Nederlandsche Geleerde Fama (1758-1759)

Titelbeschrijving
Nederlandsche Geleerde Fama; of Onzydige Berichten, van ’t Merkwaardige, dat in het geleerde Europa in dezen tyd voorgevallen is; waar in te gelyk vele duistere plaatzen der H. Schriftuur worden opgehelderd en andere oude Schryveren van schryffouten gezuiverd, Teffens Ook de nieuws uitgekomene Schriften en gevoelens vrymoedig beoordeeld, en deels bevestigd, deels ook verworpen, en wederlegd worden. Met de nodige Registers. 
De titel op het titelblad van het 1759-deel heeft een iets gewijzigde spelling.
In het titelblok van de afzonderlijke afleveringen staat de verkorte titel: Nederlandsche Geleerde Fama; of Onzydige Berichten, Van al het [!] Merkwaardige, dat in het Geleerde Europa in dezen tyd voorgevallen is.

Periodiciteit
Het blad verscheen in eerste instantie van 14 januari t/m 19 augustus 1758 (23 afleveringen). Het lijkt erop dat het debiet tegenviel: een aantal critici miste ‘volledige uittrekzels’. Dit was de reden om met ingang van nr. 15 (29 april 1758) de formule te wijzigen. Voorheen was het een zaterdags weekblad, nu werd de frequentie tweewekelijks. Ook werden er enkele inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd ‘tot meer gemak, en voordeel van de Heren Lezers’. De belangstelling voor Fama bleef echter tegenvallen.
Nr. 22 (5 augustus 1758) eindigt met een vérstrekkende bekendmaking namens de uitgever (‘drukker’): er zullen voortaan geen ‘Exemplaren meer worden gedrukt, als [dan] zig liefhebbers daar toe binnen zes weken zullen melden’. Dit blijkt geen loos dreigement, want na nr. 23 verscheen dat jaar geen enkele aflevering meer.
In januari 1759 is sprake van een doorstart. In de Oprechte Haerlemsche Courant van 9 januari 1759 wordt geadverteerd voor de Fama, ‘zullende, in plaats van een Weekelyks Blaadje, een Maandelyks Stukje in ’t midden der Maand uytkomen’. Van januari t/m juni 1759 zijn de nrs. 1-6 van het eerste ‘stuk’ verschenen.

Bibliografische beschrijving
De nrs. 1-14 uit 1758 tellen per aflevering 8 pagina’s in octavo (p. 1-112) en zijn doorlopend gepagineerd; de nrs. 15-23 tellen 16 pagina’s elk (p. 113-256). De nrs. 1-6 uit 1759 tellen 48 pagina’s per aflevering (p. 1-287).
De afleveringen zijn gebundeld in twee delen. In deel 1 worden ze voorafgegaan door een katern met titelblad en 7 ongenummerde pagina’s met de opdracht

Aan alle hogere en lagere liefhebbers van waarheid, vrede en vryheid, en in ’t byzonder die de zuiverheid, wysheid en volmaaktheid van het woord des vredens, der vryheid en waarheid hertelyk beminnen […] door enige vrienden van vryheid, waarheid en vrede.

Het voorwerk bevat bovendien een ‘Register van schriftuurplaatzen die opgehelderd zyn’ en een ‘Register der verklaarde grieksche woorden’.
De helft van de eerste aflevering wordt in beslag genomen door een ‘Voor-Berigt’.

Boekhistorische gegevens
Fama werd uitgegeven te Zwolle door in eerste instantie Simon Clement en Johannes Adrianus van Santen. Clement was drukker, uitgever en boekhandelaar en had zijn zaak aan de Melkmarkt. Van Santen was een zwager van Clement. Na de doorstart in 1759 luidt het impressum ‘Te Zwolle By Simon Clement, en de Wed. D. Rampen’.
In genoemde advertentie staan behalve deze twee Zwolse uitgevers de volgende verkoopadressen vermeld:

J.A. van Santen en J.C. Royaards; Amsterdam Houttuyn, Esveldt, P. Meyer, van Baalde en Harreveld; Leyden Hazebroek en Delphos; Utrecht Visch, de Paddenburgs en Besseling;’s Hage Scheers en van Baalen; Haerlem Enschedé; Rotterdam Burgvliet; Middelburg G. Clement, Gillissen, Taillefert en Mandelgreen; Vlissingen de Paayenaars; Groningen Barlinkhof; Leeuwaarden Ferwerda en Wigeri; Franeker Udink; Arnhem Moeleman; Nymegen Mulder; Deventer Juffr. van Wyk; Harderwyk Lunterbos; Campen Valkenier &c.

De lijst boekverkopers in nr. 22 noemt ook adressen in Bremen, Lingen en Lemgo.
De verkoopprijzen waren in 1758 de volgende. De nrs. 1-14 kostten 1½ stuiver per aflevering; voor de nrs. 15-23 moest men wegens de dubbele omvang 2½ stuiver per aflevering neertellen. Belangstellenden konden ook intekenen voor de hele reeks, zo blijkt uit nr. 22: tegen betaling van 30 stuivers per half jaar, inclusief het ‘Titulblad en Registers tot ieder deel’ tegen het einde van het jaar. In 1759 moest men 3 stuivers neertellen voor iedere aflevering van de inmiddels tot maandblad uitgegroeide Fama.

Medewerkers
Auteur van het blad was Jan Daniel VAN HOVEN (Hanau 1705-Kampen 1793). Na de teloorgang van het periodiek ontkende hij echter er ‘de enige Schryver’ van te zijn geweest en gewaagde hij van een ‘zeer geleerde hand’ die hem zou hebben bijgestaan. Er moet dus sprake zijn geweest van een redactie.
Van Hoven werd geboren in Duitsland maar was ‘uit Hollandsch bloed gesproten’. Hij studeerde hij theologie te Marburg en Utrecht. In 1728 was hij proponent in de classis Utrecht, maar aanvaardde geen beroeping: in dit jaar werd hij hoogleraar in de welsprekendheid en geschiedenis in het Pruisische Lingen; in 1739 verkreeg hij de rang van Consistorialrath. Om de onrust te ontgaan waaraan de Zevenjarige Oorlog zijn woonplaats blootstelde, week hij uit naar de Republiek. De regering van de stad Kampen benoemde hem tot professor ordinarius aan de Latijnse school, waar hij een aanvullende opleiding verzorgde voor leerlingen die hun studie aan een universiteit wilden vervolgen.
Zijn talrijke publicaties liggen op het terrein van de bijbelexegese, de antieke filologie en de geschiedenis. Voordat hij Lingen verliet, publiceerde hij onder meer Verisimilia sacra et profana (1732-1734), Vera et verisimilia sacra et profana (1742-1751) en Index aevi antiqui sive chronotaxis generalis (1752). Ten behoeve van zijn onderwijs te Kampen stelde hij een Chronotaxis synchronistica celebrium epocharum (1758) samen, uitgegeven door Simon Clement te Zwolle. Gegevens betreffende de aanvang en inhoud van de cursussen die Van Hoven in Kampen gaf, staan afgedrukt in zijn Fama. Van Hoven ijverde voor een vereniging van de protestantse kerken.

Inhoud
Van Hoven c.s. zijn met de Fama begonnen, aldus het Voor-Berigt, omdat er in de Republiek geen ‘geleerde couranten’ verschenen. Er was wel behoefte aan, aangezien Nederlandse geleerden die tegen hoge kosten van over de grens lieten toesturen.
Hij distantieert zich nadrukkelijk van het soort journalistiek dat door de Boekzaal der Geleerde Werrrelt en andere traditionele geleerdentijdschriften werd bedreven. Het blad zoekt het in korte karakteristieken van vooral nieuwe boeken en zou geen uitvoerige ‘uittreksels’ publiceren. Een werk dat door een ‘boekzaal’ reeds was samengevat, zou Fama overslaan of slechts met een enkel woord aanroeren. Verder neemt Van Hoven zich voor veel informatie te ontlenen aan de ‘hoogduitsche geleerde Couranten’; dit laatste overigens ondanks zijn kritiek op deze bladen. Ze zouden laboreren aan een bekrompen confessionalisme en vrijwel uitsluitend lutherse publicaties bespreken ten detrimente van gereformeerde boeken. Latijnse of Nederlandstalige geschriften met een calvinistische inhoud werden in die bladen systematisch genegeerd. Fama achtte zich evenwel in staat tot een tegenoffensief dankzij haar ‘goede correspondentie met alle gereformeerde Hoge Scholen’.
In het Voor-Berigt schotelt Fama haar lezers een heterogeen maar weinig origineel programma voor. De redactie zal informatie verschaffen over recente publicaties in geleerdenbladen en over wat ‘de nieuwste kleine schriften’ (pamfletten) aan zowel geleerd als ongeleerd nieuws te bieden hadden. Ook zullen er – mits franco toegezonden, niet anoniem en zonder smaadwoorden – weerwoorden geplaatst worden van geleerden die zich beledigd achten. Wanneer het Fama aan stof ontbreekt, zal de redactie ‘nieuwe aanmerkingen’ uit eigen koker zou presenteren over de Bijbel, Romeins Recht of antieke auteurs. Verder is het de bedoeling informatie te bieden over ‘oudere rare boeken’ die in bibliografische lexica onvermeld blijven of daar ten onrechte zeldzaam werden genoemd. Berichten over beroemdheden en bekendmakingen sluiten de lijst af.

In de nrs. 1-14 levert Fama ‘Letternieuws’ uit de Duitse landen, met Berlijn, Leipzig en Jena als hoofdleveranciers. Een beperkt aantal berichten had betrekking op Amsterdam. De afleveringen bevatten doorgaans beknopte berichten; een enkele keer vult een artikel een hele aflevering. De aandacht gaat vooral uit naar bijbelexegese en antieke filologie, naar geschiedenis, tijdrekenkunde en naar Romeins recht. Een redactioneel artikel over Romeinse rechtstermen in Brieven van Paulus verenigt twee van deze voorkeuren en doet blijken dat voor de redactie haar zelfverkozen ‘beknoptheid’ teveel gevergd was (p. 41-45). De besprekingen van bijvoorbeeld een klein geschrift over duistere plaatsen in de Judasbrief, door de Lingense hoogleraar Ferdinand Stosch (p. 26-30), en van de publicaties van Johannes Benedictus Carpzov (p. 87-88, 106-107) ademen een kritische geest.
Onwetenschappelijkheid kon in Fama rekenen op een ironisch onthaal. Vaak neemt de redactie een kleurloos, vaker een behoudend standpunt in. Een aanval die de doopsgezinde student Allard Hulshoff onder het pseudoniem Alethofilus Fileusebius had ondernomen op de optimistische filosofie van Leibniz-Wolff, keurde zij af, onder meer met het weinig valide argument dat ook de Openbaring deel uitmaakt van Gods best mogelijke wereld. De aardbeving in Lissabon (1755) moest volgens Fama beschouwd worden als ‘hemels strenge wraek’, de oude straf-op-de- zonde-idee (p. 82). Een heel andere mening dan die van Voltaire, maar hij was dan ook ‘een twyffelaar in ’t Stuk van de voorzienigheid’ (p. 47).

De koerswijziging vanaf nr. 15 (29 april 1758) betekende onder meer dat de artikelen langer werden. Opmerkelijk in dit verband is de aandacht die een tweedelig werk over de verschillen in ‘krygskundige geaardheid’ en andere culturele kenmerken van Fransen en Duitsers te beurt valt: de behandeling ervan wordt in een volgend nummer voortgezet (p. 183-191, 196-203).
Ook neemt het aantal mededelingen uit de Duitse landen sterk af. Het aantal berichten uit Nederlandse steden vormt nu de meerderheid. De redactie verloochent ook nu haar verknochtheid niet aan bijbelwetenschap, vruchtdragend in drie erudiete exegetische studies van eigen inventie over respectievelijk parabelteksten (p. 161-169), Paulus’ theologie betreffende lijden en verdienstelijkheid (p. 193-196) en Adams zondeloze toestand, ‘staat der regtheid’, in het paradijs (p. 209-218). Opvallend is het positieve oordeel over de Nederlandse vertaling van een boek, geschreven door de controversiële Engelse theoloog Arthur Ashley Sykes, over bezetenheid en demonologie in het Nieuwe Testament, een verlicht werk dat Van Hoven c.s. bewijskrachtiger achtten dan de Betoverde Weereld van landgenoot Balthasar Bekker (p. 139-140). De juridische interesse van de redactie uit zich onder meer in haar waardering voor een werk over oude Duitse wetten (p. 207-208).

De laatste aflevering van 1758, nr. 23, verscheen na de aankondiging dat het blad zijn voortbestaan afhankelijk stelde van de bereidheid tot intekening bij de lezers. Het bevat een politiek artikel (p. 241-246), bedoeld als weerlegging van het pamflet Vrye gedagten wegens de vermeerdering van ’s Lands krygsmacht (1758). Voorts brengt het nummer onder meer de bespreking van een Groningse disputatie over de bijbelse benamingen van dieren, vissen en vogels, een stuk vol Grieks en Hebreeuws, wat een vijand van Van Hoven in zijn pamflet Non plus ultra; of Vaarwel (1758) aanleiding gaf tot de beschuldiging van geleerdheidsvertoon. Deze anonieme tegenstander ondernam onder het pseudoniem Franco Vrydenker een felle aanval op het Zwolse blad, door Van Hoven beantwoord met het verweerschrift Fama Famae Vindicata.

De afleveringen uit 1759 zijn wat opzet en inhoud betreft niet veel anders dan de nrs. 15-23 uit 1758. Interessant is de manier waarop Van Hoven zich verweert tegen de beschuldiging van broodschrijverij (p. 9 e.v.). Ook doet hij uitspraken over zijn schrijfstijl:

zo agten wy ons verpligt geen hoogdravende en zwierige styl in onze Fama te gebruiken, daar het ons alleen om zaken en waarheden te doen is. Een Spectator, een Philantrope en diergelyke schryven meer tot vermak, en zoeken lezers door de cierlykheid van styl te winnen: maar een Historie-schryver blyft alleen by de eenvoudige naakte waarheid, en kiest het nuttige voor en boven het vermakelyke.
Behaagd iemand deze eenvoudigheid niet, hebbende meer smaak in hoogdravende en zwierige, of windige en spytige Spot- en Schot-schriften: die late onze Fama leggen en rusten. (p. 13)

Relatie tot andere periodieken
Fama, in de antieke mythologie de gevleugelde godin van het gerucht, beschikte over evenveel oren, tongen en monden als zij veren aan het lijf droeg. Het woord Nederlandsche in de titel van het blad markeert het verschil met Duitstalige tijdschriften, die ook de naam Fama in de titel voerden, zoals Die Neue Europäische Fama (1735-1754).
De Nederlandsche Geleerde Fama positioneert zich nadrukkelijk als een ‘geleerde Courant’ en niet als een boekzaal die vol staat met uittreksels. Het blad ontleent bij voorkeur berichten aan Duitstalige geleerde bladen, waaronder de Göttingsche Anzeigen von Gelehrten Sachen (Göttingen, onder deze titel vanaf 1753) zie bijv. p. 65, 92, 95; en Das Neue Gelehrte Europa (Wolffenbüttel, vanaf 1752; geredigeerd door onder anderen Ferdinand Stosch). Fama bespreekt ‘het twaalfde Deel …des voorledenen Jaars [1757]’ (p. 36-37).
De Nederlandsche Letter-Courant die Elie Luzac op 2 januari 1759, gelijktijdig met de ‘nieuwe’ Fama, op de markt bracht, was in zekere zin een concurrent van de Fama.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 223 G 58 (nrs. 1-23 uit 1758). In dit exemplaar marginale aantekeningen, vermoedelijk van Mynhard Tydeman (1741-1825) die zijn naam schreef in het voorwerk. Het tijdschrift maakt deel uit van een convoluut met het pamflet Fama Famae Vindicata.
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1169 G 25 (nrs. 1-6 uit 1759)
¶ Full text nrs. 1-23 (1758) en nrs. 1-6 (1759)

Bronnen
Non plus ultra, of Vaarwel aan een zestal van schryveren tegens de vrye gedachten over de vermeerdering van ’s lands krygsmacht (Zwolle etc. [1758])
¶ J.D. van Hoven, Fama Famae Vindicata; of Voldoenende redenen, waarom een der schryveren van de Nederlandsche Geleerde Fama op het vuilaardig Laster-schrift Vaarwel genaamd […] niet na verdienst antwoord, nog ooit zoort-gelyke antwoorden zal […] (Zwolle, by S. Clement, J.A. van Santen etc. [1758]).

Literatuur
¶ J.J.V.M. de Vet, ‘Fameus in Zwolle: het korte leven van Nederlandsche Geleerde Fama (1758)’, in: Tijdschrift voor Tijdschriftstudies, 20 [2006], p. 17-38
¶ J. Wilke, Literarische Zeitschriften des 18. Jahrhunderts 1688-1789, deel 2 (Stuttgart 1978)
¶ J.G. Streng, Zwols biografisch woordenboek. Een draagbaar mausoleum (Hilversum 2004)
¶ J.G. Streng, Het is thans zeer briljant. Aspecten van het Zwolse culturele leven tijdens de overgang van ancien régime naar moderne tijd (Hilversum 1999)
¶ J. Kircher, Das Deutsche Zeitschriftenwesen, seine Geschichte, und seine Probleme, deel 1 (Wiesbaden 1958)
¶ H.W. Fortgens,‘De Latijnse school te Kampen’, in: Verslagen en Mededelingen van de Vereniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis 71 (1956), p. 70-71
¶ H.J. Moerman, ‘De Latijnsche School’, in: Kamper Almanak (1939-1940), p. 138-139
¶ J.P. de Bie en J. Loosjes, ‘Lemma J.D.van Hoven’, in: Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland deel 4, p. 339-342
¶ F.S. Knipscheer, ‘lemma J.D. van Hoven’, in: Nieuw Nederlandsch biographisch woordenboek, deel 8, kol. 861-862

Jan de Vet