Nederlandsche Overweeger (1771-1772)

Titelbeschrijving
De Nederlandsche Overweeger, Overweegende; de Bespottelyke, ongeregelde, Verliefde, Galante, Schelmägtige, Listige, zoo Stille, als openbaare Geruchten. Doormengt met Satyrique Aanmerkingen, die de ongeregelde en openbaare Zothéden, der Wulpsche, Verkwistende, en hoogmoedige Nederlanderen, volmaakt vertoonen. Compleet in twee-en-vyftig Spectatoriale Vertoogen.

Periodiciteit
De Overweeger verscheen als maandags weekblad in 1771-1772 (52 nrs.). Dankzij de advertentie in de Leydse Courant van 5 augustus 1772 kan het blad nauwkeuriger worden gedateerd. In deze advertentie, waarin het portret van de auteur te koop wordt aangeboden, wordt gesproken van ‘het nog lôopende Tyd-Schrift’, waarvan inmiddels 40 nrs. zijn verschenen. Het blad moet daarom in de eerste helft van november 1771 voor het eerst het licht hebben gezien.
In de Haerlemse Courante van 5 november 1772 spreekt de uitgever over de ‘Gecesseerde Overweeger’, waarvan een register en een opdracht binnenkort uitkomen.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen 8 pagina’s in octavo (totaal: 416 pagina’s). In het titelblok staan alleen de titel en het volgnummer vermeld. Daaronder staat als ondertitel: Overweegende de Bespottelyke en Ongeregelde Voorvallen die onze Nederlanden ons dagelyks opleeveren
Het ongepagineerde voorwerk van de bundel bestaat uit achtereenvolgens: frontispiece, titelpagina, ‘Opdracht Aan den Beroemden en zeer Beruchten Baron, J.B.H.P.P.’ (2 p.), register met inhoudsbeschrijvingen per aflevering (12 p.) en een portret van de auteur.
Op de frontispiece is een schrijvende man uitgebeeld, zittend aan een tafel en achter hem twee allegorische figuren: de Waarheid en Fortuna op het Rad. De Waarheid heeft een roskam in haar hand. Op de vloer bevinden zich een dansende aap, een putto en een paar ratten. De prent is een variant op de frontispiece van Neerlandsch Echo.
Het onderschrift bij het portret van de auteur is ondertekend door ene J.J.V.

Boekhistorische gegevens
Impressum: ‘Gedrukt voor rekening van den Auteur, en zyn in Commissie te bekomen. Te Amsterdam, by F.H. Demter, Boekverkooper’. De colofon van nr. 1 noemt als verkoopadressen:

te Amsterdam by Demter, Moll en Bolius, Leyden de Does, s’Hage Wynands, Rotterdam de Vissen en Bellard, Utregt Haanebrink, Haarlem van Delden, Delft E. van der Smout, Gouda van der Klos, Middelburg Bohemer, Dordregt P. van Braam, Alkmaar Verlaan, en alom by de Boekverkoopers.

Prijs per aflevering: 2 stuivers.
Prijs voorwerk: 8 stuivers.

Medewerkers
De periodiek is blijkens de titelpagina geschreven door Nicolaas François HOEFNAGEL (1735-1784). Deze broodschrijver, afkomstig uit Monnickendam, was in de jaren zeventig en tachtig in Amsterdam woonachtig. Hij staat bekend als kenner van de zelfkant van het leven en heeft verschillende schimp- en lasterbladen op zijn naam staan. Vanaf 1779 zou hij zich voornamelijk gaan toeleggen op politieke geschriften, waarin zijn satirische schrijfstijl overigens nog altijd goed herkenbaar is.

Inhoud
Kenmerkend voor de satirische tijdschriften van Klaas Hoefnagel zijn de cryptische toespelingen op gebeurtenissen waarin zijn slachtoffers een rol spelen (zie hierover nr. 1). De afleveringen bestaan uit een losse aaneenschakeling van verhalen, anekdotes en schandaaltjes over tijdgenoten, die zelfs voor zijn lezers vermoedelijk niet altijd herkenbaar waren. Het waren ‘Swindelaars, Ligtmissen, Dronkaards, Hoereerders, Egtbreekers, en Ligtekoojen’ die hij als personages opvoerde (p. 4).
Hoefnagel verwerkte in deze verhaaltjes, die vaak over meerdere afleveringen zijn uitgesmeerd, ook autobiografische voorvallen. Jongenelen (2014) noemt hem daarom een participerend schandaalschrijver, die zelfs zijn eigen bordeelavonturen tot onderwerp van zijn Overweeger maakte. De nrs. 35, 42-44 en 46 vulde hij deels met pikante levensbeschrijvingen van dames van lichte zeden.
In 1772 verscheen als reactie een Brief aan den heer Nicolaas Hoefnagel schryver van het wekelyks vertoog genaamd de Nederlandsche Overweeger. Ter gelegenheid dat zyn Ed. des nagts, tusschen den derde en vierde maart dezes jaars, door eenige ratelwagts na de Kortegaart, by de Beurs, is geleid geworden. Het was blijkens het fictieve impressum ‘Gedrukt in Monnikendam, voor rekening van eenige liefhebbers van de Echo’sen de Overweegers, die daaglyks in de Doelen en in de Hel verkeeren’. Achter de anonieme schrijver gaat vermoedelijk Willem Ockers schuil.
Hoefnagel reageerde hierop met zijn Antwoort van Nicolaas Hoefnagel op den brief van de zogenaamde heer Johannes Naweeger (gedateerd 16 april 1772). Er wordt voor geadverteerd door Demter zelf, als uitgever, aan het einde van de nrs. 23 en 24 van de Overweeger.

Relatie tot andere periodieken
Nadat Hoefnagels Neerlands Echo (1770-1771) in oktober 1771 in Amsterdam verboden werd, begon hij onmiddellijk met een vervolg: de Nederlandsche Overweeger
Jongenelen (2014) meldt dat Hoefnagel dit blad beëindigde nadat hij had gemerkt dat Willem Ockers een lastercampagne tegen hem was begonnen. Ockers was een andere fondsauteur van Demter; deze had Hoefnagel duidelijk niet tegen Ockers in bescherming genomen. Na dit voorval mocht Demter nog wel het voorwerk uitgeven, maar de vertrouwensbreuk was definitief. Hoefnagel stapte over naar de concurrent Arend Bakker, bij wie zijn volgende tijdschrift, de Reizende Haagsche Advocaat (1774), verscheen.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 29 C 36
¶ Full text

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, ‘De papieren schandpaal. De laster- en schimpbladen (1770-1774) van Nicolaas Hoefnagel’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 37 (2014), p. 188-201
¶ André Hanou, ‘Bibliografie Nicolaas Hoefnagel (1735-1784) – I’, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw nr. 18 (1973), p. 21-31, aldaar p. 25 (noot 7)
¶ André Hanou, ‘Bibliografie Nicolaas Hoefnagel (1735-1784) – II’, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw nr. 21 (1973), p. 15-26, aldaar p. 22 (nr. 96 en noot 89)
¶ André Hanou, ‘Een 18e-eeuwse broodschrijver: Nicolaas Francois Hoefnagel (1735-84) – I en II’, in: Spektator 2 (1972-1973), p. 61-81 en 535-547

Rietje van Vliet