Nederlandsche Letter-Courant (1759-1763)

Titelbeschrijving
Nederlandsche Letter-Courant; Doende kortelijk verslach van de Nieuwe Boeken en Geschriften, Welken van tijd tot tijd, zo in de Vereenigde als andere Gewesten uitkomen, Als ook van ’t voornaamste Nieuws, dat er in de Geleerde Wereld voorvalt.

Periodiciteit
De eerste aflevering dateert van 2 januari 1759, de laatste van 23 december 1763. Het blad verschijnt als ‘stukjes’ wekelijks op dinsdag en vrijdag. De afleveringen worden na afloop van ieder half jaar gebonden tot een deel, voorzien van een titelpagina. De laatste van de 10 delen heeft daardoor 1764 als jaar van uitgave.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in octavo, die per deel doorlopend genummerd zijn en in twee kolommen zijn opgemaakt. Het motto luidt ‘Nec Temere, nec Timide’ (vert. Noch roekeloos, noch vreesachtig). De titelpagina’s van de afzonderlijke delen zijn sober vormgegeven, zonder vignet en zonder kleur. Er is geen titelprent. Ieder deel heeft een uitvoerig register op besproken titels en auteurs.

Boekhistorische gegevens
De uitgever is Elie Luzac junior, uit Leiden. Het tijdschrift wordt gedrukt in diens eigen drukkerij.
Het blad is blijkens de stoklijst (deel 1, nr. 4) bij de volgende boekverkopers te koop: Amsterdam, Houttuin, Dirk onder de Linden, Pieter Meyer, Kornelis van Tongerlo, Evert van Harrevelt; ’s-Gravenhage, Otto en Pieter van Thol, Thomas van Os; Haarlem, Jan Bosch, Jan van Lee; Rotterdam, Jan Daniel Beman, wed. Frans de Vuyk, Reinier Arrenberg; Gouda, Franco Bellaart; Utrecht, Hendrik Spruit, Abraham van Paddenburg; Groningen Hajo Spandaw. Later komen er nieuwe verkoopadressen bij: Middelburg, Pieter Gillissen (vanaf deel 1, nr. 8), Leeuwarden, firma Chalmot & Comp. (vanaf deel 3, nr. 27), Deventer, Friezewijk; Zwolle, S. Clement en Zutphen, Amelis Jan van Hoorn (vanaf deel 6, nr. 80). In een advertentie in de Leydse Courant wordt tevens genoemd Dirk Boom uit Amsterdam (17-2-1762).
Voorafgaand aan nr. 1 verscheen een prospectus: Bericht en proeve van de Nederlandsche Letter-Courant (geen exemplaar bekend). Luzac adverteerde regelmatig in de Leydse Courant voor de Nederlandsche Letter-Courant; ook in de Opregte Haarlemsche Courant zijn er advertenties voor aangetroffen.
De afleveringen kostten 1½ stuiver per stuk; per half jaar ƒ 3:18 en per jaar ƒ 7:16. De abonnementsprijs per jaar was echter ƒ 6:10, vooraf te voldoen aan Luzac of aan zijn ‘Medehandelaars in andere steden’ (deel 1, Voorbericht). In 1762 adverteerde Luzac in de Leydse Courant voor een opruimingsactie van deel 1-2; die kostten tezamen nog slechts ƒ 4:10 (26 februari 1762).
Over de oplage is niets bekend. De eerste biograaf van Luzac, H.C. Cras, schrijft dat het blad direct na verschijnen van de eerste afleveringen veel opgang maakte. De veilingcatalogus van de winkelvoorraad van Luzac (1801) maakt melding van een restant van slechts 56 exemplaren, die samen met het kopijrecht te koop waren.
De Nederlandsche Letter-Courant bevat alleen advertenties van Luzac voor nieuwe uitgaven en voor nieuw gearriveerd assortiment.

Medewerkers
De schrijver is Elie LUZAC (1721-1796), bijgestaan door derden. Bij de start van het tijdschrift riep de schrijver zijn lezers op om hem van relevante informatie voorzien: ‘in ’t bijzonder de Geleerden (indien het hun niet te veel is met eenen Courantier in gemeenschap te treden) en alle Liefhebbers van Konsten en Wetenschappen’ (deel 1, Voorbericht). Een paar jaar later werd de oproep herhaald (deel 9, Voorrede). Wie zijn correspondenten waren, is tot nu toe – op de jonge Leidse lakenfabrikeur Frans VAN LELYVELD als uitzondering na – niet achterhaald.
Zelf wilde Luzac anoniem blijven: ‘Ik vinde niet, dat het noodig is mijnen naam te melden’. Ook zijn beroep doet er niet toe, schrijft hij (deel 1, Voorbericht). Desondanks wist zijn publiek wie achter de lettercourantier schuilging.

Luzac was rechtsgeleerde, publicist en uitgever-drukker-boekverkoper. Hij was een groot pleitbezorgder van de drukpersvrijheid. Vooral geleerden mochten niet gehinderd worden bij hun waarheidsvinding. Hij zag dan ook geen enkel beletsel om bijvoorbeeld het gewaagde, want materialistische L’homme machine (1748) van Julien Offray de La Mettrie uit te geven.
Luzac was voor zichzelf en voor zijn omgeving geen gemakkelijk man. Hij was een uitmuntend debater en dankzij zijn gedetailleerde kennis van uiteenlopende zaken steevast overtuigd van zijn eigen gelijk. In Göttingen, waar hij van 1753 tot en met 1756 een filiaal had, kreeg hij zoveel conflicten met de universiteit en de Academie van Wetenschappen, dat hij er met pek en veren werd afgevoerd. Desondanks vroeg Frederik de Grote hem een boekhandel in Berlijn/Potsdam te beginnen. Dit aanbod heeft Luzac echter naar eigen zeggen afgeslagen.
Al zijn eigen geschriften, die doorgaans staatsrechtelijk en rechtsfilosofisch van aard zijn, verraden zijn stadhoudersgezindheid. Zijn politieke voorkeuren en zijn eigenzinnige opvattingen over de vrijheid van meningsuiting klinken ook door in de Nederlandsche Letter-Courant. Daar toont hij zich een internationaal georiënteerde geleerde die goed op de hoogte was van binnen- en buitenlandse discussies. Hij had een uitgebreid netwerk en correspondeerde met gerenommeerde geleerden uit eigen land, Frankrijk en de Duitse staten.

Inhoud
Luzac richtte zich met zijn literaire en wetenschappelijke nieuws op een algemeen geletterd, Nederlandstalig maar internationaal georiënteerd publiek.

Het meeste nieuws heeft betrekking op pas verschenen boeken. Volgens de berekening van Van Manen (1989) schommelt het percentage gerecenseerde Nederlandstalige titels tussen de 4 en 14 procent. De besprekingen zijn verdeeld naar land van herkomst: voornamelijk de Republiek, Engeland, Frankrijk en de Duitse staten. Een enkele keer dragen de rubrieken de naam van andere landen, streken of steden, zoals de Oostenrijkse Nederlanden, Petersburg, Polen, Denemarken, Italië, Pruisen, Spanje of Rusland.
De besprekingen variëren sterk in lengte. Nu eens wijdt de auteur slechts enkele regels aan een pas verschenen boek, andere keren zijn het vele bladzijden lang (over zijn werkwijze zie deel 3, nr. 1). Soms gaan de recensies vergezeld van uitgebreide citaten die, met name wanneer ze ontleend zijn aan poëzie en toneel, de toonzetting van het blad verlevendigen. Interessant zijn voorts de verwijzingen naar besprekingen elders, opmerkingen over wat er bij herdrukken is gewijzigd en overzichten van de standpunten van de deelnemers aan wetenschappelijke, politieke, literaire of bijvoorbeeld moraal-filosofische debatten.
Ook afleveringen van tijdschriften worden besproken, bijvoorbeeld de Schatkamer der Geleerden (1761-1764), het Het Veertiendaagsch Blaadje (1760-1761), het Hollands Magazyn (1750-1761), de Maendelyksche By-Dragen ter Opbouw van Neerlands Tael-en Dicht-Kunde (1758-1762), de Hollandsche Wysgeer (1759-1761), het Zinryk en Schertzend Woordenboek (1759-1761) en, uitgebreid in diverse afleveringen, De Denker (1764).
Het nieuws betreft in de tweede plaats berichten van academies van wetenschappen en andere genootschappen over prijsvragen, publicaties en benoemingen van belangrijk geachte nieuwe leden. De Academie te Göttingen krijgt verhoudingsgewijs veel aandacht, alsook het Stolpiaans Legaat met zijn prijsvragen en prijsverhandelingen. Een bijzondere plaats nemen dissertaties en oraties in, omdat ze volgens Luzac de kenmerken dragen ‘van den heerschenden smaak, vooral op Hooge Schoolen, en van de veranderingen die de beoeffening der Geleerdheid ondergaat’ (deel 9, Voorrede).
De Letter-Courant bevat in de derde plaats – zij het vanaf medio 1761 – de rubriek: ‘Nieuwe Boeken, betrekkelijk op/tot de […] met aanwijzing van de Schrifte alwaar eenige aankondiging of verslach van dezelven te vinden is’ (deel 6, nr. 54). Per aflevering komt een ander wetenschapsdomein aan de orde: ‘Godgeleerdheid en godsdienst’, ‘Rechtsgeleerdheid’, ‘Genees-, heel-, kruid- en scheikunde’, ‘Wiskunde en wijsbegeerte’, ‘Taal-, letter- en oudheidskunde’, ‘Geschiedenis’, ‘Aardrijkskunde en nieuwe kaarten’, ‘Staatkunde’, ‘Krijgskunde’, en ‘Dichtkunde, toneelkunde’. De rubriek bevat pagina’s lange lijsten nieuwe uitgaven. Luzac vond het niet nodig deze werken nader toe te lichten, omdat ze al elders werden besproken (deel 7, nr. 1). Dankzij deze bibliografische informatie is de Letter-courant onbedoeld uitgegroeid tot een naslagwerk waar ook hedendaagse onderzoekers hun voordeel mee kunnen doen.
Een uiterst minieme plaats is, ten slotte, ingeruimd voor ingezonden brieven. Zo vroeg ene Bibliophilus aan de lettercourantier of deze in het vervolg bij het noemen van nieuwe boeken ook de winkelprijzen kon vermelden (deel 3, nr. 40). De brieven, al dan niet verzonnen, waren voor Luzac aanleiding om uit te wijden over kwesties die bij zijn lezers leefden. Nadat Kleptomastix uit Amersfoort zich uitsprak over ‘Letter-roof’, met een pleidooi voor het bestraffen van letterdieven (deel 5, nr. 23), ging Luzac uitvoerig in op het thema plagiaat (zie ook deel 5, nr. 44).

Al snel na het prospectus van de Nederlandsche Letter-Courant verschenen de Aanmerkingen over het Bericht en proeve van de Nederlandsche Letter-Courant, gedrukt te Leyden by Elias Luzac Junior (geen exemplaar bekend). Het pamflet was blijkens de advertentie in de Leydse Courant (3 januari 1759) bij vele boekhandelaren te koop, onder wie zijn Leidse confraters Cornelis de Pecker en de gebroeders Luchtmans. Luzac vermoedde dat de auteurs van de Schatkamer der Geleerden hier meer van wisten (deel 6, nr. 95).

De onderwerpen die Luzac aansneed, zijn zeer divers. Zijn commentaar op nieuwe uitgaven leidde tot vele reacties en stuwden de toch al dikwijls verhitte debatten verder op. Zo nam Luzac in diverse afleveringen stelling in de pennenstrijd over Onno Zwier van Haren, de in 1759 wegens incest aangeklaagde orangistische schrijver-politicus. Luzac nam het voor hem op, hetgeen weer nieuwe reacties opriep. Zo stelde de verder onbekend gebleven L.P. van Ganzenoort een catalogus samen van pamfletten die met deze kwestie te maken hebben. De titels zijn voorzien van ironisch commentaar. De ironie schuilt ook in de titel van de catalogus: Extraordinaire Nederlandsche Letter-Courant, dat is: Zonderlinge en merkwaerdige naam-lijst of catalogus van onlangs uitgekomen schriften; raakende de zaak van den Heere Onno Zwier van Haren (1761).
Een blad als de Nederlandsche Spectator (1749-1760) kreeg van Luzac de volle laag omdat de stijl niet zou deugen. Luzac had hier al eerder over geschreven in de Bibliothèque Impartiale, maar zette de discussie in de Letter-Courant gewoon voort: ‘Men zou zeggen dat men eenen Dorp-Paap hoorde’ (deel 1, nr. 17). De aanvaring raakte echter een dieperliggend twistpunt, namelijk de positie van de stadhouder, waarover de auteurs van de spectator aanzienlijk met Luzac van mening verschilden. Dit blijkt uit het anonieme pamflet Bekendmaaking van heer Marten van Roshem (1759) en Luzacs reactie hierop Bericht van Elias Luzac, Junior, op een geschrift; uitgestrooid onder den tytel van bekendmaaking van Heer Marten van Roshem, Ridder. Waar in eenige aanmerkingen op de Nederlandschen Spectator vervat zyn (1759). Zo kwam Luzac ook met zijn Letter-Courant terecht in de brandhaard van de De Wittenoorlog.

Verschillende keren wijdde Luzac een bespreking aan de geschriften van Frederik Adolf van der Marck, hoogleraar rechten in Groningen. Het rechtsgeleerde debat over het Romeinse recht als subsidiair recht deed indertijd de gemoederen verhitten. Van der Marck vond dat het vaderlands recht en het natuurrecht veel meer de nadruk moesten krijgen. Luzac nam op vele plaatsen in zijn Letter-Courant deel aan deze discussie door erop te wijzen dat de Groninger veel te voortvarend was in het opzijschuiven van het Romeins en zelfs het canoniek recht, ten gunste van het natuurrecht. Van der Marck reageerde met een afzonderlijk uitgegeven Nadere verklaring over de vryheid van den burgerstaat van Groninger-land gegrondvest op deszelfs eige vaderlandsche wetten; tot opheldering van het 93ste en 94ste stuk der Nederlandschen Lettercourant des jaars 1761 (1762).

De Nederlandsche Letter-Courant was het eerste en vooralsnog enige Nederlandstalige tijdschrift waarin de werken van Jean-Jacques Rousseau besproken werden. Luzac was uitermate kritisch over de visie van Rousseau en diens redeneertrant. In Emile bijvoorbeeld trof Luzac ergerlijke en schadelijke redeneringen aan (deel 10, nrs. 53 en 54), al erkende hij wel de artistieke kwaliteiten. In dit verband is het opvallend dat Luzac weliswaar een fervent voorstander was van de vrijheid van meningsuiting maar alle geschriften die de publieke moraal en religie ondermijnen, wenste te verbieden. Daarbij had hij onder meer de werken van Rousseau en d’Alembert op het oog.
Een niet meer te stuiten rage is vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw het encyclopedisme. Luzac uitte op verschillende plaatsen kritiek op de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert, waarvan in 1751 het eerste deel het licht zag. Luzac vond dat de samenstellers van de Encyclopédie te veel tegemoetkwamen aan de wens van gemakzuchtige lezers om alle kennis tegelijkertijd in de schoot geworpen te krijgen (deel 1, nr. 11). Vooral de ‘Discours preliminaire’ van beide encyclopedisten wordt kritisch tegen het licht gehouden (deel 3, nr. 40 e.v.).

Er zijn verschillende pogingen gedaan om de Nederlandsche Letter-Courant te doen verbieden. In de voorrede van de tweede jaargang schrijft Luzac: ‘Het zoude gelijk hier de regte plaats zijn, om eens de beweegmiddelen op te spooren van alles, wat, zelfs heimelijk, in ’t werk is gesteld, om onze onderneeming in haare geboorte te smooren’ (deel 3, nr. 1). Over deze pogingen de lettercourantier de mond te snoeren is echter weinig bekend.
Mogelijk was de actie van de Amsterdamse hoogleraar filologie Petrus Burmannus Secundus de spreekwoordelijke druppel die voor Luzac de emmer deed overlopen. Op 8 januari 1763 verzocht Burman de Leidse schepenen de Letter-Courant te verbieden. Burman was op dat moment in conflict met zijn Utrechtse collega Christophorus Saxe, die boeken uit het bezit van de oom van Burman zou hebben beschadigd. Hoewel de aanleiding gering was, waren de reacties dermate fel dat de aanvaring leidde tot een felle woordenwisseling die maanden aanhield en waaraan ook derden deelnamen. Luzac had in zijn Letter-Courant ruim geciteerd uit de aanvallen op Burman, waardoor diens goede naam ook daar bezoedeld werd. Het is echter niet bekend of Luzac door zijn stedelijke overheid de mond werd gesnoerd (zie onder andere deel 10, nr. 52).
In het nawoord, behorend bij de laatste aflevering, wekte Luzac wederom de suggestie dat de Letter-Courant op last van derden is beëindigd.

Zodaanig een geschrift is van dien aart, dat hetzelve op niets uitloopt en weinig leezens waerdig is, wanneer men belemmerd word in ’t uitbrengen van zijne gedachten en oordeel, over ’t geen men aankondigt; en niet zonder gevaar verspreid en verkoft word. (deel 10, nr. 102)

Vergelijk hiermee de opmerkingen van Cras in zijn biografie van Luzac, waarin ook hij suggereert dat Luzac in zijn vrijheid van spreken werd beknot.

Relatie tot andere periodieken
De Nederlandsche Letter-Courant kan gezien worden als een Nederlandstalige opvolger van de Bibliothèque Impartiale, het geleerdenblad onder redactie van Jean Henri Samuel Formey en van 1750-1758 uitgegeven door Elie Luzac. Aanvaringen met de hoofdredacteur over de inhoudelijke koers van het blad en de groeiende belangstelling voor publicaties in de landstaal hebben ertoe geleid dat Luzac abrupt een einde maakte aan het Franstalige geleerdentijdschrift en direct erna met de Letter-Courant is begonnen. De intellectuele verwantschap blijkt onder andere ook uit de anonimiteit van de auteurs en hun streven naar objectiviteit. Het was om die reden dat Luzac geen recensie-exemplaren wenste te ontvangen. Liever kreeg hij van uitgevers die een boek onder zijn aandacht wilden brengen, een exemplaar in commissie, bestemd voor de verkoop (deel 1, Voorbericht).

Bij de samenstelling van zijn Letter-Courant maakte Luzac gebruik van ‘alle dagelijksche, weekelijksche en maandelijksche schriften’, maar zij moesten zich wel zelf bij hem melden (deel 1, nr. 10). Zo maakte hij blijkens zijn recensies voor Engels nieuws gebruik van de Monthly Review en de Critical Review. Voor nieuws uit Frankrijk leunde hij sterk op de L’Année Littéraire entre Christianisme et Lumières, de Mercure de Franceen de Suite de la Clef, ou Journal Historique sur les Matiéres du Tems, dat in de wandelgangen bekend is als Journal de Verdun. Voor Duitse berichten achtte Luzac de Leipziger Zeitungen, de Neue Zeitungen von Gelehrten Sachen, eveneens uit Leipzig, de Nouvelle Bibliothèque Germanique en de Göttingsche Anzeigen von gelehrten Sachen geschikt. Andere nieuwsbronnen waren het kwartaalblad Excerptum totius Italicae nec non Helveticae Literaturae uit Bern, de Utrechtse Kerk en Academie Boekzaal van Europa en de hierna te noemen periodieken.
Van een aantal Nederlandstalige periodieken schrijft Luzac dat ze heel goed met zijn Letter-Courant vergeleken kunnen worden: de Vaderlandsche Letter-Oefeningen en de al eerdergenoemde Schatkamer der Geleerden. Er waren ook Franse tijdschriften, in de Republiek uitgegeven, die net als de Letter-Courant nieuws geven ‘van ’t geen ’er in de Geleerde Waereld omgaat’: de Journal Étranger, de Journal des Sçavans en de Bibliothèque des Sciences & des Beaux Arts (deel 9, Voorrede).

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1170 F 9-18
¶ Full text deel 1deel 2deel 3deel 4deel 5deel 6deel 7deel 8deel 9 en deel 10

Bronnen
¶ H.C. Cras, Beredeneerd verslag omtrent de geschriften van den heer Mr. Elias Luzac, in zijn leven advocaat te Leyden (10-8-1810). Nationaal Archief, toegangsnr. 2.21.004.15, collectie 015 J.M. Kemper (Cras) 1631-1847.

Literatuur
¶ R. van Vliet, Elie Luzac (1721-1796), Boekverkoper van de Verlichting (Nijmegen 2005)
¶ W. Los, Opvoeding tot mens en burger. Pedagogiek als cultuurkritiek in Nederland in de 18e eeuw (Hilversum 2005)
¶ W.R.E. Velema, Enlightenment and conservatism in the Dutch Republic (Assen/Maastricht 1993)
¶ R.P.L. Arpots, Vrank en Vrij, Johannes le Francq van Berkheij (1729-1812) (Nijmegen 1990), p. 35
¶ H. van Manen, De Nederlandsche Letter-Courant (ongepubliceerde doctoraalscriptie, UvA Geschiedenis 1989)
¶ H. Stouten, ‘Tolerance in four Dutch periodicals 1714-1771 [3]: Nederlandsche Letter-Courant, Leyden 1759-1763’, in: SVEC 216 (1983), p. 73-77
¶ W. Gobbers, Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de invloed van de mens en het werk (ca. 1760-ca. 1810) (Gent 1963)
¶ J. Vercruysse, ‘Recherches bibliographiques sur les premières éditions des Oeuvres complètes de Diderot, 1772-1773’, in: J. Pappas, Essays in Diderot and the Enlightenment (Genève 1974).

Rietje van Vliet