery, wat Dwepery, wat razerny […]’. De Nijkerker beroeringen hielden overigens ook Statius Muller, als auteur van de Zeedemeester der Kerkelijken, bezig.
Ook Antonius van der Os, de Zwolse predikant die zo veel spanningen veroorzaakte dat hij uiteindelijk werd afgezet, kreeg het te verduren. Voorbeelden van andere onderwerpen zijn de schijnheiligheid van Hernhutters, de nutteloze herengezelschappen, het nut van de wetenschap, satire, hoepelrokken, Frankfurter lutheranen, dronkenschap, gierigheid, bedelarij.
Typerend voor het genootschap dat de auteurs hadden opgericht, zijn de prijsvragen, zoals in nr. 23: ‘Welk de beste middelen zouden zyn, om geleerdheid, konsten, ende wetenschappen, in de geunieerde provintien, te doen floreren’. Ook elders in het blad verschenen dergelijke oproepen waarbij steeds publicatie in het blad en een gouden medaille in het vooruitzicht werden gesteld (nrs. 29, 33, 38, 52, 54, 78, 84).

Relatie tot andere periodieken
Er wordt kritiek geuit op de Boekzaal der Geleerden Wereld (nr. 4) en de Zeedemeester der Kerkelijken (nr. 5). De Zeeden-Meester der Studenten noemt dit laatste blad én de Nederlandsche Criticus als geestverwant (Opdragt, p. [3]). Beide zedenmeesters zijn overigens van de hand van Statius Muller.

Exemplaren
¶ Den Haag, Gemeentearchief Hgst 6015 (editie 1750-1751) en 3025 C 1-2 (editie 1761, bestudeerd exemplaar)
¶ Full text deel 1 en deel 2 (editie De Kruyff en Van der Kroe).

Literatuur
¶ W. Eekhoff, De Stedelijke Bibliotheek van Leeuwarden […], deel 2, Catalogus van de Bibliotheek der stad Leeuwarden, met historische toelichtingen (Leeuwarden 1870), p. 20, 179
¶ J. Hartog, De spectatoriale geschriften van 1741-1800 (Utrecht, 1872), p. 17
¶ J.J. Kalma, ‘Waals predikant was preekcriticus, journalist en volksopvoeder. Ds. Courtonne nam lijkoraties vrijmoedig onder de loupe’, in: Leeuwarder Courant 13 mei 1950
Proceduren tusschen de oude leden des kerkenraads en verdere ledematen van de Luthersche gemeente binnen Leeuwarden en Johan Georg Muller, eenigen tyd gefungeert hebbende als praedicant bij dezelve gemeente: gehangen hebbende, voor ’t Collegie der Ed. Mog. Heeren Ged. Staten van Vriesland, dog ongedecideert gebleven, vermits J.G. Muller in middelerwijl na de West-Indiën is vertrokken (Leeuwarden 1757)
¶ M. van Rooijen-van Kempen, ‘De Zeedemeester der Kerkelyken. Een verlichte lutherse spectator over de ‘fijnen’’, in: E. van der Wall en L. Wessels (red.), Een veelzijdige verstandhouding. Religie en Verlichting in Nederland 1650-1850 (Nijmegen 2007), p. 134-144
¶ W.J. Kooiman, ‘Philippus Ludovicus Statius Muller’, in: Earebondel ta de tachtichste jierdei fan Dr. G.A. Wumkes op 4 septimber 1949 (Boalsert 1950).

Rietje van Vliet