Nederlandsche Jaarboeken (1747-1765)

Titelbeschrijving
Nederlandsche Jaarboeken, inhoudende een Verhaal van de Merkwaardigste Geschiedenissen, die dagelyks voorvallen binnen den omtrek der Vereenigde Provintien; voor de maand january 1747 [enz.].
Vanaf deel 1, nr. 2: Nederlandsche Jaerboeken.
Vanaf deel 3: Nederlandsche Jaerboeken, inhoudende een Verhael van de Maerkwaerdigste Geschiedenissen, die voorgevallen zyn, binnen den omtrek der Vereenigde Provintien, sederd het begin van ’t jaer MDCCXLVII, het groote tydperk der blyde verkiezinge zyner Doorluchtigste Hoogheit, Prins Willem de IV., tot Stadhouder van Holland, enz. Derde [enz.] deel.
Vanaf deel 13 is deze inhoudelijke toevoeging over het aantreden van de stadhouder in ’47 weer verdwenen.

Periodiciteit
Dat de Jaarboeken als maandblad in de markt zijn gezet, blijkt allereerst uit het Voorbericht in deel 1:

Als het jaar afgeloopen is, en dus de twaalf stukjes tot de dikte van een bekwaam Boekdeel aangegroeid zyn, zal een algemeene Titel, Register, Titel- en andere Plaaten, die tot opheldering of verciering van het Werk konnen dienen, by hetzelve gevoegd worden; ten welke einde wy verzoeken dat men geen gedeelte van dit werk laate binden, aleer het geheele jaar afgedrukt is.

Ook in de advertentie van de Leydse Courant waarin de uitgever het verschijnen van de Jaarboeken aankondigt, op 29 juli 1746, wordt gerefereerd aan de maandelijkse frequentie: ‘berigtende Maandelyks al het Merkwaardige, dat in den omtrek der Vereenigde Provintien komt voortevallen’.
De verschijningsdata van het maandblad lopen echter op een gegeven moment niet meer parallel met de jaartallen die op de titelpagina’s van de gebundelde Jaarboeken staan. Zo meldt de redacteur in het ‘Voorbericht’ van deel 3 ‘dat de meenigvuldigheit der stoffen meer dan één stukje maendelyks afvorderd’ (p. II). Bovendien laten de advertenties in de Leydse Courant zien dat er langzamerhand een steeds groter wordende vertraging optreedt. Op 15 december 1747 wordt geadverteerd voor het nr. 11 (‘stukje’), dat november 1747 behandelt. Ook op 15 januari 1753 en 13 mei 1754 houden redacteur en uitgever, blijkens de advertenties, de kalender nog redelijk bij. Maar na het overlijden van uitgever Houttuyn in juli 1765 lijkt de klad erin te zijn gekomen. Op 20 november 1767 kondigen de Erven Houttuyn in de Leydse Courant aan dat het stukje over augustus 1765 verzonden is en dat de vier volgende stukjes waarmee de ‘Oude Jaarboeken ten einde loopen’, spoedig zullen volgen. Nr. 1 van de Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken is dan al, in 1766, verschenen.
In de ‘Voorrede’ van deel 1 van dit vervolg op de Jaarboeken, wordt op deze kwestie ingegaan:

Een zaek moeten we hier nog byvoegen; namelyk, dat wy goedgevonden hebben, onze Maendelyksche Stukjes niet onmiddelyk na het eindigen van de Maenden, voor welken zy geschikt zyn, uit te geven; maer eenigen tyd daerna; om dat het niet mogelyk is, die Stukken aenstonds magtig te worden, waermede wy gewoon zyn onze verhalen te staven, en wy ook dikwyls na ophelderingen moeten wagten, die ons niet aenstonds geredelyk, worden toegezonden. (p. XV)

Dit verklaart de advertentie van 23 mei 1766 waaruit blijkt dat het eerste stukje van dat jaar verstuurd is en het tweede stukje reeds op de pers ligt.
De uitgevers van de Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken brengen blijkens een advertentie in de Leydse Courant van 19 augustus 1772 nog een deel 20 uit van de oude Jaarboeken, ‘behelzende dit Deel BYVOEGSELS op de JAARBOEKEN van 1747 tot 1755’ (deel 21 ligt op de pers). Op 3 januari 1774 wordt geadverteerd voor deel 22 met de bijvoegsels over de jaren 1760-1765, en op 23 juni 1775 voor deel 23, met de ‘ALGEMEENE REGISTERS op de JAARBOEKEN van 1747-1765’.

Bibliografische beschrijving
In groot octavo. De delen bestaan elk uit 2 halfjaarlijkse stukken (niet te verwarren met de ‘stukjes’ waarmee de afleveringen worden bedoeld). De eerste twee stukken zijn voorzien van een titelpagina waarop slechts titel en impressum staan vermeld, gedecoreerd met een fleuron. Dit fleuron is vanaf deel 2 vervangen door afbeelding van een timmerwerf (lett.: houttuin), waarboven een guirlande en een medaillon met portret van Isaac Newton (gegraveerd door Jan Caspar Philips). Aan weerszijden van dit portret staan afbeeldingen van een boekwinkel en een drukkerij. Het motto luidt: ‘Aedificando floret’ (vert. Bloei door bouw).
De titelpagina’s van de afleveringen zijn bij het inbinden weggelaten. Ieder deel begint met een voorbericht. De afleveringen variëren sterk in omvang, mede als gevolg van de hierboven reeds geconstateerde verschijning van ‘stukjes’ in stukjes.

Boekhistorische gegevens
Het impressum luidt aanvankelijk: ‘Te Amsteldam, By F. Houttuyn, Boekverkooper in Isaak Newton’. Op de titelpagina van het tweede stuk van deel 1 heet het: ‘Te Amsteldam, By F. Houttuyn, Boekverkooper op het Water, recht tegen over de Papen-Brug, in Isaäk Newton.’ Vanaf deel 2 is ‘Isaäk Newton’ uit het impressum verdwenen, vanaf deel 7 de resterende adresgegevens.
De delen 20-23 hebben als impressum: ‘Te Amsteldam, By de Erven van F. Houttuyn. te Leiden, By P. van der Eyk en D. Vygh.’
Elk stukje kost 6 stuivers, zo wordt gemeld in de Leydse Courant van 15 januari 1753.

Medewerkers
In het voorbericht, voorin ieder deel, worden de correspondenten iedere keer bedankt voor hun toezendingen van materiaal; ze worden uitgenodigd om ook het komende jaar historisch relevante gegevens toe te zenden. Chagrijnig schrijft de redacteur in het voorbericht van deel 4 dat er in een aantal steden een ‘onverzetbare styfhoofdigheit’ heerst, die er de oorzaak van is dat hij geen demografische gegevens krijgt. Alsof het staatsgeheimen zijn! Ook in de Voorrede van deel 8 moet het hem van het hart dat hij het onbegrijpelijk vindt dat er correspondenten zijn die hem geen gegevens willen vertrekken over criminele vonnissen.
Maar vol lof is de redacteur in de Voorrede van deel 13 over de bijdragen van Jan Noppen (1706-1764). Deze opziener van de waterstaat hield zich ambtshalve op Huize Swanenburgh in Halfweg (bij Amsterdam) bezig met het bijhouden van het weer en stuurde hierover ter publicatie meteorologische berichten naar de Jaarboeken. Hij werd opgevolgd door zijn neef, de arts Jan ENGELMAN (1709-1782), die de uitgever echter spoedig liet weten met de weerkundige waarnemingen ten behoeve van de Jaarboeken te willen stoppen. Het werd hem te veel, maar in de Voorrede van deel 13 wordt fijntjes opgemerkt dat het hem niet te veel was om zijn waarnemingen te publiceren in de stukken van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen.

Inhoud
De Jaarboeken zijn bedoeld als geschiedschrijving voor het nageslacht, zo blijkt onder meer uit het Voorbericht van deel 1, maar ook voor tijdgenoten, opdat ze los van de waan van de dag greep krijgen op datgene wat er om hen heen gebeurt (zie ook de Voorrede in deel 12). Ditzelfde Voorbericht bevat ook een opsomming van wat de lezer in de Jaarboeken kan verwachten: plakkaten, ontwerpen van loterijen, verpachtigen van belastingen, aanbestedingen van publieke werken, bestuurswisselingen en wetswijzigingen, benoemingen van lokaal en provinciaal overheidspersoneel, krijgshandelingen, rechtsgedingen, wetenschappelijke gebeurtenissen, berichten over de koophandel, landbouw en visserij, demografische gegevens per stad.
Wat de weergave van plakkaten betreft, spiegelt de redacteur zich aan Lieuwe van Aitzema, de zeventiende-eeuwse geschiedschrijver die met zijn Saken van staet en oorlogh (1655-1671) een standaardwerk voor de Nederlandse geschiedenis had afgeleverd (Voorrede deel 9).

Er waren klachten dat de Jaarboeken zich te veel inlieten met kerkelijke zaken (Voorrede deel 11). Maar in zijn verweer duldt de redacteur geen tegenspraak: kerk en staat zijn nu eenmaal zozeer aan elkaar verbonden dat je kerkelijke zaken niet zonder meer kunt overslaan. De andere kant kwam echter ook voor: bemoeizucht van kerkelijke instanties die in de Boekzaal der Geleerde Werreld kritiek hadden geuit op de Jaarboeken.

Relatie tot andere periodieken
Blijkens de advertentie in de Leydse Courant van 29 juli 1746 was Houttuyn ook van plan de Jaarboeken in het Frans uit te geven.
De Erven Houttuyn beschouwden de Jaarboeken als een vervolg op de Europische Mercurius, aldus hun advertentie in de Leydse Courant van 16 november 1768, waarin ze de voorraad oude Jaarboeken proberen van de hand te doen.
De Jaarboeken werden voortgezet als de Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken (1766-1806). De uitgevers daarvan berichtten in de Leydse Courant van 23 mei 1766 dat ze gedeeltes van de oude Jaarboeken die ontbreken, zouden herdrukken, ‘om dus den lezeren eene compleete aaneengeschakelde Historie te geeven’.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: G 504.
¶ Full text deel 1-1 (jan-juni 1747), deel 1-2 (juli-dec 1747), deel 2-1 (jan-juni 1748), deel 2-2 (juli-dec 1748), deel 3-1 (jan-juni 1749), deel 3-2 (juli-dec 1749), deel 4-1 (jan-juni 1750), deel 4-2 (juli-dec 1750), deel 5-1 (jan-juni 1751), deel 5-2, deel 6-1 (jan-juni 1752), deel 6-2 (juli-dec 1752), deel 7-1(jan-juni 1753), deel 7-2 (juli-dec 1753), deel 8-1 (jan-juni 1754), deel 8-2 (juli-dec 1754), deel 9-1 (jan-juni 1755), deel 9-2 (juli-dec 1755), deel 10-1, deel 10-2(juli-dec 1756), deel 11-1 (jan-juni 1757), deel 11-2 (juli-dec 1757), deel 12-1(jan-juni 1758), deel 13-1 (jan-juni 1759), deel 13-2, deel 14 (1760), deel 15-2(juli-dec 1761), deel 16-1 (jan-juni 1762), deel 16-2 (juli-dec 1762), deel 17-1(jan-juni 1763), deel 17-2 (juli-dec 1763), deel 18-2 (juli-dec 1764), deel 19-1 en deel 19-2

Literatuur
¶ Donald Haks, Journalistiek in crisistijd. De (Nieuwe) Nederlandsche Jaarboeken 1747-1822 (Hilversum 2017).
¶ K.L. Sprunger, ‘Frans Houttuyn, Amsterdams boekverkoper. Preken, uitgeven en doopsgezinde Verlichting’, in: Doopsgezinde bijdragen 31 (2005), p. 183-204.

Rietje van Vliet