Nederlandsche Spectator (1749-1760)

Titelbeschrijving
De Nederlandsche Spectator.

Periodiciteit
De 312 doorgenummerde afleveringen van dit tijdschrift verschenen iedere maandag, van januari 1749 t/m december 1760. Voor nr. 2 werd geadverteerd in de Oprechte Haerlemsche Courant van 21 januari 1749.
Het blad verscheen om de veertien dagen, maar reeds in nr. 1 houdt de schrijver de mogelijkheid van een wekelijkse frequentie open: ‘wanneer de Correspondentie begint aan te wakkeren’ (p. 8). Gedurende de gehele looptijd bleef de frequentie echter gelijk.
De afleveringen zijn gebundeld in 12 halfjaarlijkse delen.
Het einde van het blad werd betreurd door de anonieme schrijver van de Onpartydige brief aan den Nederlandschen Spectator, behelzende zoo eenige gemaakte aanmerkingen op zyn werk, als de waarschynlyke redenen, hem, tot het nederleggen van zyn spectatoriaale pen, bewoogen hebbende (Krommenie 1761). Wel constateert hij tot zijn spijt dat de Spectator ‘met het verbeeteren der bedorve zeden [niet] veel zyt gevorderd’ (p. 17).

Bibliografische beschrijving 
De afleveringen bevatten 8 per deel doorgenummerde pagina’s in groot octavo. Het titelblok van de afleveringen bevat alleen de titel en het volgnummer, met daaronder een citaat. 
Ieder deel wordt voorafgegaan door een titelpagina en een inhoudsopgave. Het titelvignet (J. Wandelaar inv. et fecit. 1749) stelt een scène voor uit Ovidius’ Metamorphosen. Deel 1 geeft als uitleg een begeleidend dichtstukje:

Eer Theseus, de edle Griek, den Stiermensch [Minotaurus] hadt geveld,
Werdt hem door Ariadne, uit liefde voor dien Held,
Het kluwen aangebôon, langs ’t welk, door ’t aftewinden,
Hy, na zyn zegepraal, des Doolhofs eind kost vinden.
Dus geeven we in dit werk aan ’t vryë Nederland,
Uit liefde tot de deugd, een’ leidraad aan de hand,
Om veilig in het spoor van waar geluk te treeden.
Die ’t licht der rede volgt, spoeit voort met vaste schreeden.

Boekhistorische gegevens
Impressum titelpagina’s: ‘Te Leyden By Pieter vander Eyk’.
Nr. 1 geeft de volgende verkoopadressen (de namen in latere colofons variëren):

te Leyden, by vander Eyk; te Amsterdam Houttuyn en Tongerlo; te Rotterdam Smithof; ’s Gravenhage Gallaird en Scheers; Dordrecht Blusse; Haarlem Bosch; Utrecht Broedelet; Hoorn Kloek; Middelburg Kallenfeldts; Leeuwaarden Noordbeek; Franeker Udingh; Harlingen vander Plaats; Groningen Febens; enz. enz. enz.

Medewerkers
Het blad verscheen anoniem. Er is in nr. 1 duidelijk sprake van een ik-figuur als schrijver/hoofdredacteur van de Nederlandsche Spectator. Hij noemt zich een ‘Schryver om den broode’ (p. 2), maar zegt financieel niet afhankelijk te zijn van het debiet van het blad. Ingezonden brieven zijn vaak gericht aan ‘Heer Spectator’.
Pienaar (1929) noemt op grond van een ingezonden brief in nr. 78 Theodoor VAN SNAKENBURG (1695-1750) als een van de medewerkers uit de beginjaren. Van Snakenburg was rechtsgeleerde in Leiden. Hij had als dichter ook al zijn medewerking verleend aan Van Effens Hollandsche Spectator (1731-1735). Hij staat te boek als de opdrachtgever van de beroemde NELRI-serie (1739-1740) van Cornelis Troost.
De Leidse boekverkoper en publicist Elie Luzac, die ferme kritiek uitte op de Spectator, suggereert in zijn Bericht van Elias Luzac Junior […] Waar in eenige Aanmerkingen op den Nederlandschen Spectator vervat zyn (Leiden 1759) dat er meerdere ‘Schryvers van den Nederlandschen Spectator’ zijn (p. 14).

Inhoud
Spectatoriaal tijdschrift, met ingezonden (soms fictieve) brieven, fabels, ‘karakters’ (vgl. de Engelse characters), samenspraakjes en dichtstukjes. Sommige teksten zijn vertaald, zoals nr. 59 over achterdocht, dat gebaseerd is op Gentleman’s Magazine (1731-1922), waaraan onder anderen Samuel Johnson geregeld bijdragen leverde. Een enkele keer is de brief in spreektaal opgesteld, zoals in nr. 148 waarin ene Reindert Geers die zijn hulp aan de Spectator aanbiedt.
In nr. 1 worden de doelstellingen van het blad uiteengezet. Het begint met een toepasselijk citaat van Juvenalis, ‘Quidquid agunt homines – – – / – – – nostri est farrago libelli’, dat vertaald wordt als

De menschelyke daên te ziften,
Is ’t onderwerp van onze schriften.

De schrijver noemt zich een ‘Zedeschryver’ (p. 4) die gebreken en ondeugden beschrijft die ‘eener valsche redekaveling of gewoonte [is] bestreeken, of onder den achtbren mom va godvrucht verborgen’ (p. 5). Uiteindelijk is het doel de lezers aan te sporen tot een deugdzaam leven. Hij zal ervoor waken ‘dat men daar door geene byzondere persoonen kenne’ (p. 7). Er wordt dus niet op de man gespeeld.
Nr. 2 gaat in op het nut van spectatoriale geschriften, waarbij de auteur uitgebreid spectators vergelijkt met predikanten. Elders gaat het over broodschrijverij of over de eigenschappen van goede schrijvers. De kunst van het boeken schrijven, het verwaarlozen van de moedertaal en het onbegrijpelijke taalgebruik van theologanten gaan de Spectator evenzeer aan het hart.
Andere onderwerpen zijn bijvoorbeeld: pedanterie, kwaadaardige nieuwsgierigheid, , kwakzalverij, zuinigheid, leegloperij, opvoeding, heldendaden van studenten, Franse gewoonten, zedelijk gedrag, arbeidzaam leven, coquettes, petits-maîtres en lichtmissen, tabak roken, geldwolven, bedelaars, behandeling van dienstbodes, betweters, hoogmoed, labbekakken, koffie en thee drinken, damesmode, rijglijven, na-apen van de Franse mode, laster, gebruik en misbruik van muziek, vaderlandsliefde, kwaadsprekerij, de Amsterdamse Schouwburg, de deftigheid van de Hollandse Schouwburg, de oorbiecht, zindelijkheid der Hollandse vrouwen (en mannen) en overdaad. 
Gouvernantes en Franse/Zwitserse lakeien moeten het dikwijls eens ontgelden. Huussen (1992) wijst op de tolerantie tegenover de joden, die in de Nederlandsche Spectator wordt bepleit. Hij noemt ook nr. 81, waarin kritiek wordt geuit op ‘het geven van aalmoezen aan Bedelaaren’, die ‘dit schuim van volk’ worden genoemd.
Doopsgezinden en ‘fijnen’ komen in de Nederlandsche Spectator regelmatig ter sprake. Er is bijvoorbeeld een vertoog over de kleding van doopsgezinden, maar ook over een aflevering gewijd aan Voetianen, oneerbiedigheid tijdens het beluisteren van preken, en misbruiken bij het zingen van psalmen. Het onderwerp oproerig preken wordt eveneens tegen het licht gehouden.
Typisch Leidse onderwerpen die in de Nederlandse Spectator worden behandeld, betreffen de 3 oktober-feesten en de buurten in Leiden.
Een enkele keer komt de binnenlandse politiek ter sprake. Nr. 29 gaat over de binnenlandse onlusten, nr. 76 over het rouwdragen naar aanleiding van de dood van Willem IV, nr. 237 over de neutraliteit van overheden tijdens oorlogen. Buijnsters (1973) wijst erop dat de Nederlandsche Spectator zijn politieke onverschilligheid toen liet varen toen de positie van de Republiek in gevaar was. Elie Luzac vond in zijn Bekendmaaking met een Bericht van Elias Luzac Junior […] Waar in eenige Aanmerkingen op den Nederlandschen Spectator vervat zyn (Leiden 1759) dat het blad was geschreven op een manier waarop ‘onze tegenwoordige Regeringsvorm in aangetast wordt; daar de gemoederen door tot onrust, tot haat, en verbolgenheid worden opgewekt’ (p. 43).
In de Nederlandse Spectator wordt een aantal malen gerefereerd aan, dan wel geciteerd uit werk van de Franse dichteres Antoinette Deshoulières (1638-1694) (nr. 11); de Leidse hoogleraar Jean Nicolas Sébastien Allamand (1713-1787) (nr. 14); Joost van den Vondel (1587-1679) (nr. 23); de componist en violist Pieter Hellendaal (1721-1799) (nr. 54); de Neolatijnse dichter en Utrechtse hoogleraar oosterse talen Adriaan Reland (1676-1718) (nr. 65).
De ‘Uitvaart van een’ zeer fraai zingenden Canary Vogel’ (nr. 230) doet qua thematiek denken aan de Klagte van den heere Jacob Veenhuize, over het rampzalig afsterven van zyn goudvink, canaryvogel, hond Juffer, en paard Princes genaamt (1716), de lijkzang die Robert Hennebo schreef voor de dieren van zijn collega-kroegbaas Veenhuizen.

Relatie tot andere periodieken
De Nederlandsche Spectator treedt, aldus nr. 1, duidelijk in de voetsporen van de Hollandsche Spectator (1731-1735) van Justus van Effen. Dat geldt ook voor de Algemeene Spectator (1741-1746), die met evenveel respect wordt besproken. 
De titel van de Nederlandsche Spectator werd vaker gebruikt. Zo verscheen aan het einde van de achttiende eeuw de Nederlandsche Spectator die vanaf nr. 15 Nederlandsche Spectator met de Bril (1786-1787) heet, en een paar jaar later de Nederlandsche Spectator (1792).  In 1860 ging er opnieuw een Nederlandsche Spectator van start.
De Nederlandsche Spectator van Van der Eyk, met name nr. 243, kreeg felle kritiek van Elie Luzac in diens Bibliothèque Impartiale (maart-april 1758) en in de vertaling ervan, de Nederlandsche Letter-Courant (27-2-1759). Het blad is saai, aldus Luzac: ‘Men zou zeggen dat men eenen Dorp-Paap hoorde, beezig met aan eene sluimerende gemeente de zedekunde koeltjes te preediken’. Van Vliet (1999) noemt ook de kritiek van Luzac op het gemoraliseer van de Spectator. Deze werd in bescherming genomen door de onbekende auteur van Bekendmaaking van Heer Marten van Roshem, Ridder, wegens eenige dwaaze en valsche Aanmerkingen over den Nederlandschen Spectator, in de zoogenaamde Bibliothéque Impartiale (z.p. [1759]). 
De scheldkanonnade aan het adres van Luzac was tevens gericht op diens ideeën over de staatsvorm en de betekenis van het stadhouderschap (‘Witten-oorlog’). Mogelijk was Jan Wagenaar de auteur van dit pamflet. Luzac reageerde op de Bekendmaaking met een Bericht van Elias Luzac Junior […] Waar in eenige Aanmerkingen op den Nederlandschen Spectator vervat zyn (Leiden 1759), waarbij hij ook andere nrs. van de Spectator stevig onder handen nam. Hij vond het een blad vol met ongefundeerd geklets (p. 43). De auteur van de hierboven genoemde Onpartydige brief (1761) mengt zich eveneens in de discussie.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: KW 366 B 27
¶ Full text deel 1-2, deel 3-4deel 5-6, deel 7-8, deel 9-10 en deel 11-12

Literatuur
¶ Rietje van Vliet, ‘De Bibliothèque impartiale, 1750-1758: geleerdentijdschrift en boekhandelstijdschrift’, in: Documentatieblad werkgroep Achttiende Eeuw 31 (1999), p. 35-63, aldaar p. 39-42 
¶ P.J. Buijnsters, ‘Sociologie van de spectator’, in: Spiegel der Letteren 15 (1973), p. 1-17, aldaar p. 15 
¶ A.H. Huussen Jr., ‘De houding van de Nederlander tegenover minderheden’, in: Documentatieblad werkgroep Achttiende Eeuw 24 (1992), p. 73-85, aldaar p. 78-79, 80, 82 
¶ G.O. van de Klashorst, De Nederlandsche Spectator, De Philanthrope en De. Philosooph. Drie spectatoriale geschriften tussen 1749 en 1769 over geloof, mens en samenleving (ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit Utrecht, Instituut voor Geschiedenis 1981)
¶ W.J.B. Pienaar, English influences in Dutch literature and Justus Van Effen as intermediary. An aspect of eighteenth century achievement (Cambridge 1929), p. 182

Rietje van Vliet